Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2010:BO1244

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
31-08-2010
Datum publicatie
20-10-2010
Zaaknummer
200.057.613
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Mondeling vermeerdering van verzoek in alimentatiegeschil

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2010/137
FJR 2011, 11

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.057.613

(zaaknummer rechtbank 103431/FA RK 09-746)

beschikking van de familiekamer van 31 augustus 2010

inzake

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verzoeker in hoger beroep, verder te noemen "de man",

advocaat: mr. B.A.M. Oude Breuil te Enschede,

en

[verweerster sub 1], verder te noemen "de vrouw", en

[verweerster sub 2], verder te noemen "[kind 1]",

beiden wonende te [woonplaats],

verweersters in hoger beroep,

advocaat: mr. A.J.A. Assink te Enschede.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Almelo van 25 november 2009, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2. Het geding in hoger beroep

2.1 Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 18 februari 2010, is de man in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking. De man verzoekt het hof die beschikking te vernietigen en opnieuw beschikkende het inleidend verzoek van de man om nihilstelling van de bijdragen ten behoeve van de kinderen met ingang van 1 januari 2009 respectievelijk 22 juni 2009 toe te wijzen, althans deze bijdragen vast te stellen op een bedrag lager dan € 149,- per kind per maand, kosten rechtens.

2.2 Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 2 april 2010, hebben de vrouw en [kind 1] het verzoek in hoger beroep van de man bestreden. Zij verzoeken het hof bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de man in zijn verzoek tot nihilstelling niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel dit verzoek af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen voor zover het de bijdragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige kinderen betreft, alsmede de bijdrage in de kosten van studie en levensonderhoud van [kind 1] met ingang van 1 februari 2010 te bepalen op € 98,50 per maand en de bestreden beschikking voor de periode tot 1 februari 2010 te bekrachtigen, kosten rechtens.

2.3 De mondelinge behandeling heeft op 15 juli 2010 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, de man bijgestaan door zijn advocaat en de vrouw en [kind 1] bijgestaan door mr. H.C. van der Sijs, advocaat te Enschede.

2.4 Het hof heeft kennisgenomen van de stukken van de eerste aanleg.

3. De vaststaande feiten

Ten aanzien van partijen

3.1 De man en de vrouw zijn op 19 september 1991 met elkaar gehuwd. Bij beschikking van 13 juli 2005 heeft de rechtbank Almelo echtscheiding tussen hen uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is op 5 september 2005 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

3.2 Uit het huwelijk van de man en de vrouw zijn geboren:

- [kind 1], op [geboortedatum] 1992,

- [kind 2], op [geboortedatum] 2001, en

- [kind 3], op [geboortedatum] 2002.

3.3 Bij beschikking van 10 augustus 2005 heeft de rechtbank Almelo, voor zover hier van belang, bepaald dat de man met ingang van 10 augustus 2005 € 100,- per kind per maand als bijdrage in de kosten van verzorging en verzorging van de drie kinderen aan de vrouw zal verstrekken, telkens bij vooruitbetaling te voldoen.

3.4 Bij verzoekschrift, ingekomen bij de rechtbank Almelo op 22 juni 2009, heeft de man de rechtbank verzocht bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren beschikking de beschikking van die rechtbank van 10 augustus 2005 te wijzigen en de vastgestelde kinderalimentatie op nihil te stellen met ingang van 1 januari 2009, dan wel op een dusdanig bedrag en met ingang van een dusdanige datum als de rechtbank juist acht, doch in ieder geval lager dan € 109,07 per kind per maand.

3.5 Bij verweerschrift, tevens houdende zelfstandig verzoek, ingekomen bij de rechtbank op 8 juli 2009, heeft de vrouw de rechtbank verzocht bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren beschikking de man in zijn verzoek niet-ontvankelijk te verklaren dan wel dit verzoek af te wijzen en de door de man verschuldigde alimentatie met ingang van de datum van indiening van het zelfstandig verzoek vast te stellen op € 155.- per kind per maand, subsidiair de door de man verschuldigde alimentatie vast te stellen op een bedrag als de rechtbank juist acht, waarbij in geval van een verhoging van de alimentatie deze wijziging dient in te gaan per de datum van indiening van het zelfstandig verzoek en in geval van verlaging deze verlaging niet eerder dient in te gaan dan met ingang van de datum van de te wijzen beschikking.

