Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2010:BO2927

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
04-11-2010
Datum publicatie
04-11-2010
Zaaknummer
24-003346-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bewezen verklaard is:

overtreding van artikel 163, tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994 en

eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening.

Opgelegd is:

een geldboete van € 1.500,-, subsidiair dertig dagen vervangende hechtenis en een geheel voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van negen maanden, met een propeftijd van twee jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 24-003346-09

parketnummers eerste aanleg: 07-400251-09 en 07-460636-09

Arrest van 4 november 2010 van het gerechtshof Arnhem, nevenzittingsplaats Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zwolle-Lelystad van 18 december 2009 in de oorspronkelijk onder de parketnummers 07-400251-09 en 07-460636-09 afzonderlijk aangebrachte, maar ter terechtzitting in eerste aanleg gevoegde strafzaken, hierna te noemen respectievelijk zaak A en zaak B, tegen:

[verdachte],

geboren op [1979] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

verschenen in persoon.

Het vonnis waartegen het beroep is gericht

De politierechter in de rechtbank Zwolle-Lelystad heeft de verdachte bij het hierboven genoemde vonnis, in de gevoegde zaken, wegens misdrijven veroordeeld tot een straf en een bijkomende straf, zoals in dat vonnis is omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zwole-Lelystad zal bevestigen en de verdachte ter zake van het in zaak

A onder 1 en 2 en in zaak B ten laste gelegde zal veroordelen tot een geldboete van

? 1.500,-, subsidiair 30 dagen vervangende hechtenis en hem daarnaast ter zake van het in zaak A onder 1 ten laste gelegde een ontzeggging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van 9 maanden zal opleggen.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is in zaak A ten laste gelegd, dat:

1.

hij op of omstreeks 26 september 2009 te gemeente [gemeente] als degene tegen wie verdenking was gerezen als bestuurder van een auto te hebben gehandeld in strijd met artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994 en aan wie door een opsporingsambtenaar was bevolen medewerking te verlenen aan een ademonderzoek, als bedoeld in artikel

8, tweede lid, aanhef en onder a van genoemde wet, niet heeft voldaan aan de verplichting ademlucht te blazen in een voor het onderzoek bestemd apparaat en/of aan de verplichting gevolg te geven aan alle door een opsporingsambtenaar ten dienste van het onderzoek gegeven aanwijzingen;

2.

hij op of omstreeks 26 september 2009 te gemeente [gemeente], toen (een) aldaar in uniform geklede dienstdoende politieambtena(a)r(en) verdachte, als verdacht van het gepleegd hebben van ??n of meer op heterdaad ontdekt(e) strafba(a)r(e) feit(en) had(den) aangehouden en had(den) vastgegrepen, althans vast had(den) teneinde verdachte, ter geleiding voor een hulpofficier van justitie, over te brengen naar een politiebureau, zich met geweld tegen die eerstgenoemde opsporingsambtena(a)r(en), werkzaam in de rechtmatige uitoefening van hun/zijn bediening, heeft verzet door te rukken en te trekken in een richting tegengesteld aan die, waarin die ambtena(a)r(en) verdachte trachtte(n) te geleiden.

Aan de verdachte is in zaak B ten laste gelegd, dat:

hij op of omstreeks 26 september 2009 in de gemeente [gemeente], opzettelijk beledigend (een) ambtena(a)r(en), te weten [verbalisant], hoofdagent van politie, regio IJsselland district Midden, gedurende en/of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar/hun bediening, in diens/dier tegenwoordigheid en/of in het openbaar mondeling heeft toegevoegd de woorden "Vuile kankerleijer." en/of "Vuile klootzak, kankerwout.", althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking.

Vrijspraak ter zake van feit 2 in zaak A

Het hof acht niet bewezen hetgeen in zaak A onder 2 aan de verdachte is ten laste gelegd, zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken.

Het hof is tot deze beslissing gekomen nu met betrekking tot de wederspannigheid zoals die heeft plaatsgevonden na aanhouding van de verdachte door de verbalisant enkel is geverbaliseerd dat de verdachte zich hevig verzette ten tijde van zijn aanhouding.

Niet omschreven is waaruit dit verzet bestond. Daarmee mist het bewijs voor het ten laste gelegde onderdeel "door te rukken en te trekken in een richting tegengesteld aan die, waarin die ambtena(a)r(en) verdachte trachtte(n) te geleiden".

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in zaak A onder 1 en in zaak B ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

zaak A, onder 1 -

hij op 26 september 2009 in de gemeente [gemeente] als degene tegen wie verdenking was gerezen als bestuurder van een auto te hebben gehandeld in strijd met artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994 en aan wie door een opsporingsambtenaar was bevolen medewerking te verlenen aan een ademonderzoek, als bedoeld in artikel

8, tweede lid, aanhef en onder a van genoemde wet, niet heeft voldaan aan de verplichting ademlucht te blazen in een voor het onderzoek bestemd apparaat;

zaak B -

hij op 26 september 2009 in de gemeente [gemeente] opzettelijk beledigend een ambtenaar, te weten [verbalisant], hoofdagent van politie, regio IJsselland district Midden, gedurende de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, in diens tegenwoordigheid en in het openbaar mondeling heeft toegevoegd de woorden "Vuile kankerleijer" en "Vuile klootzak, kankerwout".

