Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2010:BO1073

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
31-08-2010
Datum publicatie
19-10-2010
Zaaknummer
200.055.709
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Partneralimentatie, wangedrag

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2010/139
FJR 2011, 10
EB 2011, 7

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.055.709

(zaaknummer rechtbank 102373 / ES RK 09-424)

beschikking van de familiekamer van 31 augustus 2010

inzake

[verzoekster],

wonende te [woonplaats],

verzoekster in hoger beroep, verder te noemen "de vrouw",

advocaat: mr. M.R. Dill te Hendrik-Ido-Ambacht,

en

[verweerder],

wonende te [woonplaats],

verweerder in hoger beroep, verder te noemen "de man",

advocaat: mr. W. in het Veld te Enschede.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de rechtbank Almelo van 19 augustus 2009 en 4 november 2009, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2. Het geding in hoger beroep

2.1 Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 29 januari 2010, is de vrouw in hoger beroep gekomen van de beschikking van 4 november 2009. De vrouw verzoekt het hof die beschikking te vernietigen en opnieuw beschikkende te bepalen dat haar verzoek tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud van

€ 1.675,78 per maand wordt toegewezen, althans een bijdrage vast te stellen als het hof juist acht, kosten rechtens.

2.2 Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 15 maart 2010, heeft de man het verzoek in hoger beroep van de vrouw bestreden. De man verzoekt het hof bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het verzoek in hoger beroep van de vrouw af te wijzen, de bestreden beschikking te bekrachtigen en de vrouw te veroordelen in de kosten van deze procedure.

2.3 Ter griffie van het hof zijn binnengekomen:

- op 18 maart 2010 een brief van mr. In het Veld van 17 maart 2010 met bijlage;

- op 7 april 2010 een brief van mr. N. Plaisier, kantoorgenoot van mr. Dill, van 6 april 2010 met bijlagen;

- op 10 juni 2010 een brief van mr. In het Veld van 9 juni 2010 met bijlage;

- op 10 juni 2010 een brief van mr. Plaisier van diezelfde met bijlage;

- op 18 juni 2010 een brief van mr. Paisier van diezelfde datum met bijlage;

- op 23 juni 2010 een brief van mr. Plaisier van 22 juni 2010 met als bijlagen een aantal stukken van de procedure in eerste aanleg;

- op 23 juni 2010 een brief van mr. Plaisier van diezelfde datum met als bijlage een stuk van de procedure in eerste aanleg.

2.4 De mondelinge behandeling heeft op 24 juni 2010 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, de vrouw bijgestaan door mr. Plaisier en de man bijgestaan door zijn advocaat.

2.5 Desgevraagd heeft mr. In het Veld ter mondelinge behandeling meegedeeld dat zij voldoende heeft kennisgenomen van de onder 2.3 genoemde brief van 18 juni 2010 met bijlage, dat zij zich voldoende heeft kunnen voorbereiden op een verweer daartegen en dat zij instemt met overlegging van die brief met bijlage zonder nadere maatregel van het hof. Het hof slaat daarom ook acht op die brief met bijlage.

2.6 Na de mondelinge behandeling zijn met toestemming van het hof ter griffie binnengekomen:

- op 30 juni 2010 een brief van mr. Plaisier van diezelfde datum met bijlage;

- op 2 juli 2010 een brief van mr. In het Veld van 1 juli 2010 met bijlagen;

- op 7 juli 2010 een brief van mr. Plaisier van diezelfde datum;

- op 7 juli 2010 een brief van mr. In het Veld van diezelfde datum met bijlage;

- op 8 juli 2010 een brief van mr. Plaisier van diezelfde datum;

- op 21 juli 2010 een brief van mr. In het Veld van 14 juli 2010.

3. De vaststaande feiten

Ten aanzien van partijen

3.1 Partijen zijn op 18 december 2006 met elkaar gehuwd. Zij zijn de ouders van [kind 1] ([kind 1]), geboren op [geboortedatum] 2006 en [kind 2] ([kind 2]), geboren op [geboortedatum] 2008. In september 2008 zijn partijen definitief uit elkaar gegaan. De kinderen zijn toen bij de vrouw gaan wonen.