3.6 De man heeft verweer gevoerd tegen het zelfstandig verzoek.

3.7 Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de rechtbank Almelo het verzoek van de man afgewezen, bepaald dat de man met ingang van 8 juli 2009 € 149,- per kind per maand aan de vrouw zal voldoen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de drie kinderen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen, de kosten van de procedure gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen proceskosten draagt en het meer of anders verzochte afgewezen.

Ten aanzien van de man

3.8 De man is op 14 augustus 2008 gehuwd met [A.] (verder te noemen "[A.]"), die sinds 25 december 2008 bij de man in Nederland woont.

Het inkomen van de man bedraagt blijkens de salarisspecificaties van de periodes 2, 3 en 4 over 2009 gemiddeld

€ 2.419,47 bruto per 4 weken, inclusief overgangsregeling volcontinu, weekend- en nachturen en afwezigheidstoeslag, te vermeerderen met vakantietoeslag en de belaste vergoeding van de inkomensafhankelijke bijdrage ZVW.

3.9 De woonlasten van de man en [A.] bedragen per maand:

- € 514,80 aan hypotheekrente;

- € 106,- aan aflossing;

- € 95,- aan overige eigenaarslasten.

Het eigenwoningforfait van de woning bedraagt € 649,- per jaar.

3.10 De overige lasten van de man bedragen per maand:

- € 262,48 aan ziektekosten in 2009:

- € 92,- premie basisverzekering ZVW,

- € 14,40 premie aanvullende verzekering,

- € 13,- eigen risico

- € 186,08 door werkgever afgedragen inkomensafhankelijke bijdrage ZVW,

verminderd met het in de bijstandsnorm begrepen nominale deel premie ZVW

€ 43,- voor een alleenstaande;

- € 30,- aan kosten omgangsregeling.

Ten aanzien van de vrouw

3.11 De vrouw vormt met de drie kinderen van de man en de vrouw een gezin. Zij ontvangt een uitkering op grond van de Wet Werk en Bijstand naar de norm voor een alleenstaand ouder.

3.12 De woonlasten van de vrouw bedragen per maand:

- € 198,73 aan huur tot 30 juni 2010 (na aftrek van de huurtoeslag van € 151,-);

- € 207,47 aan huur met ingang van 1 juli 2010 (na aftrek van de huurtoeslag van € 151,-).

Ten aanzien van [kind 1]

3.13 [kind 1] woont bij de vrouw en volgt een opleiding tot apothekersassistente. [kind 1] ontvangt een basisbeurs en aanvullende beurs (WSF) die van april 2010 tot en met juli 2010 € 297,21 per maand bedraagt en van augustus 2010 tot en met december 2010 € 383,79 per maand. Daarnaast werkte [kind 1] tot 1 mei 2010 bij Albert Heijn en haar inkomen bedroeg daar € 150,- netto per maand.

4. De motivering van de beslissing

4.1 De man betwist niet dat behoefte bestaat aan de vastgestelde bijdrage van € 149,- per kind per maand in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 2] en [kind 3] en van [kind 1] tot [geboortedatum] 2010, zodat die behoefte in rechte vaststaat.

4.2 [kind 1] is op [geboortedatum] 2010 meerderjarig geworden. De man stelt dat [kind 1] met nadere stukken dient te onderbouwen dat zij behoefte heeft aan een bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie. [kind 1] stelt dat haar behoefte overeenkomt met het budget maandbedragen hoger onderwijs die de Informatie Beheer Groep in het kader van de Wet Studiefinanciering heeft vastgesteld voor een thuiswonende student. Dit komt neer op € 546,50 per maand en met ingang van 1 augustus 2010 op € 548,- per maand. Het hof is van oordeel dat dit redelijk is. Na aftrek van haar basisbeurs, aanvullende beurs en haar inkomen bij Albert Heijn tot 1 mei 2010, heeft [kind 1] met ingang van [geboortedatum] 2010 nog behoefte aan een bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie van € 99,29 per maand.

4.3 Ter mondelinge behandeling heeft [kind 1] haar verzoek in hoger beroep mondeling vermeerderd tot € 250,- per maand met ingang van 1 mei 2010 en tot € 164,- per maand met ingang van 1 augustus 2010, omdat zij met ingang van 1 mei 2010 is gestopt met haar werk bij Albert Heijn waardoor haar behoefte is toegenomen. De man heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Hij stelt dat de vermeerdering van het verzoek in een te laat stadium is gedaan en bovendien niet is onderbouwd met stukken.

