Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2010:BO1425

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
21-10-2010
Datum publicatie
22-10-2010
Zaaknummer
21-000096-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Apeldoornse containerzaak: wederrechtelijke vrijheidsberoving de dood ten gevolge, redelijke toerekening, medeplegen, dood door schuld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Sector strafrecht

Parketnummer: 21-000096-10

Uitspraak d.d.: 21 oktober 2010

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Zutphen van

30 december 2009 in de strafzaak tegen

[verdachte 2],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum 1],

wonende te [woonplaats], [adres].

Het hoger beroep

De verdachte en de officier van justitie hebben tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 4 en 7 oktober 2010 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd (zie voor de inhoud van de vordering bijlage I).

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman,

mr P.P. Verdoorn, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Op de terechtzitting in hoger beroep van 4 en 7 oktober 2010 heeft de advocaat-generaal twee maal een vordering wijziging tenlastelegging ingediend. Het hof heeft, gehoord de verdachte en de raadsman, de beide vorderingen toegewezen. Derhalve is aan de verdachte tenlastegelegd dat:

1.

hij op meerdere, althans een tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 21 juni 2009 tot en met 22 juni 2009 te Apeldoorn, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid beroofd heeft en/of beroofd heeft/hebben gehouden,

immers heeft/hebben en/of is/zijn hij verdachte en/of een of meer van zijn mededader(s) opzettelijk wederrechtelijk

- een afspraak met die [slachtoffer] gemaakt om die [slachtoffer] te ontmoeten en/of

- die [slachtoffer] (met een auto) opgehaald en/of

- met die [slachtoffer] naar een afgelegen en/of braakliggend land/industrieterrein (achter de zogenaamde Ecofactorij) gereden/gegaan en/of

- die [slachtoffer] met een smoes de/een (zee)container ingelokt en/of

- (vervolgens) die [slachtoffer] (binnen in die container) geduwd en/of geslagen en/of ten val gebracht en/of

- (vervolgens) de deur(en) van die (zee)container afgesloten/vergrendeld en/of

- (vervolgens) die [slachtoffer] geruime tijd in die (zee)container achtergelaten (in welke situatie die [slachtoffer] een vuur heeft gemaakt) en/of

- (vervolgens) wederom de deur(en) van die (zee)container afgesloten/vergrendeld (toen zich een (grote) hoeveelheid rook en/of open vuur/brand in die container bevond), en/of

- (vervolgens) die [slachtoffer] (wederom) geruime tijd in die (zee)container achtergelaten,

tengevolge waarvan die [slachtoffer] door koolmonoxidevergiftiging, althans een hoog koolmonoxidegehalte in het bloed, en/of het inademen van hete lucht en/of rook is overleden;

2.

hij op meerdere, althans een tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 21 juni 2009 tot en met 23 juni 2009 te Apeldoorn, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend en/of nalatig,

- die [slachtoffer] heeft/hebben opgesloten en/of opgesloten gehouden in de/een (donkere) (zee)container, met daarin meerdere (brandbare) goederen wetende dat deze [slachtoffer] doof en/of slechthorend was, claustrofobisch was, een aansteker bij zich had en/of geen mobiele telefoon bij zich had en/of

- die [slachtoffer] in het ongewisse heeft/hebben gelaten over hoe lang deze opsluiting zou duren en/of

- voor een langere periode, althans meerdere, dag(en)/u(u)r(en) de deur(en) van die (zee)container meermalen, althans eenmaal, gesloten/vergrendeld heeft/hebben gelaten, eveneens toen zich een (grote) hoeveelheid rook en/of open vuur/brand in die container bevond en/of

- bij het aantreffen van die [slachtoffer] liggend op de vloer/grond van die container geen (medische) hulp heeft/hebben verleend en/of geen (tijdige) medische en/of andere hulp en/of (medische) verzorging heeft/hebben ingeroepen en/of (vervolgens) die [slachtoffer] in die (zee)container achtergelaten,

waardoor het aan zijn/hun schuld te wijten is geweest dat [slachtoffer] door koolmonoxidevergiftiging, althans een hoog koolmonoxidegehalte in het bloed, en/of het inademen van hete lucht en/of rook is overleden;

3.

hij op of omstreeks 21 juni 2009 in de gemeente Apeldoorn en/of elders in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft/hebben weggenomen een mobiele telefoon (een Samsung) en/of een SIM-kaart (uit deze mobiele telefoon), in elk geval enig goed(eren), geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s);

