Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2010:BO2126

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
28-10-2010
Datum publicatie
29-10-2010
Zaaknummer
21-000734-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

NIET-ONTVANKELIJKHEID OPENBAAR MINISTERIE

In onderhavige zaak staat vast dat er bij verdachte sprake is van een expressieve afasie en verbale apraxie (op grond waarvan hij niet in staat is om te praten).

In het door verbalisant in deze zaak opgemaakte proces-verbaal is hiervan ten onrechte geen melding gemaakt en is evenmin gerelateerd op welke wijze met verdachte zou zijn gecommuniceerd. Uit de inhoud van het proces-verbaal kan niet anders worden afgeleid dan dat verdachte zou hebben gezegd: “Ik weet dat mijn rijbewijs is ingevorderd”, terwijl vaststaat dat hij dit niet heeft kunnen zeggen.

In deze zaak is cruciale informatie niet in het proces-verbaal genoemd en is er in het

proces-verbaal een passage is opgenomen waarvan gebleken is dat deze niet juist kán zijn.

Een en ander levert een onherstelbaar vormverzuim op waarmee ernstig inbreuk is gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan. Naar het oordeel van het hof dient het openbaar ministerie daarom niet ontvankelijk te worden verklaard in de vervolging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Sector strafrecht

Parketnummer: 21-000734-10

Uitspraak d.d.: 28 oktober 2010

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Arnhem van 23 februari 2010 in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende te [adres].

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 14 oktober 2010 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd (zie voor de inhoud van de vordering bijlage I).

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman,

mr S.F.W. van 't Hullenaar, naar voren is gebracht.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

Aan verdachte is telastegelegd -kort gezegd- het op 7 juni 2008 in de gemeente Renkum besturen van een auto, terwijl hij wist danwel redelijkerwijs moest weten dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard en aan hem nadien geen ander rijbewijs was afgegeven.

Door de verdediging is aangevoerd -onder meer en kort gezegd- door in het proces-verbaal de passage op te nemen: “Nadat ik de verdachte had meegedeeld niet tot antwoorden te zijn verplicht verklaarde deze: ‘Ik weet dat mijn rijbewijs is ingevorderd’” bewust in strijd is gehandeld met de in de artikelen 152 en 153 van het Wetboek van Strafvordering neergelegde verbaliseringsregels. Dat levert een onherstelbaar vormverzuim op als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering. Daarenboven is sprake van schending van artikel 6 van het Europees verdrag voor de rechten van de mens. Er is doelbewust en met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte tekort gedaan aan diens recht op een eerlijk proces. Daarom dient het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vervolging.

De advocaat-generaal heeft betoogd dat een en ander niet is gegaan zoals hoort, doch dat het een uitzonderlijke situatie was waarmee verbalisanten te maken hadden en dat het in deze zaak opgemaakte proces-verbaal bezien moet worden in samenhang met het proces-verbaal dat tegen verdachte op dezelfde dag is opgemaakt terzake van de verdenking van diefstal van de auto waarin verdachte reed toen hij werd staande gehouden. Volgens de advocaat-generaal is er geen sprake geweest van een doelbewuste misleiding van de rechter.

Het hof stelt bij de beoordeling van het verweer voorop dat- gelet op de beoordelingsfactoren als bedoeld in artikel 359a, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering -het wettelijk stelsel aldus moet worden opgevat dat een vormverzuim in de zin van dat artikel niet steeds behoeft te leiden tot een van de daar omschreven rechtsgevolgen.

Indien de rechter op grond van de hiervoor bedoelde wettelijke beoordelingsfactoren en aan de hand van alle omstandigheden van het geval tot het oordeel komt dat niet kan worden volstaan met de vaststelling dat een onherstelbaar vormverzuim is begaan, maar dat het verzuim consequenties moet hebben, zal hij daaraan een van de in artikel 359a, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering genoemde rechtsgevolgen verbinden, te weten strafvermindering, bewijsuitsluiting of niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging. Niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging komt als in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering voorzien rechtsgevolg slechts in uitzonderlijke gevallen in aanmerking, namelijk alleen als het vormverzuim daarin bestaat dat met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan.

