Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2010:BO2994

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
19-10-2010
Datum publicatie
05-11-2010
Zaaknummer
21-004191-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Mensenhandel als bedoeld in artikel 273f, lid 1 onder 1° en 4°, Wetboek van Strafrecht.

Verdachte heeft aangeefster zodanig murw gemaakt en gehouden dat hij haar in een afhankelijke situatie heeft gebracht. In het bijzonder gelet op het feit dat sprake was van stelselmatig geweld jegens aangeefster is het hof van oordeel dat aangeefster niet meer in vrijheid kon bepalen of ze zich ging of zich bleef prostitueren. Het op haar toegepaste mechanisme van dwang, geweld en feitelijkheden, dat zich gedurende de gehele tenlastegelegde periode heeft opgebouwd, maakte dat aangeefster zich niet durfde te verzetten tegen verdachte en dat zij uiteindelijk toegaf aan verdachte’s dwingende vraag om in de prostitutie te werken en te blijven werken. Aangeefster is derhalve gedwongen tewerkgesteld in de prostitutie. Bij gedwongen prostitutie is de lichamelijke integriteit van het slachtoffer in het geding, hetgeen uitbuiting veronderstelt.

Ten aanzien van het werven van aangeefster, als bedoeld in artikel 273f, lid 1 onder 1°, Wetboek van Strafrecht, merkt het hof op dat dit begrip praktisch en niet eng dient te worden uitgelegd. Gelet op het feit dat verdachte een relatie met aangeefster is aangegaan en haar vervolgens door middel van de genoemde dwangmiddelen de prostitutie in heeft geduwd, is het hof van oordeel dat sprake is geweest van het werven van die aangeefster. Daarvoor behoeft niet vast te staan dat ook het aangaan van die relatie als zodanig in het teken van het werven stond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Sector strafrecht

Parketnummer: 21-004191-08

Uitspraak d.d.: 19 oktober 2010

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Utrecht van

3 oktober 2008 in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

ingeschreven bij de Gemeentelijke Basis Administratie op het adres [adres].

Het hoger beroep

De officier van justitie heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 5 oktober 2010 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd (zie voor de inhoud van de vordering bijlage I). Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen namens verdachte door zijn raadsman,

mr S.J. Daniels, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2005 tot en met 1 maart 2007 te Amsterdam en/of Utrecht, althans in Nederland, een ander, genaamd [aangeefster],

(telkens) door dwang en/of geweld en/of een andere feitelijkheid en/of door dreiging met geweld of een andere feitelijkheid en/of door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht,

heeft geworven, vervoerd, overgebracht, gehuisvest of opgenomen,

(telkens) met het oogmerk van uitbuiting van die [aangeefster],

en/of heeft gedwongen of bewogen zich beschikbaar te stellen

(telkens) door dwang en/of geweld en/of een andere feitelijkheid en/of door dreiging met geweld of een andere feitelijkheid en/of door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht,

tot het verrichten van arbeid of diensten en/of enige handeling heeft ondernomen waarvan hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat die ander zich daardoor beschikbaar zou stellen tot het verrichten van arbeid of diensten,

en/of opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van die [aangeefster]

en/of die [aangeefster] heeft gedwongen dan wel bewogen hem te bevoordelen uit de opbrengst van diens seksuele handelingen met of voor een derde,

bestaande die/dat dwang en/of geweld en/of feitelijkheid en/of andere feitelijkheid en/of misleiding en/of misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht (telkens) uit het

(nadat: -hij een relatie met die [aangeefster] was aangegaan en/of

-hij ruzie met de ouders van die [aangeefster] had gemaakt en/of

-die [aangeefster] was weggelopen van haar ouderlijk huis en/of

-die [aangeefster] (mede) de zorg voor zijn dochter [dochter] op zich had genomen en/of

-hij die [aangeefster] vertelde dat hij schulden had en/of

-die [aangeefster] van haar salaris (van haar kantoorbaan) en/of haar spaargeld (een deel van) zijn schulden betaalde en/of

