Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2010:BO1661

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
22-10-2010
Datum publicatie
25-10-2010
Zaaknummer
24-001903-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bewijsuitsluiting wegens schending Salduz-jurisprudentie. Partiele vrijspraak. Bewijsoverweging met betrekking tot voltooide diefstal. Ter zake van diefstal in vereniging wordt de minderjarige verdachte veroordeeld tot voorwaardelijke jeugddetentie van twee weken met een proeftijd van twee jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 24/001903-09

Parketnummer eerste aanleg: 07/614115-09 en 07/614118-09 en 07/612303-08 (TUL)

Arrest van 22 oktober 2010 van het gerechtshof te Arnhem, nevenzittingsplaats Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de kinderrechter in de rechtbank Zwolle-Lelystad van 16 juli 2009 in de oorspronkelijk onder de parketnummers 07/614115-09 en 07/614118-09 afzonderlijk aangebrachte, maar ter terechtzitting in eerste aanleg gevoegde strafzaken, hierna te noemen respectievelijk zaak A en zaak B, tegen:

[verdachte],

geboren op [1994] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

thans verblijvende in Rijksinrichting De Heuvelrug, locatie Eikenstein, te Zeist,

verschenen in persoon, bijgestaan door haar raadsman mr. J.G. Wiebes, advocaat te Lelystad.

Het vonnis waarvan beroep

De kinderrechter in de rechtbank Zwolle-Lelystad heeft de verdachte bij het vonnis, in de gevoegde zaken, voor zover aan hoger beroep onderworpen, wegens misdrijven veroordeeld tot straffen en heeft op een vordering tot tenuitvoerlegging beslist, zoals in dat vonnis omschreven. Tevens heeft de kinderrechter op een vordering benadeelde partij beslist, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van 8 oktober 2010, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg van 16 juli 2009.

Omvang van het hoger beroep

Blijkens de akte rechtsmiddel is het hoger beroep beperkt tot zaak A en het in zaak B onder 2 ten laste gelegde.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte ter zake van het in zaak A ten laste gelegde zal vrijspreken en ter zake van het in zaak B onder 2 ten laste gelegde zal veroordelen tot een voorwaardelijk jeugddetentie voor de duur van twee weken met een proeftijd van twee jaren. Voorts heeft de advocaat-generaal de tenuitvoerlegging gevorderd van de in de strafzaak met parketnummer 07-612303-08 door de kinderrechter te Zwolle-Lelystad op 9 oktober 2008 voorwaardelijk opgelegde jeugddetentie voor de duur van één week.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is -voor zover aan hoger beroep onderworpen- ten laste gelegd, dat:

Zaak A

zij op of omstreeks 27 februari 2009 in de gemeente [gemeente 1] met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen drie, in ieder geval één of meer kledingstuk(ken) (één vest en/of één top en/of één blouse), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan winkelbedrijf [bedrijf 1], gevestigd aan het [adres], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte.

Zaak B

2.

zij op of omstreeks 30 januari 2009 in de gemeente [gemeente 2] tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen vijf, in elke geval één of meer (spijker)broek(en), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan winkelbedrijf [bedrijf 2], gevestigd aan de [adres], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of haar mededader(s).

Vrijspraak van het in zaak A ten laste gelegde

De raadsman heeft ten aanzien van het in zaak A ten laste gelegde vrijspraak bepleit. Daartoe heeft hij (onder meer) aangevoerd dat vanwege schending van de Salduz-jurisprudentie de verklaring van verdachte dient te worden uitgesloten van het bewijs en dat voorts onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is om tot een bewezenverklaring te komen.

Het hof heeft geconstateerd dat de politie heeft verzuimd verdachte voor het verhoor in de gelegenheid te stellen een advocaat te consulteren. Tevens is verdachte niet gewezen op haar recht op aanwezigheid van een advocaat of vertrouwenspersoon tijdens het verhoor. Gelet op de recente jurisprudentie is daarmee sprake van een ernstig en onherstelbaar vormverzuim waardoor de verdachte in haar verdedigingsbelangen is geschaad. Het hof zal de door verdachte bij de politie op 27 februari 2009 afgelegde verklaring daarom uitsluiten van het bewijs. Met de advocaat-generaal en de raadsman acht het hof de enkele aangifte van winkeldiefstal door [bedrijf 1] onvoldoende om tot een bewezenverklaring te komen. Het hof acht derhalve niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen in zaak A aan verdachte is ten laste gelegd, zodat verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken.

Bewijsoverweging

Het hof zal de door verdachte bij de politie op 30 januari 2009 afgelegde verklaring in zaak B eveneens uitsluiten van het bewijs op dezelfde grond als hiervoor ten aanzien van het in zaak A ten laste gelegde is overwogen.

De raadsman heeft ten aanzien van het onder 2 in zaak B ten laste gelegde betoogd dat geen wettig en overtuigend bewijs voorhanden is om tot een bewezenverklaring te komen. Tevens was naar de mening van de raadsman geen sprake van een voltooide diefstal.

Anders dan de raadsman is het hof van oordeel dat er wettig en overtuigend bewijs aanwezig is om te komen tot een bewezenverklaring ter zake van diefstal in vereniging. Het hof overweegt hiertoe als volgt.