ALTHANS, dat

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 21 juni 2009 tot en met 23 juni 2009, in de gemeente Apeldoorn en/of elders in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk een mobiele telefoon (een Samsung) en/of een SIM-kaart (uit deze mobiele telefoon), in elk geval enig(e) goed(eren), geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welk(e) goed(eren) verdachte en/of zijn mededader(s) anders dan door misdrijf, te weten door het vrijwillig afgeven/uitlenen van [slachtoffer] aan verdachte en/of één of meerdere van zijn mededader(s), onder zich had(den), wederrechtelijk zich heeft/hebben toegeëigend;

ALTHANS, dat

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 21 juni 2009 tot en met 23 juni 2009, in de gemeente Apeldoorn en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, op een of meer tijdstippen, (telkens) heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen een mobiele telefoon, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van een voormeld goed (telkens) wist dat deze door diefstal, althans verduistering, in elk geval door enig misdrijf was verkregen.

Het hof heeft hierbij de vordering wijziging tenlastelegging van 7 oktober 2010 ten aanzien van feit 1 aldus begrepen dat de zinsnede “na de laatste twee gedachtestreepjes” dient te worden gelezen als “na het één na laatste gedachtestreepje”.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overwegingen ten aanzien van het bewijs

I Vaststaande feiten.

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep staat het volgende vast.

Inleiding

Op zondag 21 juni 2009 kwamen de moeder van [slachtoffer] en haar vriend naar het politiebureau in Apeldoorn. De moeder van [slachtoffer] vertelde dat haar zoon sinds die zondagmiddag niet meer thuis was geweest en niet op sms-berichten reageerde. De volgende dag meldde zij zich opnieuw op het politiebureau met de mededeling dat haar zoon nog steeds niet thuis was gekomen.

Op maandag 22 juni 2009 werd [slachtoffer] landelijk gesignaleerd als vermist. Op dinsdag 23 juni 2009 werd het stoffelijk overschot van [slachtoffer] aangetroffen in een container. [slachtoffer] lag in de container op zijn rug met zijn hoofd in de richting van de deur. In de container had een brand gewoed. De brand was gesmoord. Er was sprake van één brandhaard. Er waren geen sporen van uittrappen of blussen. Sectie op het lichaam van [slachtoffer] wees uit dat het overlijden van [slachtoffer] te wijten was aan koolmonoxidevergiftiging, gecombineerd met inademing van hete lucht en rook.

[slachtoffer], geboren op [geboortedatum 2], was een slechthorende jongen, die op het moment van zijn overlijden 16 jaar oud was.

Op 24 juni 2009 meldde zich een drietal jongens bij de politie, te weten [verdachte 1] [verdachte 2] en [verdachte 4]. Zij vertelden dat zij [slachtoffer] in een container hadden opgesloten om hem een lesje te leren. Zij werden als verdachten aangehouden. Diezelfde dag werd ook [verdachte 3] aangehouden in verband met zijn mogelijke betrokkenheid bij de dood van [slachtoffer].

Verdere feiten en omstandigheden

[verdachte 2] is op zondag 21 juni 2009 samen met [verdachte 4] met de auto naar [verdachte 1] gegaan. Daarna hebben ze eerst [slachtoffer] opgehaald en vervolgens [verdachte 3]. Met de auto zijn de vijf jongens wat gaan rondrijden. [verdachte 1] en [verdachte 2] hadden het plan opgevat om [slachtoffer] een lesje te leren. [verdachte 3] en [verdachte 4] wisten dit. Verschillende plannen zijn besproken. Er is sprake geweest van het ergens dumpen van [slachtoffer], zodat hij terug naar huis zou moeten lopen. Ook bestond het idee om [slachtoffer] naar een homo-ontmoetingsplaats te brengen en hem daar vast te binden. Van deze plannen was zowel [verdachte 1], [verdachte 2], [verdachte 3] als [verdachte 4] op de hoogte.

Onderweg is [verdachte 2] gestopt bij een woonwagenkampje. [slachtoffer] zou een probleem hebben met een van de bewoonsters van het kampje. De andere jongens waren hiervan op de hoogte. [slachtoffer] was op dat moment zichtbaar angstig. Alle jongens zijn uitgestapt. De jongens zijn door een bewoner van het kampje weggestuurd. De vijf jongens zijn toen weer ingestapt en verder gereden.

Onderweg in de auto heeft [slachtoffer] zijn telefoon uitgeleend aan [verdachte 4]. [verdachte 4] mocht van [slachtoffer] met die telefoon dingen opzoeken op het internet.

Ook is er onderweg door [verdachte 2] gedaan alsof hij werd gebeld dat er ergens een pakketje verborgen lag.