-hij wist dat die [aangeefster] geen geld meer had om zijn schulden te betalen en/of

-hij die [aangeefster] had geïntroduceerd in en/of met die [aangeefster] had gelopen door het Wallengebied (in Amsterdam) en/of

-hij die [aangeefster] had voorgesteld aan een vrouw genaamd [vrouw 1] en/of een vrouw genaamd [vrouw 2] welke vrouw(en) in de prostitutie werkten/hadden gewerkt)

-bemiddelen en/of regelen en/of huren van een zogeheten peeskamer in het Wallengebied waar die [aangeefster] dier werkzaamheden als prostituee verrichtte en/of

-geven van het telefoonnummer van een kamerverhuurder op het Wallengebied en/of

-kopen van weed en/of joints en/of sigaretten voor die [aangeefster] en/of

-(laten) brengen/bezorgen van eten en/of drinken naar/bij die [aangeefster], terwijl die [aangeefster] dier werkzaamheden als prostituee verrichtte en/of

-verblijven in de buurt van die [aangeefster], terwijl die [aangeefster] dier werkzaamheden als prostituee verrichtte en/of

-mededelen aan die [aangeefster] dat die [aangeefster] geen Marokkanen, Turken, Surinamers en/of vrienden van hem, verdachte, als klant van haar mocht accepteren en/of

-zorgdragen voor controle en/of toezicht op de prostitutiewerkzaamheden en/of verdiensten (daaruit) van die [aangeefster] en/of het afdragen van de verdiensten door die [aangeefster] aan verdachte en/of

-die [aangeefster] al haar verdiensten, althans een aanzienlijk deel daarvan, laten afgeven aan verdachte, althans die [aangeefster] geen gedeelte, althans weinig van haar verdiensten laten behouden en/of

-feitelijk bezitten en/of beheren van de bankpas/pinpas met bijbehorende pincode, welke bankpas/pinpas op naam van die [aangeefster] stond en/of

-maken van (een) (digitale) foto(‘s) en/of (een) (digitale) film(s) van die [aangeefster] en (vervolgens) opslaan van die foto(‘s) en/of die film(s) op een zogeheten usb-stick en laten liggen/achterlaten van die usb-stick bij een derde persoon en/of

-afspreken met die [aangeefster] en/of mededelen aan die [aangeefster] dat hij, verdachte het door die [aangeefster] verdiende geld met prostitutiewerkzaamheden op kwam halen (in de peeskamer waar die [aangeefster] haar werkzaamheden als prostituee verrichtte) en/of

-laten verrichten van prostitutiewerkzaamheden onder de naam van “[naam 1]” en/of “[naam 2]” en/of

-kopen en/of leveren en/of geven van condooms en/of glijmiddel voor die [aangeefster], welke condooms en/of welk glijmiddel door die [aangeefster] werden gebruikt tijdens het verrichten van prostitutiewerkzaamheden en/of

-schreeuwen tegen die [aangeefster] nadat/terwijl die [aangeefster] hem, verdachte, kenbaar had gemaakt niet als prostituee te willen werken en/of

-laten doorwerken van die [aangeefster] met prostitutiewerkzaamheden in het zogeheten Wallengebied, terwijl die [aangeefster] grieperig was en/of koorts had en/of terwijl die [aangeefster] menstrueerde en/of

-die [aangeefster] (te weinig) liet eten waardoor zij sterk vermagerde en/of

-die [aangeefster] stelselmatig mishandelen en/of

-bepalen van de dag(en) en of de uren waarop die [aangeefster] dier werkzaamheden als prostituee in het zogeheten Wallengebied moest verrichten en/of

-tonen van een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, aan die [aangeefster] en/of

-toevoegen van de volgende woorden aan die [aangeefster]: “Je bent gestoord” en/of “Je bent psychisch” en/of “Je ziet spoken” en/of “Stresskip” en/of “Het ligt allemaal aan jou” en/of “We hebben een tachtig jaren contract tot de schijt ons doodt” en/of “Ik heb de voeten van mijn ex gebroken” en/of “Ik heb vrienden die in het criminele circuit zitten” en/of