Het hof overweegt dat een vermeerdering van het verzoek in beginsel bij het (beroepschrift dan wel) verweerschrift in hoger beroep dient te geschieden (vergelijk HR 20 juni 2008, NJ 2008, 554). Bovendien moet een vermeerdering van het verzoek op grond van het bepaalde in de artikelen 283 jo. 130 Rv in beginsel schriftelijk geschieden. Onder omstandigheden kan op deze in beginsel strakke regels een uitzondering worden aanvaard indien de aard van het geschil meebrengt dat in een later stadium nog een vermeerdering van het verzoek kan plaatsvinden. Dit geldt voor een geval als het onderhavige, een alimentatieverzoek waarin aanpassing wordt beoogd aan eerst na het tijdstip van het verweerschrift in hoger beroep voorgevallen feiten en omstandigheden en de vermeerdering van het verzoek ertoe strekt te voorkomen dat een nieuwe procedure moet worden aangespannen om het geschil alsnog aan de hand van inmiddels achterhaalde gegevens te laten beslissen. Toelating van de vermeerdering van het verzoek mag echter niet in strijd komen met de eisen van de goede procesorde (vergelijk HR 19 juni 2009, NJ 2010, 154).

In het onderhavige geval hangt de vermeerdering van het verzoek samen met een nieuw feit dat pas na het verweerschrift is voorgevallen, te weten dat [kind 1] per 1 mei 2010 is gestopt met werken bij Albert Heijn. Het verzoek is eenduidig en de man heeft verweer gevoerd tegen dat verzoek en tegen de gewijzigde behoefte van [kind 1]. Bij die stand van zaken oordeelt het hof het niet in strijd met de goede procesorde acht te slaan op het mondeling vermeerderde verzoek van [kind 1].

4.4 Naar het oordeel van het hof heeft [kind 1] voldoende aannemelijk gemaakt dat zij met haar werk bij Albert Heijn moest stoppen, omdat zij meer tijd aan haar studie moest besteden. Anders dan de man stelt kan een jongmeerderjarige als [kind 1] niet worden verplicht naast haar studie te werken om daarmee in haar eigen levensonderhoud te voorzien. Dit betekent dat de behoefte van [kind 1] met ingang van 1 mei 2010 moet worden gesteld op € 249,29 per maand en met ingang van 1 augustus 2010 op € 164,21 per maand.

4.5 De man stelt voorts dat de vrouw ook dient bij te dragen in de behoefte van de kinderen. Het hof overweegt dat ingevolge artikel 1:397 lid 2 en 1:395a BW beide ouders naar rato van hun draagkracht dienen bij te dragen. Het hof zal dan ook ieders draagkracht vaststellen.

4.6 De vrouw ontvangt een bijstandsuitkering naar de norm van een alleenstaand ouder. De vrouw is 36 jaar en heeft nog nooit gewerkt. De vrouw heeft onweersproken gesteld dat zij tijdens het huwelijk met de man van hem niet mocht werken. Zij wil integreren in de arbeidsmarkt en verricht om dit doel te bereiken twee jaar vrijwilligerswerk op een zorgkantoor. De man heeft niet aannemelijk gemaakt dat de vrouw in staat is op een andere wijze een hoger inkomen dan haar huidige uitkering te verwerven. Het hof stelt de draagkrachtruimte van de vrouw aldus op het verschil in uitkering tussen een alleenstaand ouder en een alleenstaande en haar draagkracht op 70% hiervan. De bijstandsnorm voor een alleenstaande en een alleenstaand ouder bedroegen op 1 juli 2009 respectievelijk € 907,- per maand en € 1.166,- per maand, zodat de draagkracht van de vrouw in 2009 € 181,30 per maand bedroeg. De bijstandsnormen bedragen op 1 januari 2010 respectievelijk € 909,- en € 1.169,- per maand, zodat de draagkracht van de vrouw in 2010 € 182,- per maand bedraagt.

4.7 De man stelt dat zijn draagkracht ontoereikend is om enige bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 2] en [kind 3] en van [kind 1] tot [geboortedatum] 2010 en met ingang van [geboortedatum] 2010 in de kosten levensonderhoud en studie van [kind 1] te betalen. De vrouw en [kind 1] betwisten dat.