Op enig moment zijn de vijf jongens in het agrarische buitengebied van Apeldoorn op het braakliggende deel van een industrieterrein aangekomen. Op dit terrein stond een zeecontainer. De container was 2,38 meter hoog, 6 meter lang en 2,4 meter breed. Hij had een planken vloer. De container was niet voorzien van ramen of andere openingen dan de deuren aan de voorzijde. Als de deuren aan de buitenzijde waren vergrendeld, konden zij van binnenuit niet worden geopend. De container had aan beide zijwanden een ventilatierooster van elk 9 gaatjes met een diameter van 7 mm, aan de buitenzijde afgeschermd door een metalen plaatje. In de stalen voorwand van de container zat een viertal gaatjes. Deze gaatjes waren ongeveer 4 millimeter groot, vergelijkbaar met spijkergaatjes. In een zijwand op vloerhoogte was een doorgeroeste plek van ongeveer 75 x 10 mm. De container was in afgesloten toestand op voornoemde gaatjes en genoemde doorgeroeste plek na geheel lichtdicht. Op de vloer in de container lag allerlei (bouw)afval.

[verdachte 1] en [verdachte 2] hebben op enig moment, wanneer precies is onduidelijk, het plan opgevat om [slachtoffer] op te sluiten in die container. [verdachte 2] heeft tegen [verdachte 4] en/of [verdachte 3] gezegd dat zij een eindje verderop bij de weg op de uitkijk moesten gaan staan om te kijken of er iemand aan kwam. [verdachte 4] en [verdachte 3] hebben het allebei gehoord en ze zijn ook naar de weg gelopen en hebben op de uitkijk gestaan. [verdachte 3] ging er op dat moment vanuit dat ze [slachtoffer] gingen opsluiten.

[verdachte 1], [verdachte 2] en [slachtoffer] zijn naar de container gelopen. [verdachte 1] en [slachtoffer] zijn de container ingegaan. [verdachte 1] deed net alsof hij in de container iets aan het zoeken was. [verdachte 2] bleef intussen bij de deur wachten. [verdachte 1] heeft aan [slachtoffer] gevraagd of hij een buis wilde oppakken. Toen [slachtoffer] dit deed is [verdachte 1] de container uitgerend. [verdachte 1] en [verdachte 2] konden nog zien dat [slachtoffer] eveneens richting de deur liep, maar voordat hij de container uit kon, heeft [verdachte 2] de hendel van de deur dichtgedrukt, zodat de container van binnenuit niet meer kon worden geopend. [verdachte 1] heeft hierbij geholpen. [verdachte 3] hoorde op dat moment een klap als een klap van de deur van een container. Ook [verdachte 4] hoorde op dat moment een harde bonk.

Op het moment dat [slachtoffer] in de container werd opgesloten had hij een werkende aansteker bij zich.

[verdachte 1] en [verdachte 2] zijn, met achterlating van [slachtoffer] in de container, in de auto gestapt en ze zijn met zijn tweeën naar [verdachte 3] en [verdachte 4] gereden. [verdachte 4] en [verdachte 3] zijn ook in de auto gestapt. In de auto hebben [verdachte 1] en [verdachte 2] tegen [verdachte 3] en [verdachte 4] gezegd dat zij [slachtoffer] in de container hadden opgesloten. [verdachte 1], [verdachte 2], [verdachte 4] en [verdachte 3] zijn met de auto weggereden.

Onderweg in de auto hebben [verdachte 1], [verdachte 2], [verdachte 3] en [verdachte 4] grappen gemaakt over de opsluiting van [slachtoffer]. Ze hebben met de telefoon van [slachtoffer] gebeld en sms-berichten verstuurd. Ze hebben benzine getankt. Ze zijn vervolgens naar [woonplaats 2] gereden waar zij [verdachte 5] hebben opgehaald. Zij hebben tegen [verdachte 5] gezegd dat zij [slachtoffer] hadden opgesloten in de zeecontainer.