3.2 Bij op 11 mei 2009 ingekomen verzoekschrift heeft de man bij de rechtbank Almelo een verzoek tot echtscheiding ingediend. Bij beschikking van 27 mei 2009 zijn de kinderen voorlopig onder toezicht gesteld en bij beschikking voorlopige voorzieningen van 16 juni 2009 is bepaald dat de kinderen bij de vader zullen verblijven. Bij beschikking van 12 augustus 2009 is de definitieve ondertoezichtstelling van beide kinderen voor de duur van één jaar uitgesproken.

3.3 Bij beschikking van 19 augustus 2009 is echtscheiding tussen partijen uitgesproken, is de man belast met de uitoefening van het ouderlijk gezag over [kind 1] en [kind 2] en is bepaald dat de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de man zal zijn. Deze beschikking is bij beschikking van 27 april 2010 door dit hof bekrachtigd.

3.4 Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank het verzoek van de vrouw tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud van € 3.813,- per maand afgewezen, kort gezegd omdat vanwege het gedrag van de vrouw van de man in redelijkheid niet kan worden gevergd dat hij nog een dergelijke bijdrage aan haar betaalt.

3.5 Op 26 november 2009 is de echtscheidingsbeschikking ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

Ten aanzien van de man

3.5 De man, geboren op [geboortedatum] 1970, vormt met de kinderen van partijen een gezin. De man exploiteert de eenmanszaak "[...]". Blijkens de jaarrekeningen over 2006, 2007 en 2008 bedroeg het bedrijfsresultaat van deze onderneming in 2006 € 18.032,-, in 2007 € 22.641,- en in 2008 € 50.601,-. Daarnaast blijkt uit het fiscaal rapport 2007 dat de man in 2007 bij [...] een belastbaar inkomen van € 9.902,- heeft verdiend.

Ten aanzien van de vrouw

3.7 De vrouw is geboren op [geboortedatum] 1985. De vrouw ontvangt een WAO-uitkering. Blijkens de uitkeringsspecificatie van 21 december 2009 bedroeg deze uitkering in december 2009 € 863,11 netto per maand, te vermeerderen met vakantietoeslag.

4. De motivering van de beslissing

4.1 De vrouw verzoekt om een door de man te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud. De rechtbank heeft dit verzoek afgewezen en daarbij overwogen dat de vrouw stelselmatig leugens aan de man en derden heeft verteld, hetgeen emotionele en financiële consequenties voor de man heeft gehad. De vrouw toont geen inzicht in de nadelige gevolgen van haar gedrag en is niet bereid hulp te aanvaarden, aldus de rechtbank. De rechtbank heeft dit zodanig ernstig geoordeeld dat niet van de man kan worden verlangd dat hij een bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw voldoet.

4.3 De vrouw ontkent en betwist uitdrukkelijk dat zij stelselmatig heeft gelogen. De incidenten, waarop het oordeel van de rechtbank is gebaseerd, hebben niet plaatsgevonden, dan wel dienen in grote mate genuanceerd te worden. Het geringe aantal leugentjes dat zij om eigen bestwil heeft verteld, zijn het gevolg van door de man op haar uitgeoefende dwang, aldus de vrouw.

De man weerspreekt dit. Hij stelt dat de vrouw stelselmatig liegt, ten onrechte ernstige beschuldigingen uit en bewijsstukken vervalst en dat dit zodanig ernstig is dat van enige lotsverbondenheid geen sprake meer kan zijn.

4.4 Het hof stelt voorop dat bij de beantwoording van de vraag of aan de gewezen echtgenoot een uitkering voor het levensonderhoud moet worden toegekend en zo ja, tot welk bedrag, rekening moet worden gehouden met alle omstandigheden van het geval. Hieronder zijn ook te verstaan niet financiële factoren, zoals gedragingen van de onderhoud verzoekende echtgenoot. Daarbij geldt als criterium of er feiten en omstandigheden zijn, in verband waarmee van een gewezen echtgenoot in redelijkheid niet of niet ten volle kan worden gevergd tot het levensonderhoud van de ander bij te dragen. De lotsverbondenheid, die ontstaan is door het huwelijk en daarna nog doorwerkt is een van de voornaamste gronden voor de alimentatieplicht. Niet het wangedrag op zichzelf, maar het bij dusdanig gedrag vorderen van steun levert in dat geval een zo kwetsende bejegening van de aangesprokene op, dat van deze laatste betaling van onderhoud moreel niet of niet ten volle kan worden gevergd.