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan de verdachte als voormeld in zaak A onder 1 en in zaak B meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het in zaak A onder 1 en in zaak B bewezen verklaarde levert respectievelijk op de misdrijven:

zaak A onder 1 -

overtreding van artikel 163, tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994;

zaak B -

eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening.

Strafbaarheid

Het hof acht de verdachte strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden niet aanwezig geacht.

Strafmotivering

Het hof heeft de in hoger beroep op te leggen straf bepaald op grond van de aard en ernst van de bewezen verklaarde feiten, de omstandigheden waaronder deze feiten zijn begaan en de persoon van de verdachte. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft geweigerd gevolg te geven aan een bevel van een politie-ambtenaar om medewerking te verlenen aan een ademonderzoek in het kader van de verdenking dat hij in een auto heeft gereden terwijl hij verkeerde onder invloed van alcohol. Zodoende heeft de verdachte de handhaving van de verkeerswetgeving en de controle op de veiligheid in het verkeer door de politie trachten te belemmeren en frustreren.

De ernst van dit delict rechtvaardigt op zichzelf bezien, mede gelet op het landelijke oriëntatiepunt voor straftoemeting dat het hof hanteert ter zake van dit delict, een forse geldboete en een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid van aanzienlijke duur, zoals door de advocaat-generaal is gevorderd.

De verdachte heeft zich daarnaast schuldig gemaakt aan belediging van een politiefunctionaris. De verdachte heeft door zijn handelen blijk gegeven van een gebrek aan respect jegens deze politiefunctionaris, heeft het gezag van de politie ondermijnd en de agent in zijn eer en goede naam aangetast.

Uit een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van 9 maart 2010 blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld ter zake van het plegen van een soortgelijk strafbaar feit, maar dat hij wel eerder is veroordeeld ter zake van het plegen van andersoortige strafbare feiten en dat hij ter zake van het beledigen van een ambtenaar in functie een transactie heeft voldaan.

Het hof heeft voorts gelet op hetgeen de verdachte ter terechtzitting van het hof heeft aangevoerd met betrekking tot zijn persoonlijke omstandigheden en met hetgeen daaromtrent overigens is gebleken uit het strafdossier. De verdachte heeft in dit kader ter terechtzitting van het hof op authentiek overkomende wijze verklaard dat hij sinds acht maanden in het geheel geen alcohol meer gebruikt. De verdachte heeft voorts verklaard dat hij tot deze verandering in zijn levenswijze is gekomen omdat hij zijn verantwoordelijkheid hierin wil nemen tegenover zijn vrouw en zijn pasgeboren dochter. Naar het oordeel van het hof geeft de verdachte er hiermee blijk van het verkeerde van zijn handelwijze in te zien.

Daarnaast heeft de verdachte verklaard dat hij als zelfstandige werkzaam is in de bouw, op verschillende locaties verspreid over het land, en dat hij voor het behouden van dit werk sterk afhankelijk is van het bezit van zijn rijbewijs.

Gelet op dit laatste zal het hof de verdachte ter zake van het in zaak A onder 1 bewezen verklaarde een geheel voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid opleggen voor de duur van negen maanden, ter voorkoming van recidive. Daarnaast zal het hof ter zake van het in zaak A onder 1 en in zaak B bewezen verklaarde uit een oogpunt van normhandhaving een geldboete aan de verdachte opleggen, ter hoogte van het bedrag dat in eerste aanleg is opgelegd en in hoger beroep door de advocaat-generaal is gevorderd. Daarbij heeft het hof rekening gehouden met de financiële draagkracht van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Het hof legt hiermee aldus eenzelfde geldboete op als de politierechter, ondanks een gedeeltelijke vrijspraak. Deze geldboete doet evenwel zonder meer recht aan de ernst van de bewezen verklaarde delicten en dient daarnaast ter compensatie voor de omstandigheid dat het hof niet een onvoorwaardelijke, maar een geheel voorwaardelijke rij-ontzegging zal opleggen.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24c, 57, 63 en 267 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 163, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waartegen het beroep is gericht, en opnieuw recht doende:

verklaart het aan de verdachte in zaak A onder 2 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart het aan de verdachte in zaak A onder 1 en in zaak B ten laste gelegde bewezen, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart deze feiten en de verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte als hiervoor vermeld in zaak A onder 1 en in zaak B meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte [verdachte] tot een geldboete van duizend vijfhonderd euro;

beveelt dat vervangende hechtenis voor de duur van dertig dagen zal worden toegepast, indien noch volledige betaling, noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt;

ontzegt aan de veroordeelde ter zake van het in zaak A onder 1 bewezen verklaarde feit de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van negen maanden;

beveelt dat de bijkomende straf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op de grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd van twee jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. D.V.E.M. van der Wiel-Rammeloo, voorzitter, mr. H.M. Poelman en mr. S.H. Wachter, in tegenwoordigheid van H. Kingma als griffier.