[verdachte 1], [verdachte 2], [verdachte 3], [verdachte 4] en [verdachte 5] zijn teruggereden naar de zeecontainer. Anderhalf tot twee uur nadat [slachtoffer] in de container was opgesloten kwamen [verdachte 1], [verdachte 2], [verdachte 3], [verdachte 4] en [verdachte 5] terug bij de container. In ieder geval [verdachte 1], [verdachte 2], [verdachte 3] en [verdachte 4] hebben met stokken/buizen en/of een fles op de container geslagen en luidkeels “[slachtoffer]” geroepen. Vanuit de container kwam geen reactie. [verdachte 2] heeft de container aangeraakt en voelde dat de container warm was. Hij zag dat de achterkant verschroeid was. De deur van de container is geopend. Er kwam rook uit de container. [verdachte 1], [verdachte 2], [verdachte 3], [verdachte 4] en [verdachte 5] zagen dat [slachtoffer] op de grond lag en niet bewoog. Ze dachten allemaal dat [slachtoffer] dood was. Op grond van de NFI rapportages en de verklaring van de deskundige dr. K.J. Lusthof ter terechtzitting in hoger beroep gaat het hof er vanuit dat [slachtoffer] op dat moment inderdaad overleden was.

[verdachte 1], [verdachte 2], [verdachte 3], [verdachte 4] en [verdachte 5] hebben niemand gewaarschuwd. Ze zijn weggereden. In de auto hebben zij afgesproken dat ze de gehele gebeurtenis stil zouden houden en dat zij [verdachte 5] er helemaal buiten zouden houden.

In de auto heeft [verdachte 2] de telefoon van [slachtoffer] aan [verdachte 4] gevraagd. [verdachte 4] heeft hem de telefoon gegeven. [verdachte 2] heeft de simkaart uit de telefoon gehaald. Hij heeft de simkaart uit het autoraam gegooid. Hij heeft de telefoon in de schuur van zijn zus gelegd, waar deze later ook is aangetroffen.

Twee dagen later heeft [verdachte 5] aan haar vader verteld wat zij had meegemaakt. Haar vader heeft contact opgenomen met de politie. Op aanwijzingen van [verdachte 5] is de politie naar de container gegaan, waarna het stoffelijk overschot van [slachtoffer] is aangetroffen.

II Ten aanzien van feit 1, wederrechtelijke vrijheidsberoving

A Met betrekking tot het medeplegen

Het standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 1 tenlastegelegde medeplegen van vrijheidsberoving bewezen kan worden verklaard. Volgens haar is sprake van een gezamenlijke uitvoering en een bewuste nauwe en volledige samenwerking bij zowel het opsluiten van [slachtoffer] als het laten voortduren van de vrijheidsberoving.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van [verdachte 2] heeft zich op het standpunt gesteld dat het aan zijn cliënt tenlastegelegde medeplegen van wederrechtelijke vrijheidsberoving bewezen kan worden.

Het oordeel van het hof

Het hof heeft uit de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat het onder 1 tenlastegelegde medeplegen van wederrechtelijke vrijheidsberoving en het van de vrijheid beroofd houden bewezen is zoals hierna weer te geven.

B. Met betrekking tot het strafverzwarende gevolg

Het standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal acht het strafverzwarende gevolg van het overlijden van [slachtoffer] tengevolge van de wederrechtelijke vrijheidsberoving eveneens bewezen. Zij stelt zich, zakelijk weergegeven, op het standpunt dat opzet op de strafverzwarende omstandigheid niet vereist is. Voldoende is dat sprake is van causaal verband tussen de wederrechtelijke vrijheidsberoving en het overlijden van [slachtoffer]. Het is daarbij redelijk om de dood aan verdachten toe te rekenen, nu sprake is van (enige mate van) voorzienbaarheid van het gevolg.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit. Volgens hem kan, kort gezegd, het overlijden van [slachtoffer] redelijkerwijs niet aan verdachte worden toegerekend. Niet de vrijheidsbeneming, maar de ontstane brand heeft tot de dood geleid. Een vrijheidsbeneming van korte duur is op zichzelf niet geëigend om de dood te veroorzaken of het risico daarop in relevante mate te verhogen. Dat brand zou ontstaan was voor verdachte niet te voorzien. Van een bijzondere zorgplicht jegens [slachtoffer] die zou zijn geschonden was geen sprake, ook niet door de wederrechtelijke vrijheidsberoving.

Het oordeel van het hof

Voor een bewezenverklaring van het tenlastegelegde strafverzwarende gevolg van het handelen van verdachte, in casu het overlijden van [slachtoffer], is niet vereist dat sprake is van opzet van verdachte op dat gevolg. Bij het strafverzwarende gevolg als bedoeld in het derde lid van artikel 282 van het Wetboek van Strafrecht gaat het immers om een geobjectiveerd bestanddeel, dat aan de opzeteis is onttrokken. Wel is vereist dat het gevolg redelijkerwijs aan verdachte kan worden toegerekend. Voor die toerekening dient naast een causaal verband sprake te zijn van enige mate van voorzienbaarheid.

