Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2010:BO3307

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
05-11-2010
Datum publicatie
08-11-2010
Zaaknummer
24-000420-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling van 26-jarige verdachte wegens mishandeling van 70-jarige buurman door middel van een vuistslag. Beroep op noodweer verworpen. De in eerste aanleg opgelegde en door de advocaat-generaal gevorderde (voorwaardelijke) geldboete doet naar het oordeel van het hof in het geheel geen recht aan de ernst van het bewezen verklaarde feit, de documentatie van verdachte daarbij mede in aanmerking nemende. Het hof acht toepassing van een zwaardere strafmodaliteit in deze zaak aangewezen en zal aan verdachte daarom een werkstraf opleggen van na 30 uren, subsidiair 15 dagen vervangende hechtenis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 24-000420-10

Parketnummer eerste aanleg: 07-602771-09

Arrest van 5 november 2010 van het gerechtshof te Arnhem, nevenzittingsplaats Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 25 januari 2010 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1983] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

niet ter terechtzitting verschenen. Wel verschenen is de raadsman van verdachte,

mr. F.N. Dijkers, advocaat te Almere.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank Zwolle-Lelystad heeft de verdachte bij het vonnis wegens een misdrijf veroordeeld tot een voorwaardelijke geldboete van ? 300,-, subsidiair zes dagen vervangende hechtenis, een beslissing genomen op de vordering van de benadeelde partij en daarbij een maatregel opgelegd, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

De raadsman van verdachte heeft verklaard uitdrukkelijk te zijn gemachtigd verdachte ter terechtzitting te verdedigen.

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het ten laste gelegde bewezen zal verklaren en verdachte daarvoor een geldboete zal opleggen van € 300,-, subsidiair zes dagen vervangende hechtenis, voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof de vordering van de benadeelde partij naar redelijkheid en billijkheid zal toewijzen tot een bedrag van € 250,-, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, en hem voor het overige niet ontvankelijk zal verklaren in zijn vordering.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd, dat:

hij op of omstreeks 13 augustus 2009 te [plaats], in de gemeente [gemeente], opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [benadeelde]), (met kracht) in/op/tegen het gezicht, althans op/tegen het hoofd, heeft gestompt/geslagen, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

Bewezenverklaring

Het hof acht bewezen dat:

hij op 13 augustus 2009 te [plaats], in de gemeente [gemeente], opzettelijk mishandelend een persoon, te weten [benadeelde], in het gezicht heeft gestompt, waardoor deze letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

mishandeling.

Strafbaarheid

Verdachte heeft erkend zijn buurman, aangever [benadeelde], met de vuist een slag in het gezicht te hebben gegeven. Door en namens verdachte is een beroep gedaan op noodweer. Daartoe is aangevoerd dat verdachte - naar eigen zeggen reeds langere tijd subject van pesterijen van de zijde van [benadeelde] - de vuistslag heeft gegeven omdat hij zich door zijn buurman bedreigd voelde. Verdachte bevond zich op de boven- verdieping van zijn woning en was doende vanuit een raam aan de achterzijde zijn tuin te filmen. [benadeelde] was op dat moment in zijn eigen tuin, tezamen met een buurtbewoner. [benadeelde] riep - kennelijk vanwege dat filmen - enkele scheldwoorden ('teringventje" en/of "kankerjoch") naar verdachte, waarop laatstgenoemde zich naar [benadeelde] begaf om een en ander uit te praten. [benadeelde] bleek zich te hebben voorzien van een stoeptegel. Verdachte heeft verklaard dat [benadeelde] een gooiende beweging in zijn richting maakte met de tegel, dat de tegel zijn kant opkwam en dat hij deze nog net kon ontwijken. Verdachte heeft daarop gereageerd door met de vuist in het gezicht van [benadeelde] te slaan. De raadsman van verdachte heeft betoogd dat er aldus sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding door [benadeelde], waartegen verdachte zich mocht verdedigen. De wijze waarop verdachte dit heeft gedaan kan als proportioneel worden aangemerkt. Verdachte heeft het bij die ene klap gelaten en is daarop terstond teruggekeerd naar zijn woning. De raadsman heeft (primair) verzocht verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging op grond van noodweer.

Het hof overweegt hierover het navolgende.

Op zichzelf kan de situatie, waarin iemand zich van een stoeptegel heeft voorzien met de kennelijke bedoeling een ander daarmee te treffen, als bedreigend worden aangemerkt. Dat verdachte in de onderhavige situatie met [benadeelde] een dreigende ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding heeft gezien, wil het hof aannemen. Daarmee is evenwel niet gezegd dat de door verdachte toegebrachte vuistslag geboden was ter noodzakelijke verdediging van verdachtes lijf. Uit de verklaringen van diverse getuigen kan worden afgeleid dat verdachte naar beneden rende om verhaal te halen. Vervolgens opende verdachte met (enig) geweld de tuindeur van [benadeelde]. Als gevolg daarvan kwam de deur tegen het gezicht van de echtgenote van [benadeelde]. Naar aanleiding daarvan heeft [benadeelde] de stoeptegel gepakt om - in zijn woorden - verdachte weg te dreigen. Uit geen van de verklaringen, behalve uit die van verdachte, blijkt echter dat [benadeelde] daadwerkelijk heeft gegooid met de stoeptegel. De echtgenote van [benadeelde] heeft verklaard de stoeptegel van haar man te hebben afgenomen en deze weliswaar zelf in de richting van verdachte te hebben gegooid, maar hem op drie meter na te hebben gemist.

