Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2010:BO2653

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
02-11-2010
Datum publicatie
02-11-2010
Zaaknummer
24-000692-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt ter zake van bedreiging met de dood en vernieling van een ruit veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf. Bij de strafoplegging houdt het hof rekening met gewijzigde persoonlijke omstandigheden en met het lange tijdsverloop (anders dan in de zin van "undue delay) sedert het plegen van de feiten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 24-000692-10

Parketnummer eerste aanleg: 07-600318-05

Arrest van 2 november 2010 van het gerechtshof te Arnhem, nevenzittingsplaats Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zwolle-Lelystad van 14 november 2006 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1983] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsman mr. F. van der Meij,

advocaat te Amsterdam.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter in de rechtbank Zwolle-Lelystad heeft de verdachte bij het vonnis wegens misdrijven veroordeeld tot een straf, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte ter zake van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 maand, voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd, dat:

1.

hij op of omstreeks 06 februari 2005 in de gemeente [gemeente] [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer 1] dreigend de woorden toegevoegd: "Pas maar op anders steek ik je neer", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

2.

hij op of omstreeks 06 februari 2005 in de gemeente [gemeente] opzettelijk en wederrechtelijk een ruit, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of woningbouwvereniging [naam], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt door (met kracht) tegen die ruit te schoppen/trappen.

Bewezenverklaring

Het hof acht bewezen dat:

1.

hij op 06 februari 2005 in de gemeente [gemeente][verdachte][slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer 1] dreigend de woorden toegevoegd: "Pas maar op anders steek ik je neer".

2.

hij op 06 februari 2005 in de gemeente [gemeente] opzettelijk en wederrechtelijk een ruit, toebehorende aan woningbouwvereniging [naam], heeft vernield door tegen die ruit te trappen.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert respectievelijk op de misdrijven:

onder 1:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

onder 2:

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.

Strafbaarheid

Het hof acht verdachte strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden niet aanwezig geacht.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de aard en ernst van de bewezen verklaarde feiten, de omstandigheden waaronder deze feiten zijn begaan en de persoon van verdachte. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft op 6 februari 2005 zijn vader [slachtoffer 1] bedreigd met de dood. Dit feit dient te worden aangemerkt als een ernstige bedreiging van de lichamelijke integriteit van die [slachtoffer 1]. Op diezelfde dag heeft verdachte een ruit van de door zijn ouders gehuurde woning vernield door tegen die ruit te trappen. Door het plegen van dit feit heeft verdachte de woningbouwvereniging [naam] (financiële) schade berokkend.

Uit het verdachte betreffende Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 4 augustus 2010 blijkt, dat verdachte driemaal eerder ter zake van het plegen van strafbare feiten is veroordeeld, waar onder eenmaal ter zake van een soortgelijk feit als onder 2 bewezen verklaard.

Op grond van het vorenstaande acht het hof de door de politierechter opgelegde onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 maand in beginsel passend en geboden.

Daarnaast stelt het hof het volgende vast.

Aannemelijk is dat verdachte de feiten heeft gepleegd in een periode waarin er veel conflicten waren in het ouderlijk huis van verdachte.

Voorts is aannemelijk is geworden dat verdachtes persoonlijke omstandigheden na het plegen van de bewezen verklaarde feiten drastisch - in positieve zin - zijn gewijzigd. Hij is niet meer met justitie in aanraking gekomen, heeft al enige jaren een goede baan en heeft inmiddels al zijn schulden afbetaald. Naar zijn zeggen heeft hij geen contact meer met zijn vader.

Anders dan de raadsman is het hof - met de advocaat-generaal - van oordeel, dat sedert het plegen van de bewezen verklaarde feiten tot en met de berechting in hoger beroep niet sprake is van overschrijding van de redelijke termijn voor berechting, ook niet door het tijdsverloop tussen 14 november 2006 (datum waarop het vonnis bij verstek is gewezen) en 5 maart 2010 (datum waarop verdachte hoger beroep tegen het vonnis heeft ingesteld). Uit de in het procesdossier aanwezige GBA-gegevens blijkt immers, dat verdachte van 6 maart 2006 tot 16 juli 2009 zonder vaste woon- of verblijfplaats was. Verdachte heeft ter zitting bevestigd dat hij in die periode niet was ingeschreven teneinde schuldeisers te ontlopen. Het is aan verdachte te wijten geweest dat in die periode geen verstekmededeling aan hem betekend kon worden.

Op grond van al het vorenstaande, in samenhang beschouwd, en mede in aanmerking nemende het lange tijdsverloop (anders dan in de zin van "undue delay") sedert het plegen van de feiten, is het hof van oordeel, dat in dit geval een passende bestraffing gevonden kan worden in het opleggen van de door de advocaat-generaal gevorderde voorwaardelijke gevangenisstraf van 1 maand met een proeftijd van 2 jaren.

Het hof beoogt met de voorwaardelijke strafoplegging mede te bereiken dat verdachte niet wederom (soortgelijke) strafbare feiten zal plegen.

Het hof acht de feiten te ernstig om deze af te doen met een schuldigverklaring zonder oplegging van straf of maatregel, zoals door de raadsman is verzocht.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 57, 285 en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte onder 1 en 2 ten laste gelegde bewezen en kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart deze feiten en verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot gevangenisstraf voor de duur van één maand;

beveelt, dat de gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd van twee jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

beveelt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de eventuele uitvoering van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering wordt gebracht.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. Dam, voorzitter, mr. Koolschijn en mr. Greve, in tegenwoordigheid van Boersma als griffier, zijnde mr. Koolschijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.