Indien een causaal verband tussen de wederrechtelijke vrijheidsberoving en de brand ontbreekt of indien verdachte op geen enkele wijze rekening hoefde te houden met de mogelijkheid dat brand zou ontstaan dan zal die toerekening achterwege moeten blijven.

In dit verband is het volgende van belang.

[slachtoffer] is overleden terwijl hij in de container opgesloten zat. De doodsoorzaak, te weten koolmonoxidevergiftiging, gecombineerd met inademing van hete lucht en rook, is het gevolg van een brand die in de container heeft gewoed. Tussen de brand en het feit dat [slachtoffer] opgesloten zat en zijn overlijden ten gevolge van die brand bestaat een rechtstreeks verband: als hij niet zou zijn opgesloten, zou er geen brand zijn ontstaan in de container en zou hij niet zijn overleden als gevolg van die brand.

Er zijn overigens geen feiten of omstandigheden gebleken die zouden kunnen leiden tot een andere conclusie.

[slachtoffer] is opgesloten op een afgelegen plek in een donkere container vol rommel en vervolgens is hij achtergelaten. Hij wist niet hoelang zijn opsluiting zou duren. Hij wist zelfs niet of de verdachten wel terug zouden komen. Het is aannemelijk dat die opsluiting voor hem nog meer belastend is geweest dan voor een niet gehandicapte die de volledige beschikking heeft over al zijn zintuigen.

In het algemeen ligt het voor de hand dat iemand die is opgesloten onder de hiervoor geschetste omstandigheden iets zal willen zien en daartoe licht zal maken. In het algemeen ligt het ook voor de hand dat een roker - en [slachtoffer] was een roker - in die situatie zal gaan roken. [slachtoffer] was in het bezit van een aansteker. Het kan niet anders dan dat hij de aansteker die hij bij zich had heeft gebruikt. In het midden kan blijven of dit is geweest om licht te maken (door bij te schijnen of door een vuurtje te stoken), om een sigaret aan te steken of zelfs om beide redenen. Uiteindelijk is daardoor brand ontstaan.

Dat [slachtoffer] in de gegeven situatie zijn aansteker zou gebruiken was dus in zekere zin voorzienbaar. De kans dat daarbij op enige wijze brand zou kunnen ontstaan was naar het oordeel van het hof niet verwaarloosbaar klein, alleen al gelet op het feit dat zich in de container allerhande (bouw)afval bevond.

Op grond van wat hiervoor is overwogen stelt het hof vast dat het overlijden van [slachtoffer] als gevolg van de wederrechtelijke vrijheidsberoving bewezen is en dat dit overlijden in de voor een bewezenverklaring vereiste mate voorzienbaar was en dat dit overlijden verdachte redelijkerwijs kan worden toegerekend. Bij dit al doet niet terzake dat het handelen van [slachtoffer] zelf de oorzaak van de brand is geweest.

III Ten aanzien van feit 2, dood door schuld

Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken. Het hof overweegt in het bijzonder het volgende.

Bij het oordeel over de aan verdachte tenlastegelegde dood door schuld dienen alle omstandigheden van het geval in aanmerking te worden genomen, waarbij voor ogen dient te worden gehouden dat de ernst van het gevolg niet redengevend is voor de mate van de schuld.

Voor een bewezenverklaring van de tenlastegelegde dood door schuld dient naast een causaal verband tussen het handelen van verdachte en het gevolg vast te staan dat verdachte roekeloos of zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend en/of nalatig heeft gehandeld.

Wat hiervoor is overwogen over de causaliteit geldt ook hier en staat ook hier vast.

Van roekeloosheid is naar het oordeel van de advocaat-generaal en van de verdediging geen sprake en het hof deelt dit standpunt. Van dit onderdeel van de tenlastelegging zal het hof verdachte vrijspreken.

Bij het oordeel over de onvoorzichtigheid, onoplettendheid of nalatigheid gaat het om de volgende punten:

- de voorzienbaarheid van het gevolg;

- de plicht de gedraging in kwestie na te laten (wederrechtelijkheid);

- de verwijtbaarheid (anders kunnen handelen).

Dát sprake is van de hiervoor bedoelde wederrechtelijkheid en verwijtbaarheid behoeft voor wat betreft de tenlastegelegde wederrechtelijke vrijheidsberoving geen nadere bespreking.