Er is namens [bedrijf 2] aangifte gedaan van winkeldiefstal door beveiligings-medewerker [naam]. [naam] heeft live op camerabeelden waargenomen dat verdachte en haar medeverdachte verschillende spijkerbroeken (en/of -rokken) uit de schappen pakken en naar de paskamers gaan. Zij herhalen deze handelingen een paar keer. Uiteindelijk komen verdachte en medeverdachte met minder kledingstukken de paskamer uit dan het aantal dat zij mee naar binnen hebben genomen. Op het moment dat aangever ziet dat de verdachten de afdeling verlaten (zonder te betalen), vraagt hij zijn collega [naam] de verdachten aan te houden. Bij zowel verdachte als haar medeverdachte worden (in hun schoudertassen) spijkerbroeken van het merk G-star aangetroffen. Het hof heeft voorts gelet op de verklaring van medeverdachte [medeverdachte]. Deze verklaart dat zij samen met verdachte naar [bedrijf 2] is gegaan en dat zij daar spijkerbroeken zijn gaan passen. In de paskamer bleek dat van een van de spijkerbroeken het alarm (reeds) verwijderd was. Verdachte zei toen tegen [medeverdachte] dat zij het alarm van die andere spijkerbroek moest afhalen. [medeverdachte] heeft het alarm van de betreffende broek verwijderd en heeft beide broeken in haar tas gestopt. Vervolgens zijn zij -aldus de verklaring van [medeverdachte]- samen in de richting van de uitgang gelopen en zijn nog voor de uitgang aangehouden.

Op grond van voornoemde aangifte en de verklaring van medeverdachte [medeverdachte], acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het in zaak B onder 2 ten laste legde heeft begaan. Op zichzelf acht het hof niet redengevend dat verdachte de kassa van de betreffende afdeling was gepasseerd, aangezien er in een warenhuis meerdere afdelingen zijn waar kan worden afgerekend. Het oogmerk op de wederrechtelijke toe-eigening van de spijkerbroeken kan echter wel worden afgeleid uit het feit dat verdachte en haar medeverdachte eerst het alarm van de spijkerbroeken hebben verwijderd en vervolgens de broeken in tassen hebben gestopt. Verdachte is hierdoor als heer en meester over die broeken gaan beschikken, zodat sprake is van een voltooide diefstal. Het betoog van de raadsman dat geen sprake was van een voltooid delict, kan het hof dan ook niet volgen.

Bewezenverklaring

Het hof acht bewezen dat:

zij op 30 januari 2009 in de gemeente [gemeente 2] tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen vijf spijkerbroeken, toebehorende aan winkelbedrijf [bedrijf 2], gevestigd aan de [adres].

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld in zaak B onder 2 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

diefstal door twee of meer verenigde personen.

Strafbaarheid

Het hof acht verdachte strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden niet aanwezig geacht.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de aard en ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon van verdachte. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan winkeldiefstal in vereniging bij [bedrijf 2] te [plaats]. Winkeldiefstal is een op grote schaal voorkomend misdrijf dat winkeliers aanzienlijke overlast en schade berokkent.

Uit een uittreksel justitiële documentatie d.d. 7 oktober 2010 blijkt dat verdachte zich reeds eerder schuldig heeft gemaakt aan soortgelijke en andere strafbare feiten.

De Raad voor de Kinderbescherming heeft twee rapporten opgemaakt ten aanzien van verdachte en daaruit komt naar voren dat er zorgen zijn omtrent de persoonlijke ontwikkeling van verdachte. Recentelijk is gebleken dat verdachte op dit moment in voorlopige hechtenis verblijft voor ernstige gewelds- en vermogensdelicten. Blijkens een brief van het Bureau Jeugdzorg d.d. 20 september 2010 wordt oplegging van een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel voor deze feiten niet uitgesloten geacht.

Het hof acht oplegging van jeugddetentie van na te melden duur passend en geboden. Gelet echter op de ontwikkelingen in de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zal het hof deze in geheel voorwaardelijke vorm opleggen met een proeftijd van twee jaar.

Tenuitvoerlegging parketnummer 07-612303-08

De officier van justitie heeft op 20 mei 2009 een vordering na voorwaardelijke veroordeling gedaan naar aanleiding van het in de dagvaarding met parketnummer 07-614115-09 (zaak A) ten laste gelegde strafbare feit. Anders dan de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat de vordering tenuitvoerlegging niet ziet op zaak B (parketnummer 07-614118-09), maar alleen kan worden toegewezen indien veroordeling zou volgen ter zake het in zaak A ten laste gelegde, wat thans niet het geval is. Het hof wijst de vordering tenuitvoerlegging derhalve af.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 77a, 77g, 77i, 77x, 77y, 77z, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, voor zover aan hoger beroep onderworpen, en in zoverre opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte in zaak A ten laste gelegde niet bewezen en spreekt haar daarvan vrij;

verklaart het verdachte in zaak B onder 2 ten laste gelegde bewezen, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart dit feit en verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als hiervoor vermeld in zaak B onder 2 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot jeugddetentie voor de duur van twee weken;

beveelt, dat de jeugddetentie niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd van twee jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging van de aan veroordeelde bij vonnis van de kinderrechter te Zwolle-Lelystad van 9 oktober 2008 voorwaardelijk opgelegde straf, te weten jeugddetentie van één week.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. S.H. Wachter, voorzitter, mr. D.V.E.M. van der Wiel-Rammeloo en mr. A.J. Rietveld, in tegenwoordigheid van mr. G.M. Fondse als griffier.