4.8 Het hof gaat bij de vaststelling van de draagkracht van de man uit van de hiervoor onder 3.8, 3.9 en 3.10 vermelde financiële gegevens, voor zover daarover hierna niet anders wordt geoordeeld.

4.9 Kinderen en stiefkinderen die de leeftijd van 21jaren nog niet hebben bereikt, hebben sinds de wijziging per 1 maart 2009 van artikel 1:400 lid 1 BW voorrang boven alle andere onderhoudsgerechtigden, indien de draagkracht van de onderhoudsplichtige onvoldoende is om volledig aan allen levensonderhoud te verschaffen. Het hof houdt gegeven deze voorrang rekening met de norm voor een alleenstaande en het door de Werkgroep Alimentatienormen in verband met art. 1:400 lid 1 BW aanbevolen draagkrachtpercentage van 70, maar niet met de kosten van levensonderhoud van de nieuwe partner van de onderhoudsplichtige man, tenzij de man feiten en omstandigheden stelt en in geval van betwisting door de vrouw aannemelijk maakt op grond waarvan geoordeeld zou moeten worden dat toepassing van deze regel naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn.

4.10 De man stelt dat [A.] niet in haar eigen levensonderhoud kan voorzien, omdat zij aan het inburgeren is en niet mag werken. Voor het eerste examen moet nog een nieuwe datum worden vastgesteld. Als zij dit examen haalt, dan heeft zij niveau 2 en stopt zij met de verdere cursus. In Turkije deed [A.] ongeveer acht jaar administratief werk in een betonfabriek, maar zij heeft hiervoor geen opleiding, aldus de man.

4.11 Het hof is van oordeel dat de man onvoldoende feiten en omstandigheden aannemelijk heeft gemaakt die tot het oordeel moeten leiden dat de toepassing van de wettelijke voorrangsregel in dit geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. [A.] heeft in Turkije gewerkt en in haar eigen levensonderhoud voorzien. Thans is zij aan het inburgeren. Dat zij daarnaast niet mag werken, heeft de man niet aannemelijk gemaakt nu zij blijkens de verklaring van de man ter zitting een verblijfsvergunning voor verblijf bij partner heeft. Toen de man en [A.] trouwden en zij besloten zich in Nederland te vestigen, hadden zij ermee rekening moeten houden dat de man een onderhoudsverplichting heeft jegens zijn drie kinderen. Dit betekent dat het hof rekening houdt met de norm voor een alleenstaande en met een draagkrachtpercentage van 70. Het hof verdeelt de aldus berekende draagkracht gelijk over de drie kinderen waarvoor de man onderhoudsplichtig.

4.12 Het hof is van oordeel dat [A.] de tijd moet krijgen om - al dan niet na het afronden van haar inburgering - arbeid in loondienst te vinden. Het hof oordeelt het daarom redelijk tot 1 januari 2011 bij de berekening van de draagkracht van de man rekening te houden met 100% van de woonlasten. Met ingang van 1 januari 2011 gaat het hof ervan uit dat [A.] aan het werk is en dat de man en [A.] de woonlasten delen en houdt het hof rekening met de helft van de woonlasten.

4.13 Ten aanzien van de door de man opgevoerde maandlast voor na te noemen schulden stelt het hof voorop dat in beginsel alle schulden van de man van invloed zijn op diens draagkracht. Wel kan er reden zijn aan bepaalde schulden geen of minder gewicht toe te kennen, bijvoorbeeld als schulden na vaststelling van de onderhoudsplicht nodeloos zijn aangegaan of de onderhoudsplichtige de mogelijkheid heeft zich van een schuld te bevrijden of een regeling te treffen. Ook kunnen er anderszins onredelijk te achten schulden zijn die de rechter, maar alleen goed gemotiveerd, buiten beschouwing kan laten.