Ten aanzien van de voorzienbaarheid van het gevolg geldt naar het oordeel van het hof dat voor een bewezenverklaring van de schuld sprake moet zijn van een grotere mate van voorzienbaarheid dan bij een door het gevolg gekwalificeerd delict zoals onder 1 is tenlastegelegd. Ook geldt dat daarbij de persoon van de verdachte en wat deze kon en moest voorzien meer gewicht in de schaal legt dan bij een door het gevolg gekwalificeerd delict zoals onder 1 is tenlastegelegd. In aanmerking genomen de leeftijd van verdachte (hij was ten tijde van het feit 19 jaar) en zijn persoon zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is het hof van oordeel dat verdachte onvoldoende in staat is geweest om stil te staan bij het overlijden van [slachtoffer] als mogelijk gevolg van zijn handelen en om dat gevolg in voldoende mate te voorzien om te kunnen oordelen dat sprake is van de tenlastegelegde schuld.

Het hof zal verdachte daarom vrijspreken van feit 2.

IV Ten aanzien van feit 3, de telefoon van [slachtoffer]

Het standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 3 subsidiair tenlastegelegde, de verduistering, bewezen kan worden verklaard, in de vorm van medeplegen. Zij heeft daartoe – onder meer – gesteld dat [slachtoffer] zijn telefoon kennelijk vrijwillig heeft uitgeleend aan [verdachte 4] en dat de verdachten vervolgens zich de telefoon opzettelijk wederrechtelijk hebben toegeëigend. Zij zijn “als heer een meester” over de telefoon gaan beschikken door er onder meer mee te bellen en te sms’en. Toen later bleek dat [slachtoffer] was overleden, hebben alle verdachten er een rol in gehad dat de telefoon niet teruggegeven zou worden, ook niet aan de familie van [slachtoffer]. Subsidiair is de advocaat-generaal van mening dat het meer subsidiair tenlastegelegde, de heling, bewezen kan worden verklaard.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting aangevoerd dat de verdachte zich als heer en meester over de telefoon heeft gedragen door de simkaart eruit te halen en weg te gooien. De raadsman stelt zich derhalve op het standpunt dat een bewezenverklaring ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde kan volgen.

Het oordeel van het hof

Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het hem onder 3 primair tenlastegelegde heeft begaan, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken. Het hof acht wel bewezen dat verdachte het hem onder 3 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan. Het hof overweegt in het bijzonder het volgende.

Naar het oordeel van het hof staat vast dat [verdachte 4] de mobiele telefoon van [slachtoffer] heeft geleend. Daarna is de telefoon niet alleen door [verdachte 4], maar ook door de anderen gebruikt. [verdachte 2] heeft de telefoon aan [verdachte 4] gevraagd om deze te kunnen gebruiken en [verdachte 4] heeft hem de telefoon in handen gegeven. Uiteindelijk behoudt [verdachte 2] de telefoon, haalt de SIM-kaart er uit en gooit die SIM-kaart weg.

Op het moment dat [verdachte 4] de telefoon van [slachtoffer] leende was er geen sprake van een wegnemingshandeling door [verdachte 4] of een van zijn medeverdachten waaronder verdachte. Van de tenlastegelegde diefstal zal verdachte daarom worden vrijgesproken.

Vast is komen te staan dat verdachte zich de telefoon heeft toegeëigend nádat hij deze van [verdachte 4] in handen had gekregen, zodat het subsidiair tenlastegelegde, de verduistering, bewezen kan worden verklaard.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging verkregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het onder 1 en 3 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1.

hij in de periode van 21 juni 2009 tot en met 22 juni 2009 te Apeldoorn, tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid beroofd heeft en beroofd heeft gehouden,

immers heeft/hebben en/of is/zijn verdachte en/of een of meer van zijn mededader(s) opzettelijk wederrechtelijk

- een afspraak met die [slachtoffer] gemaakt om die [slachtoffer] te ontmoeten en/of

- die [slachtoffer] (met een auto) opgehaald en/of

- met die [slachtoffer] naar een afgelegen en/of braakliggend land/industrieterrein (achter de zogenaamde Ecofactorij) gereden/gegaan en/of

- die [slachtoffer] met een smoes de/een (zee)container ingelokt en/of

- vervolgens de deur(en) van die (zee)container afgesloten/vergrendeld en/of

- vervolgens die [slachtoffer] geruime tijd in die (zee)container achtergelaten (in welke situatie die [slachtoffer] vuur heeft gemaakt)

tengevolge waarvan die [slachtoffer] door koolmonoxidevergiftiging, althans een hoog koolmonoxidegehalte in het bloed, en/of het inademen van hete lucht en/of rook is overleden;

3.