-toevoegen van de volgende woorden aan die [aangeefster] (terwijl hij, verdachte, en die [aangeefster] naar het televisieprogramma van Peter R. de Vries keken): “Wat een goed idee om iemand in de duinen te begraven. Als er zoiets met jou gebeurt, zal niemand je vinden. Ik heb connecties om dat soort problemen op te lossen” en/of

-tegenhouden van die [aangeefster] op het moment dat die [aangeefster] op het punt stond hem, verdachte, te verlaten althans bij hem, verdachte, weg te gaan.

2.

Primair

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 februari 2003 tot en met 1 maart 2007 te Utrecht en/of te Amsterdam, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [aangeefster], (telkens) opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, (telkens)

-in dier gezicht heeft geslagen en/of gestompt en/of

-tegen dier be(e)n(en) en/of (boven)lichaam heeft geschopt en/of geslagen en/of

-tegen/op dier hoofd heeft geslagen en/of geschopt en/of

-aan dier hoofdhaar heeft getrokken en/of op een bed heeft gegooid en/of terwijl die [aangeefster] op bed lag heeft gestompt en/of geslagen,

zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

Subsidiair

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 februari 2003 tot en met 1 maart 2007 te Utrecht en/of te Amsterdam, althans in Nederland, (telkens) opzettelijk mishandelend [aangeefster],

-in dier gezicht heeft geslagen en/of gestompt en/of

-tegen dier be(e)n(en) en/of (boven)lichaam heeft geschopt en/of geslagen en/of

-tegen/op dier hoofd heeft geslagen en/of geschopt en/of

-aan dier hoofdhaar heeft getrokken en/of op een bed heeft gegooid en/of

terwijl die [aangeefster] op bed lag heeft gestompt en/of geslagen,

waardoor die [aangeefster] (telkens) letsel heeft bekomen en/of (telkens) pijn

heeft ondervonden.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak

Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het onder 2 primair tenlastegelegde heeft begaan, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Niet aannemelijk is geworden dat verdachte de opzet heeft gehad om aangeefster [aangeefster] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen.

Overweging met betrekking tot het bewijs

De raadsman van verdachte heeft in hoger beroep aangevoerd dat verdachte ten aanzien van de onder 1 tenlastegelegde mensenhandel dient te worden vrijgesproken, nu er geen sprake is geweest van uitbuiting dan wel dwang en er geen sprake is van een aantasting van een fundamenteel mensenrecht van aangeefster [aangeefster].

Het hof verwerpt dit verweer van de raadsman en merkt daartoe het volgende op.

Het hof is van oordeel dat het namens verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Verdachte wordt 4 verschillende modaliteiten van mensenhandel, zoals strafbaar gesteld in artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht, verweten. Kort samengevat:

a)het door middel van een dwangmiddel werven van [aangeefster] met het oogmerk van uitbuiting (lid 1 sub 1)

b)het door middel van een dwangmiddel bewegen van [aangeefster] zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid (lid 1 sub 4)

c)het voordeel trekken van uitbuiting van [aangeefster] (lid 1 sub 6)

d)[aangeefster] dwingen/bewegen hem te bevoordelen uit de opbrengst van seksuele uitbuiting (lid 1 sub 9).

Uit de gebezigde bewijsmiddelen volgt, hetgeen ook niet is betwist, dat verdachte in 2002 een relatie is aangegaan met aangeefster [aangeefster] en dat [aangeefster] gedurende de relatie, in de periode van november 2006 tot maart 2007, prostitutiewerkzaamheden heeft verricht.