Bij de inschatting van de situatie heeft het hof rekening gehouden met het feit dat verdachte destijds 26 jaar oud was en [benadeelde] 70 jaar. Het kan, normaal gesproken, niet anders dan dat dit leeftijdsverschil een aanmerkelijk verschil in krachtsverhouding tussen verdachte en aangever heeft meegebracht.

Gelet op vorenstaande acht het hof niet aannemelijk geworden dat de door verdachte toegebrachte vuistslag kan worden gerechtvaardigd door een noodzakelijke verdediging van eigen lijf, daargelaten het feit dat verdachte alle gelegenheid had om zich op eenvoudige wijze aan de situatie te onttrekken.

Het hof acht verdachte ook overigens strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden niet aanwezig geacht.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de aard en ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling van zijn buurman, aangever [benadeelde]. De toedracht van het betreffende incident is hiervoor reeds uiteengezet. Hoewel ook aangever enig aandeel zal hebben gehad in het ontstaan van een (buren)klimaat, waarin de thans ter beoordeling staande escalatie kon plaatsvinden, had verdachte zich van elk geweld dienen te onthouden. Verdachte heeft door daartoe over te gaan de lichamelijke integriteit van de - veel oudere - aangever geschonden. Uit de vordering van aangever als benadeelde partij blijkt dat het incident gedurende langere tijd heftige emoties, slapeloosheid en angsten bij hem en zijn echtgenote teweeg heeft gebracht.

Het hof heeft voorts gelet op het de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van 20 juli 2010. Daaruit blijkt dat verdachte meermalen is veroordeeld voor strafbare feiten van diverse aard, waaronder tevens delicten met een geweldscomponent.

Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat de in eerste aanleg opgelegde en door de advocaat-generaal gevorderde (voorwaardelijke) geldboete in het geheel geen recht doet aan de ernst van het bewezen verklaarde feit, de documentatie van verdachte daarbij mede in aanmerking nemend. Het hof acht toepassing van een zwaardere strafmodaliteit in deze zaak aangewezen en zal aan verdachte daarom een werkstraf opleggen van na te melden omvang.

Benadeelde partij

Uit het onderzoek ter terechtzitting van het hof is gebleken dat de benadeelde partij, [benadeelde], wonende te [woonplaats], zich in het geding in eerste aanleg heeft gevoegd, dat de rechtbank hem in zijn vordering tot schadevergoeding ad € 1.837,- niet ontvankelijk heeft verklaard en dat hij zich binnen de grenzen van zijn eerste vordering in het geding in hoger beroep opnieuw heeft gevoegd. Derhalve duurt de voeging ter zake van zijn in eerste aanleg gedane vordering tot schadevergoeding in het geding in hoger beroep voort.

Uit het door de benadeelde partij ingediende voegingsformulier blijkt dat het gevorderde bedrag van € 1.837,- bestaat uit materiële schade ten bedrage van 5 1.387,- en immateriële schade, welke is begroot op € 450,-.

Voorts blijkt dat de materiële schade betrekking heeft op door de benadeelde partij gemaakte verhuiskosten en derhalve niet op schade die rechtstreeks is toegebracht door het hiervoor bewezen verklaarde feit. Gelet op het bepaalde in artikel 361, tweede lid, aanhef en onder b, van het Wetboek van Strafvordering, dient de benadeelde partij in haar vordering in zoverre niet ontvankelijk te worden verklaard.

Voor wat betreft de immateriële deel van de vordering acht het hof aannemelijk geworden dat de benadeelde partij schade heeft ondervonden als gevolg van het bewezen verklaarde feit. Het hof stelt het toe te wijzen bedrag vast op € 250,- en acht de vordering tot immateriële schadevergoeding voor het overige niet van zo eenvoudige aard, dat deze zich leent voor behandeling in het strafgeding. Gelet op het bepaalde in artikel 361, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, dient de benadeelde partij in zijn vordering in zoverre niet ontvankelijk te worden verklaard, met bepaling dat de benadeelde partij zijn vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Gelet op het vorenstaande zullen de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen, tot op heden begroot op nihil.

Schadevergoedingsmaatregel

Het hof zal voormeld bedrag van € 250,- tevens toewijzen in de vorm van een schadevergoedingsmaatregel.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 22c, 22d, 36f, 63 en 300 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte ten laste gelegde bewezen, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart dit feit en verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot taakstraf, bestaande uit een werkstraf, voor de duur van dertig uren, met bevel voor het geval dat de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis voor de duur van vijftien dagen zal worden toegepast;

wijst toe de vordering van de benadeelde partij, [benadeelde], wonende te [woonplaats], tot een bedrag van tweehonderdvijftig euro;

verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering;

bepaalt dat de benadeelde partij de vordering, voor zover deze betrekking heeft op het niet toegewezen deel van de vordering tot immateriële schadevergoeding, slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten betalen, tot aan deze uitspraak begroot op nihil;

legt aan verdachte tevens de verplichting op tot betaling aan de Staat van tweehonderdvijftig euro ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde], wonende te [woonplaats];

beveelt dat vervangende hechtenis voor de duur van vijf dagen zal worden toegepast, indien noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt;

bepaalt dat indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat van bovenvermeld bedrag, de verplichting om te voldoen aan de vordering van de benadeelde partij komt te vervallen, alsmede dat, indien veroordeelde aan de vordering van de benadeelde partij heeft voldaan, de verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. P. Koolschijn, voorzitter, mr. W. Foppen en mr. H. Heins, in tegenwoordigheid van J.B. Schwerzel als griffier, zijnde mr. Koolschijn voornoemd buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.