4.5 Uit de stukken en het verhandelde ter zitting, komt naar het oordeel van het hof naar voren dat de vrouw op verschillende gebieden aantoonbaar misleidende verhalen heeft verteld en ernstige niet gestaafde beschuldigingen jegens de man heeft geuit waardoor de man ernstig is benadeeld. Bovendien heeft zij een gemanipuleerde verklaring in het geding gebracht en heeft zij ter zitting stellingen ingenomen die niet waar bleken te zijn.

4.6 Gebleken is onder meer het volgende.

4.7 In het voorjaar van 2009 heeft de vrouw aan de kinderpsychiater van medisch kinderdagverblijf "[...]", die de vrouw had ingeschakeld voor hulp aan de kinderen, laten weten dat in verband met stalking door de man, huiselijk geweld en heftige reacties van de kinderen op contact met hun vader een straatverbod voor de man was afgegeven. Op basis van deze informatie is toen de omgang tussen de man en de kinderen per direct beëindigd. Die informatie was onjuist. De vrouw erkent dat een straatverbod nimmer is afgegeven, maar stelt destijds met de aanvraag daarvan bezig te zijn geweest.

4.8 Verder blijkt uit de stukken dat de vrouw verscheidene keren in haar omgeving heeft beweerd dat de man terminaal ziek was. Zo blijkt uit het uittreksel uit haar medisch dossier dat haar huisarts in [woonplaats] op 8 mei 2007 blijkbaar aan haar nieuwe huisarts in [woonplaats] heeft gestuurd (productie 17 bij het inleidend verzoekschrift), dat zij in juni 2006 tegenover haar huisarts heeft beweerd dat de man terminaal ziek zou zijn. Hangende de echtscheidingsprocedure heeft zij tegenover haar familie kennelijk beweerd dat hij een hersentumor zou hebben. Deze beweringen missen iedere grond.

4.9 Uit de bij het verzoekschrift in eerste aanleg als productie 26 overgelegde stukken van het consultatiebureau blijkt dat de vrouw na de geboorte van [kind 1] heeft verklaard in een levensbedreigende situatie te verkeren. Zij zou in afwachting zijn van een donorhart, doordat als gevolg van een hartinfarct een deel van haar hart was afgestorven. Inmiddels staat vast dat dit verhaal niet waar is. De vrouw erkent dit ook.

4.10 Ook heeft de vrouw over de gezondheid van de kinderen verwarring geschapen. Uit het rapport van de raad voor de kinderbescherming (de raad) van 5 augustus 2009 blijkt dat de vrouw tijdens haar zwangerschappen heeft aangegeven dat de kinderen een hartafwijking hebben. Thans staat vast dat dit niet het geval is. Tevens stelt de vrouw dat de kinderen met bronchitis kampen. In de tijd dat de kinderen zij bij de vrouw woonden, kregen zij hiervoor medicijnen toegediend. Sinds de kinderen op 16 juni 2009 bij de man zijn gaan wonen, is van bronchitisklachten geen sprake geweest. De kinderen krijgen geen medicijnen meer toegediend, maar functioneren desondanks goed.

4.11 Verder blijkt uit het raadsrapport dat de vrouw aan de raadsonderzoeker heeft verteld dat zij verschillende malen bij de huisarts is geweest, omdat [kind 1] na de omgangscontacten met de man telkens terugkwam met een ontstoken plassertje. De huisarts zou daarover volgens de vrouw “de nodige vraagtekens richting de man” hebben. Navraag bij de huisarts leerde dat hij [kind 1] op 19 april 2009 in zijn praktijk had gezien met een licht ontstoken voorhuid, waarvoor hij toen een zalfje heeft voorgeschreven. Omdat dit, volgens de huisarts bij jongetjes in de leeftijd van [kind 1] regelmatig voorkomt, heeft hij er verder geen aandacht aan geschonken, aldus het raadsrapport.