Voorts volgt uit die bewijsmiddelen -in het bijzonder uit de verklaringen van aangeefster [aangeefster]-:

-dat verdachte [aangeefster] voortdurend wees op de schulden die verdachte had, welke schulden [aangeefster] van haar salaris en spaargeld (deels) betaalde;

-dat verdachte, toen hij wist dat [aangeefster] geen geld meer had om zijn schulden te betalen, [aangeefster] heeft geïntroduceerd in het Wallengebied in Amsterdam;

-dat verdachte [aangeefster] heeft verzocht om, naast haar 40-urige kantoorbaan, prostitutiewerkzaamheden te gaan verrichten;

-dat verdachte bemiddelde en een peeskamer regelde in het Wallengebied, waar [aangeefster] als prostituee is gaan werken;

-dat verdachte, wanneer [aangeefster] haar werkzaamheden als prostituee verrichtte, bij [aangeefster] in de buurt bleef;

-dat verdachte zorg droeg voor controle en toezicht op de prostitutiewerkzaamheden van [aangeefster] en haar verdiensten;

-dat verdachte ervoor zorgde dat [aangeefster] haar verdiensten aan verdachte afdroeg;

-dat verdachte de pinpas van [aangeefster], met bijbehorende pincode, bezat en beheerde;

-dat verdachte [aangeefster] stelselmatig mishandelde.

[aangeefster] heeft verklaard dat zij, onder meer door de mishandelingen, bang was voor verdachte. Zij voelde zich onder grote druk staan van verdachte, zag geen uitweg meer en had niet meer de kracht om tegen hem in te gaan. Daar komt bij dat zij (deels) de zorg voor [dochter], de dochter van verdachte, op zich had genomen en zich zeer verantwoordelijk voor haar voelde.

Het beeld dat [aangeefster] in haar verklaringen schetst, wordt bevestigd door de verklaringen van de moeder van verdachte, door verklaringen van de familie van [aangeefster], door collega prostituees en door ex-collega’s van [bedrijf].

Door een relatie met [aangeefster] aan te gaan en gedurende die relatie gebruik te maken van de hiervoor genoemde feitelijkheden en mishandelingen en door gebruik te maken van de situatie dat [aangeefster] de zorg voor zijn dochter [dochter] op zich had genomen en zich zeer verantwoordelijk voor haar voelde, is het hof van oordeel dat verdachte [aangeefster] zodanig murw heeft gemaakt en gehouden dat hij deze [aangeefster] in een afhankelijke situatie heeft gebracht. In het bijzonder gelet op het feit dat sprake was van stelselmatig geweld jegens [aangeefster] is het hof van oordeel dat [aangeefster] niet meer in vrijheid kon bepalen of ze zich ging of zich bleef prostitueren.

Het op haar toegepaste mechanisme van dwang, geweld en feitelijkheden, dat zich gedurende de gehele tenlastegelegde periode heeft opgebouwd, maakte dat [aangeefster] zich niet durfde te verzetten tegen verdachte en dat zij uiteindelijk toegaf aan verdachte’s dwingende vraag om in de prostitutie te werken en te blijven werken. [aangeefster] is derhalve gedwongen tewerkgesteld in de prostitutie. Bij gedwongen prostitutie is de lichamelijke integriteit van het slachtoffer in het geding, hetgeen uitbuiting veronderstelt.

Het hof acht de hiervoor genoemde gedragingen en uitlatingen van verdachte middelen als bedoeld in artikel 273f, lid 1 onder 1°, Wetboek van Strafrecht, waarmee verdachte [aangeefster] -met het oogmerk van uitbuiting- heeft geworven, vervoerd, overgebracht, gehuisvest en opgenomen (zoals bedoeld in artikel 273f, lid 1 onder 1°, Wetboek van Strafrecht) en waarmee verdachte [aangeefster] heeft gedwongen/bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van prostitutiewerkzaamheden dan wel middelen waarvan verdachte -gelet op de aard van zijn gedragingen en uitlatingen- wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat [aangeefster] zich daardoor beschikbaar stelde tot het verrichtten van prostitutiewerkzaamheden en waarmee hij haar heeft belemmerd in haar vrijheid om te besluiten met deze werkzaamheden te stoppen (zoals bedoeld in artikel 273f, lid 1 onder 4°, van het Wetboek van Strafrecht).