hij op tijdstippen in de periode van 21 juni 2009 tot en met 23 juni 2009, in de gemeente Apeldoorn,

opzettelijk een mobiele telefoon (een Samsung) en een SIM-kaart (uit deze mobiele telefoon toebehorende aan [slachtoffer], welke goederen verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezene levert op de misdrijven:

ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde:

De voortgezette handeling van: medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden, de dood ten gevolge hebbende.

ten aanzien van het onder 3 subsidiair bewezenverklaarde:

Verduistering.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn. Bij de strafoplegging heeft het hof rekening gehouden met de rapporten en conclusies van psycholoog drs. J.G. Fennema van 19 november 2009 en van psychiater J.M.J.F. Offermans van 15 december 2009. Zakelijk weergegeven komen die rapporten en conclusies op het volgende neer. Zowel Fennema als Offermans rapporteert onder meer dat er sprake is van een ziekelijke stoornis in de zin van een pervasieve ontwikkelingsstoornis, van een psychotische stoornis en van een leerstoornis. Er is sprake van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens van verdachte, zowel in de zin van zwakbegaafdheid als in de zin van een antisociale persoonlijkheidsstoornis. Fennema en Offermans stellen voorts vast dat deze persoonlijkheidsstoornis de gedragskeuzes en gedragingen van verdachte ten tijde van het ten laste gelegde beïnvloedde. Fennema geeft aan dat verdachte bij het verloop van een sociale of groepsgebeurtenis kwetsbaar is vanwege zijn gebrekkige probleembesef en inzicht in zijn problematiek. Tevens heeft hij vanwege zijn pervasieve problematiek moeite om onder druk de betekenis van een situatie in te schatten en het belang van de ander te kunnen aanvoelen. Zijn toch al positieve zelfgevoel kan in een dergelijke situatie gemakkelijk tot een opgeblazen gevoel van eigenwaarde leiden. Ten slotte spelen de antisociale persoonlijkheidsproblematiek, gekenmerkt door zijn impulsiviteit en neiging tot roekeloos gedrag, en de afwezigheid van verantwoordelijkheidsgevoel een belangrijke rol. Fennema adviseert verdachte verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen ten aanzien van het tenlastegelegde. Offermans rapporteert dat verdachte door gebrek aan inzicht in zijn problematiek en gebrekkig overzicht in gecompliceerde situaties, gecombineerd met tekortschietende empathie en zijn cognitieve beperkingen (zwakbegaafdheid), in een situatie als waarin het tenlastegelegde heeft plaatsgevonden is beland. Vooral het gebrek aan overzicht en invoelend vermogen heeft tot het tenlastegelegde kunnen leiden. Offermans concludeert dat verdachte weliswaar de wederrechtelijkheid van het tenlastegelegde heeft kunnen inzien, maar dat hij in mindere mate dan de gemiddelde mens zijn wil in vrijheid – overeenkomstig een dergelijk besef – kon bepalen. Het hof neemt de hierboven weergegeven conclusies over en maakt deze tot de zijne. Dit houdt in dat het hof van oordeel is dat het tenlastegelegde verdachte in verminderde mate kan worden toegerekend.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Het hof heeft bij de strafoplegging in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft zich samen met drie vrienden schuldig gemaakt aan het opsluiten van [slachtoffer] in een container. Na een voor [slachtoffer] ongelukkige autorit, hebben verdachten [slachtoffer], een slechthorende jongen, in een donkere container op een afgelegen plek opgesloten. Verdachte en [verdachte 1] waren degenen van wie dit initiatief afkomstig was. [slachtoffer] is daarbij in onzekerheid gelaten of, en zo ja wanneer, hij zou worden vrijgelaten. Kort nadat zij [slachtoffer] in de container hadden opgesloten, zijn verdachte en zijn mededaders met de auto weggereden. Daarna heeft het nog geruime tijd geduurd voordat verdachte en zijn mededaders terug zijn gegaan naar de container. Bij terugkomst bij de container bleek [slachtoffer] overleden.

Het hof rekent verdachte aan dat hij samen met [verdachte 1] het initiatief heeft genomen tot het opsluiten van [slachtoffer] in de container en voorts dat hij, nadat hij en de anderen [slachtoffer] dood aantroffen in de container, niemand heeft gewaarschuwd, ook niet anoniem, en dat er integendeel zelfs afspraken zijn gemaakt deze hele gebeurtenis stil te houden. Hiermee heeft verdachte de grote onzekerheid en bezorgdheid waarin de familie van [slachtoffer] verkeerde onnodig lang laten voortduren. De gevolgen van het feit binnen het gezin van [slachtoffer], zoals die ook door de moeder van [slachtoffer] zijn verwoord in haar schriftelijke slachtofferverklaring, zijn aangrijpend en het verdriet om de dood van [slachtoffer] is heel groot. Ook hebben de verdwijning van [slachtoffer], zijn dood en de manier waarop hij om het leven is gekomen tot grote beroering in de samenleving geleid.

Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan verduistering van de telefoon van [slachtoffer]. Toen verdachte wist dat [slachtoffer] overleden was, heeft hij de SIM-kaart uit de telefoon gehaald en uit het autoraam gegooid. De telefoon heeft hij bij zijn zus in de schuur gelegd. Dit deed hij kennelijk om te voorkomen dat politie en/of justitie hem zouden kunnen traceren. Het hof acht dit kwalijk.

De ernst van de bewezenverklaarde feiten en de omstandigheden waaronder die feiten zijn begaan, met name de ernst van het onder 1 bewezenverklaarde feit, rechtvaardigen in beginsel oplegging van een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren. Het hof komt tot een lagere strafoplegging, reeds omdat verdachte ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde zal worden vrijgesproken.

Verdachte is, zoals blijkt uit een hem betreffend uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister van 17 september 2010, eerder in aanraking geweest met politie en justitie. Strafverminderend is dat het onder 1 bewezenverklaarde verdachte in verminderde mate wordt toegerekend.

Ter voorkoming van recidive is het van belang dat verdachte een behandeling zal volgen. Door de jeugdreclassering is geadviseerd om aan verdachte een deels voorwaardelijke vrijheidsstraf op te leggen en om aan het voorwaardelijk deel als bijzondere voorwaarde op te leggen een verplicht reclasseringscontact ook als dat inhoudt dat verdachte moet meewerken aan behandeling.

Ten slotte heeft het hof er ook rekening mee gehouden dat verdachte de dood van [slachtoffer] nooit heeft gewild en dat hij zijn verdere leven belast is met de rol die hij bij zijn dood heeft gespeeld.

Dit alles in aanmerking nemend acht het hof een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te noemen duur passend en geboden. Aan het voorwaardelijk deel van de op te leggen gevangenisstraf zal het hof als bijzondere voorwaarde reclasseringscontact opleggen.

Beslag

Het hof gelast – overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal en hetgeen de raadsman ter terechtzitting naar voren heeft gebracht – de teruggave van alle onder de verdachte in beslag genomen en nog niet aan hem terug gegeven voorwerpen, zoals vermeld op de in kopie aan dit arrest gehechte lijst van in beslag genomen voorwerpen (zie bijlage II).

De vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 10.200,82 (vermeerderd met de wettelijke rente). De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Verdachte heeft de hoogte van de vordering niet betwist. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 47, 56, 57, 282 en 321 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat verdachte het onder 2 en 3 primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat verdachte het onder 1 en 3 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart verdachte strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 9 (negen) maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat verdachte zich vóór het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat verdachte gedurende de proeftijd zich stelt onder het toezicht van Reclassering Nederland en zich gedraagt naar de voorschriften en aanwijzingen, door deze instelling te geven in het reclasseringsbelang van verdachte, ook indien deze voorschriften en aanwijzingen inhouden het volgen van een ambulante behandeling bij een forensisch psychiatrische instelling.

Geeft eerstgenoemde instelling opdracht de verdachte bij de naleving van de opgelegde voorwaarden hulp en steun te verlenen.

Bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

De in beslag genomen voorwerpen

Gelast de teruggave aan verdachte van de inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, zoals vermeld op de in kopie aan dit arrest gehechte lijst van in beslag genomen voorwerpen (zie bijlage II).

Veroordeelt verdachte aan de benadeelde partij, [benadeelde partij 1] te betalen een bedrag van € 10.200,86 (tienduizend tweehonderd euro en zesentachtig cent) vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 juni 2009, met dien verstande dat indien en voor zover zijn mededaders betalen verdachte in zoverre van deze verplichting is bevrijd.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij, genaamd [benadeelde partij 1], een bedrag te betalen van € 10.200,86 (tienduizend tweehonderd euro en zesentachtig cent) vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 juni 2009, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 86 (zesentachtig) dagen hechtenis.

Bepaalt dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat indien en voorzover de mededaders van verdachte voormeld bedrag hebben betaald, verdachte in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichtingen tot betaling aan de benadeelde partij of aan de Staat.

Aldus gewezen door

mr R.H. Koning, voorzitter,

mr J.H.C. van Ginhoven en mr A. van Waarden, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr K. van Laarhoven, griffier,

en op 21 oktober 2010 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr Van Waarden is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.