4.14 De rechtbank heeft rekening gehouden met een door de man te betalen hypotheekrente van € 5.488,31 per jaar dus met € 457,36 per maand in plaats van het onder 3.9 genoemde bedrag van € 514,80 per maand. Uit een door de man overgelegd afschrift van de notaris blijkt namelijk dat een krediet van € 15.665,57 van ABN AMRO Bank is meegefinancierd in de hypotheek, terwijl niet is gebleken dat dit voor woonlasten is aangewend. Blijkbaar gaat het hier om een privé-schuld van de man die al eerder is aangegaan. De man stelt in hoger beroep dat met de volledige hypothecaire last rekening moet worden gehouden, omdat hij wel moet aflossen op deze schuld en er geen sprake is van een onredelijk hoge woonlast. Het hof is van oordeel dat de man de noodzaak van het aangaan van dit krediet bij ABN AMRO Bank nog steeds niet aannemelijk heeft gemaakt, zoals reeds eerder bij beschikking van 13 juli 2005 door de rechtbank Almelo is geoordeeld. De man heeft geen nieuwe feiten of omstandigheden aangevoerd die leiden tot een ander oordeel.

4.15 De man voert voorts een last op van € 157,50 per maand voor een schuld aan ABN AMRO waarvan de hoofdsom € 10.500,- bedraagt. Deze schuld is aangegaan voor het bekostigen van zijn huwelijk met [A.]. Het hof is van oordeel dat het jegens de kinderen onredelijk is om met deze last rekening te houden omdat de man de noodzaak voor het aangaan van deze schuld, die is ontstaan na het vaststellen van de onderhoudsplicht jegens de kinderen, onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt. Daarnaast neemt het hof in aanmerking de hoge prioriteit van alimentatie voor een minderjarige die voor zijn onderhoud geheel afhankelijk is van zijn beide ouders en de omstandigheid dat de vrouw gelet op haar inkomen onvoldoende middelen heeft geheel in de kosten van de kinderen te voorzien.

4.16 Op grond van de hiervoor vermelde feiten en omstandigheden en gelet op de fiscale consequenties van een en ander heeft de man met ingang van 8 juli 2009 draagkracht voor een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 2], [kind 3] en [kind 1] tot [geboortedatum] 2010 en een bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie met ingang van [geboortedatum] 2010 van [kind 1] van € 433,00 per maand en met ingang van 1 januari 2011 van

€ 661,- per maand.

4.17 Verdeling van de behoefte van de kinderen naar rato van ieders draagkracht en naar rato van de behoefte van de kinderen betekent dat de man de volgende bijdrage dient te leveren:

- met ingang van 8 juli 2009 € 108,- per kind per maand als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen;

- met ingang van 1 januari 2010 € 105,- per kind per maand als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen;

- met ingang van [geboortedatum] 2010 € 105,- per kind per maand in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 2] en [kind 3] en € 70,- per maand in de kosten van levensonderhoud en studie van [kind 1];

- met ingang van 1 mei 2010 € 105,- per kind per maand in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 2] en [kind 3] en € 176,- per maand in de kosten van levensonderhoud en studie van [kind 1];

- met ingang van 1 augustus 2010 € 105,- per kind per maand in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 2] en [kind 3] en € 116,- per maand in de kosten van levensonderhoud en studie van [kind 1];

- met ingang van 1 januari 2011 € 117,- per kind per maand in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 2] en [kind 3] en € 129,- per maand in de kosten van levensonderhoud en studie van [kind 1].

5. De slotsom

5.1 Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen dient het hof de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, te vernietigen en te beslissen als volgt.

5.2 Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, nu partijen gewezen echtgenoten zijn en de procedure de bijdrage aan de uit die relatie geboren kinderen betreft.

6. De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Almelo van 25 november 2009, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van 8 juli 2009 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de drie kinderen € 108,- per kind per maand zal betalen en met ingang van 1 januari 2010 tot [geboortedatum] 2010 € 105,- per kind per maand;

bepaalt dat de man aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 2] en [kind 3] zal betalen, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen:

- € 105,- met ingang van [geboortedatum] 2010,

- € 117,- met ingang van 1 januari 2011;

bepaalt dat de man aan [kind 1] als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud en studie zal betalen, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen:

- € 70,- met ingang van [geboortedatum] 2010,

- € 176,- met ingang van 1 mei 2010,

- € 116,- met ingang van 1 augustus 2010,

- € 129,- met ingang van 1 januari 2011;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. B.M. Mens, M.A.M. Vaessen en J.G. Luiten, bijgestaan door mr. M. van Esveld als griffier, en is op 31 augustus 2010 uitgesproken ter openbare terechtzitting in tegenwoordigheid van de griffier.