Ten aanzien van het werven van [aangeefster], zoals bedoeld in artikel 273f, lid 1 onder 1°, Wetboek van Strafrecht, merkt het hof op dat dit begrip praktisch en niet eng dient te worden uitgelegd. Gelet op het feit dat verdachte een relatie met [aangeefster] is aangegaan en haar vervolgens door middel van de hiervoor genoemde dwangmiddelen de prostitutie in heeft geduwd, is het hof van oordeel dat sprake is geweest van het werven van die [aangeefster]. Daarvoor behoeft niet vast te staan dat ook het aangaan van die relatie als zodanig in het teken van het werven stond.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging verkregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het onder 1 en 2 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1.

hij op tijdstippen in de periode van 1 januari 2005 tot en met 1 maart 2007 te Amsterdam en/of Utrecht, een ander, genaamd [aangeefster],

telkens door dwang en/of geweld en/of een andere feitelijkheid

heeft geworven, vervoerd, overgebracht, gehuisvest of opgenomen,

(telkens) met het oogmerk van uitbuiting van die [aangeefster],

en/of heeft gedwongen of bewogen zich beschikbaar te stellen

telkens door dwang en/of geweld en/of een andere feitelijkheid

tot het verrichten van arbeid of diensten en/of enige handeling heeft ondernomen waarvan hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat die ander zich daardoor beschikbaar zou stellen tot het verrichten van arbeid of diensten,

bestaande die/dat dwang en/of geweld en/of feitelijkheid (telkens) uit het

(nadat : -hij een relatie met die [aangeefster] was aangegaan en

-die [aangeefster] (mede) de zorg voor zijn dochter [dochter] op zich had genomen en

-hij die [aangeefster] vertelde dat hij schulden had en

-hij die [aangeefster] had geïntroduceerd in en/of met die [aangeefster] had gelopen door het Wallengebied (in Amsterdam) en

-hij die [aangeefster] had voorgesteld aan een vrouw genaamd [vrouw 1] en een vrouw genaamd [vrouw 2] welke vrouw(en) in de prostitutie werkten/hadden gewerkt)

-bemiddelen en/of regelen en/of huren van een zogeheten peeskamer in het Wallengebied waar die [aangeefster] dier werkzaamheden als prostituee verrichtte en/of

-geven van het telefoonnummer van een kamerverhuurder op het Wallengebied en/of

-verblijven in de buurt van die [aangeefster], terwijl die [aangeefster] dier werkzaamheden als prostituee verrichtte en

-zorgdragen voor controle en/of toezicht op de prostitutiewerkzaamheden en/of verdiensten (daaruit) van die [aangeefster] en het afdragen van de verdiensten door die [aangeefster] aan verdachte en/of

-feitelijk bezitten en/of beheren van de bankpas/pinpas met bijbehorende pincode, welke bankpas/pinpas op naam van die [aangeefster] stond en/of

-die [aangeefster] stelselmatig mishandelen.

2.

Subsidiair

hij op tijdstippen in de periode van 1 februari 2003 tot en met 1 maart 2007 te Utrecht telkens opzettelijk mishandelend [aangeefster],

-in dier gezicht heeft geslagen en gestompt en

-tegen dier benen en bovenlichaam heeft geschopt en geslagen en

-tegen/op dier hoofd heeft geslagen en

-aan dier hoofdhaar heeft getrokken en op een bed heeft gegooid en

terwijl die [aangeefster] op bed lag heeft geslagen,

waardoor die [aangeefster] telkens letsel heeft bekomen en telkens pijn

heeft ondervonden.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezene levert op de misdrijven:

ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde:

Mensenhandel.

ten aanzien van het onder 2 subsidiair bewezenverklaarde:

Mishandeling, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Het hof heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen -en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van de hierna aan te geven duur leiden- de navolgende omstandigheden.