Het hof gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Verdachte werd op 7 juni 2008 om ongeveer 02.00 uur op een parkeerplaats in de gemeente Renkum aangehouden in/bij een auto als verdacht van diefstal van die auto eerder die nacht. Vervolgens bleek dat verdachte op dat moment niet in het bezit was van een geldig rijbewijs.

Terzake van de verdenking van de diefstal van de auto en van de verdenking te hebben gereden zonder geldig rijbewijs werden afzonderlijke processen-verbaal opgemaakt en beide feiten zijn ook afzonderlijk vervolgd waarbij verdachte is gedagvaard voor verschillende zittingen van de politierechter.

Het door de politie opgemaakte proces-verbaal betreffende onderhavige zaak -het rijden zonder geldig rijbewijs- vermeldt als enig resultaat van het verhoor van verdachte de hiervoor door de verdediging aangehaalde passage. Voor het overige houdt dit proces-verbaal slechts enige zakelijke informatie in over het door verbalisanten geconstateerde met betrekking tot plaats, tijd, etc.

Het op verzoek van de verdediging door de psycholoog drs. G.J.W. Pol op

24 september 2009 opgemaakte rapport omtrent de persoon van verdachte houdt -voorzover van belang- in:

“Betrokkene heeft in november 2003 een CVA /hersenberoerte (in de linkerhersenhelft) gehad en heeft daaraan de nodige cognitieve functiestoornissen, waaronder een forse taalstoornis (afasie en apraxie) overgehouden……..Uit het huidig onderzoek is gebleken dat er bij betrokkene sprake is van een expressieve afasie en verbale apraxie (op grond waarvan hij niet in staat is om te praten), een trage cognitieve verwerkingssnelheid, een aandachtsstoornis…”

Voorts wordt in het rapport genoemd dat verdachte ondanks het feit dat hij niet kan praten, wel (goeddeels) op gesloten vragen kan “antwoorden” door middel van gebaren, mimiek, aanwijzen, etc.

Ter terechtzitting heeft het hof ook vastgesteld dat communicatie met verdachte wel mogelijk is maar dat die communicatie van de zijde van verdachte door middel van gebaren en niet door middel van spraak plaatsvindt.

In het door verbalisant in deze zaak opgemaakte proces-verbaal is ten onrechte geen melding gemaakt van het gegeven dat verdachte niet kan praten en van de wijze waarop met verdachte dan wel zou zijn gecommuniceerd. Uit de inhoud van het proces-verbaal kan niet anders worden afgeleid dan dat verdachte zou hebben gezegd: “Ik weet dat mijn rijbewijs is ingevorderd”, terwijl vaststaat dat hij dit niet heeft kunnen zeggen. Desverzocht heeft een van de betrokken verbalisanten bij aanvullend proces-verbaal gerelateerd dat het klopt dat verdachte moeilijk kon communiceren tijdens de verkeerscontrole maar dat hij niet meer precies weet hoe de communicatie met verdachte verliep.

Met de verdediging is het hof van oordeel dat de bedoelde weergave in het proces-verbaal niet “per ongeluk” tot stand kan zijn gekomen. In een ambtsedig proces-verbaal behoren door een verbalisant waargenomen en ondervonden feiten en omstandigheden nauwkeurig te worden gerelateerd; verwacht mag worden dat dit met de nodige aandacht, zorgvuldig en volledig gebeurd en zulks eens temeer met het oog op de bijzondere bewijskracht die aan een op ambtseed opgemaakt proces-verbaal toekomt.

In deze zaak is cruciale informatie niet in het proces-verbaal genoemd en er is in het proces-verbaal een passage is opgenomen waarvan gebleken is dat deze niet juist kán zijn. Bovendien is ook geen sprake van de door de advocaat-generaal gestelde samenhang waarin het proces-verbaal zou moeten worden bezien.

Een en ander levert een onherstelbaar vormverzuim op waarmee ernstig inbreuk is gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan. Naar het oordeel van het hof dient het openbaar ministerie daarom niet ontvankelijk te worden verklaard in de vervolging.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart het openbaar ministerie niet ontvankelijk in zijn strafvervolging.

Aldus gewezen door

mr E. van der Herberg, voorzitter,

mr A. van Waarden en mr P.L. van Dijke, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr A.H. Hissink-Jochems, griffier,

en op 28 oktober 2010 ter openbare terechtzitting uitgesproken.