Verdachte heeft aangeefster [aangeefster] gedurende een lange periode zodanig gemanipuleerd, dat zij is gedwongen dan wel bewogen om in de prostitutie te gaan werken en te blijven werken. Daarbij heeft verdachte gebruik gemaakt van een combinatie van geweld, feitelijkheden en de goede band die [aangeefster] met zijn dochtertje had opgebouwd. Door aldus te handelen heeft verdachte op ernstige wijze inbreuk gemaakt op de vrijheid van [aangeefster] om over haar eigen lichaam te beschikken. [aangeefster] heeft verkeerd in een situatie waarin zij niet in vrijheid kon beslissen om al dan niet door te gaan met het verrichten van de werkzaamheden of om daarmee te stoppen.

Het onvrijwillig in de prostitutie brengen en houden van [aangeefster] is een zeer ernstig feit, waarbij misbruik is gemaakt van de afhankelijke positie van [aangeefster]. Door aldus te handelen, in combinatie met het stelselmatig door verdachte uitgeoefende geweld tegenover [aangeefster], heeft verdachte [aangeefster] ernstige en blijvende schade aan de lichamelijke en geestelijke integriteit toegebracht en haar persoonlijke vrijheid ernstig en blijvend geschaad. Het hof is van oordeel dat, mede met het oog op generale preventie, deze vorm van mensenhandel, met gedurende lange tijd gepleegd structureel geweld, een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van lange duur rechtvaardigt.

Naast hetgeen hiervoor is overwogen, heeft het hof met betrekking tot de persoon van verdachte gelet op het uittreksel uit de justitiële documentatie, verdachte betreffende, waaruit blijkt dat verdachte reeds eerder is veroordeeld wegens geweldsdelicten. Dit heeft hem er echter niet van weerhouden de onderhavige feiten te plegen.

Het hof heeft voorts gelet op de verschillende rapportages die omtrent verdachte zijn uitgebracht, maar ziet hierin geen omstandigheden die tot strafverlichting zouden moeten leiden.

Alles in aanmerking nemend acht het hof een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek van de tijd door verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, passend en geboden.

Het hof ziet anders dan de advocaat-generaal -die in hoger beroep een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk, heeft gevorderd- geen aanleiding een gedeelte van deze gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen. Het hof heeft hierbij gelet op artikel 15 Wetboek van Strafrecht dat bepaalt dat:

-een veroordeelde tot vrijheidsstraf van meer dan een jaar en ten hoogste twee jaren voorwaardelijk in vrijheid wordt gesteld wanneer de vrijheidsbeneming ten minste een jaar heeft geduurd en van het alsdan nog ten uitvoer te leggen gedeelte van de straf eenderde gedeelte is ondergaan (lid 1);

-voorwaardelijke invrijheidstelling niet plaatsvindt na oplegging van een gedeeltelijke voorwaardelijke straf (lid 3).

Bovendien geschiedt de voorwaardelijke invrijheidstelling onder de voorwaarden beschreven in artikel 15a van het Wetboek van Strafrecht.

De vordering van de benadeelde partij [aangeefster]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedroeg € 11.400,-. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet toegewezen. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor een bedrag van € 9.800,-.

De verdediging heeft de hoogte van de vordering van de benadeelde partij in hoger beroep niet betwist.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot het hierna te noemen bedrag zal worden toegewezen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 24c, 36f, 57, 63, 273f en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat verdachte het onder 2 primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart verdachte strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 (vierentwintig) maanden.

Bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

De vordering van de benadeelde partij [aangeefster]:

Veroordeelt verdachte aan de benadeelde partij, [aangeefster], te betalen een bedrag van

€ 9.800,00 (negenduizend achthonderd euro).

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij, genaamd [aangeefster], een bedrag te betalen van € 9.800,00 (negenduizend achthonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 84 (vierentachtig) dagen hechtenis.

Bepaalt dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij inzoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Aldus gewezen door

mr M.J. Stolwerk, voorzitter,

mr A.G. Coumans en mr J.H.M. Zwinkels, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr N.D. ten Elshof, griffier,

en op 19 oktober 2010 ter openbare terechtzitting uitgesproken.