Op 9 juli 2009 heeft zich een goede vriend van de moeder bij het AMK in Den Haag gemeld met onder andere de mededeling dat de vrouw op 7 of 8 juli 2009 in het ziekenhuis in Enschede was geweest om een van haar kinderen te bezoeken die daar lag in verband met mishandelingen door de vader en dat zij toen de blauwe plekken bij het kind heeft gezien. Tegenover die vriend had de vrouw ook geïnsinueerd dat de man een verhouding met de gezinsvoogd had. Uit onderzoek door de raad is gebleken dat geen van de kinderen toen in het ziekenhuis heeft gelegen.

4.12 Tegenover prof. dr. [...], die de vrouw op haar eigen verzoek heeft onderzocht, heeft de vrouw, blijkens het rapport van 14 juni 2010, verklaard dat de man haar en de kinderen gedurende het huwelijk heeft mishandeld en haar seksueel heeft misbruikt. Dat er sprake is geweest van misdragingen van de man tegenover de vrouw en de kinderen, blijkt echter uit niets. De vrouw heeft hiervan nooit aangifte gedaan en concrete aanwijzingen hiervoor ontbreken. Zo zouden foto’s, die volgens de vrouw na de mishandelingen van haar verwondingen zijn gemaakt, zijn vernietigd. Dat de mishandeling en het misbruik hebben plaatsgevonden is op basis van de thans overgelegde stukken dan ook niet aannemelijk, ook niet wat betreft de kinderen. Uit het rapport van de raad volgt immers dat van agressief gedrag van de man naar de kinderen toe geen sprake is, terwijl uit dat rapport ook niet blijkt dat de kinderen in hun contact met de man gedrag laten zien dat zou kunnen duiden op mishandeling.

4.13 Ter mondelinge behandeling is discussie ontstaan over de bijdrage in de kosten van de verzorging en opvoeding van de kinderen, die de man in de periode dat de kinderen bij de vrouw woonden, heeft betaald. De man stelde dat hij op basis van een tussen partijen gemaakte afspraak ongeveer € 150,- per maand aan de vrouw had overgemaakt. Volgens de vrouw kwam de man de afspraak niet consequent na. De ene maand maakte hij € 50,- over en de andere € 100,-. Daarop heeft het hof de man na de mondelinge behandeling in de gelegenheid gesteld met stukken aan te tonen dat hij na het uiteengaan van partijen tot aan de voorlopige voorzieningen van 16 juni 2009 ongeveer € 150,- per maand aan de vrouw had voldaan.

Uit de vervolgens door de man overgelegde bankafschriften volgt dat hij in de periode van september 2008 tot en met december 2008 € 150,- per maand, in de maand februari 2009 € 200,-, in de maand maart 2009 € 150,- en in de maanden april en juni 2009 € 200,- per maand naar de vrouw heeft overgemaakt. Iedere maand heeft hij dus tenminste € 150,- overgemaakt. De vrouw heeft daar nog tegen ingebracht dat de discussie ging over de periode van maart 2008 tot augustus 2008, maar nog afgezien van het feit dat dit niet blijkt uit het proces-verbaal van de zitting, zou dit ook niet logisch zijn omdat partijen blijkbaar in september 2008 definitief uit elkaar zijn gegaan. Ook heeft de vrouw nog gesteld dat de man bedragen heeft teruggeboekt, maar daarvan is niet gebleken. Het moet er dan ook voor worden gehouden dat de vrouw ook op dit punt een loopje heeft genomen met de waarheid in een poging de man zwart te maken.

4.14 Tot slot is het volgende gebleken. De vrouw heeft bij het beroepschrift als productie 6 een verklaring van [A.] overgelegd. In deze verklaring staat dat de vrouw een geweldige moeder is. De man daarentegen zou beter uit de buurt van de kinderen kunnen blijven omdat hij de vrouw en de kinderen verschillende malen telefonisch heeft bedreigd en door zijn schuld de voormalige echtelijke woning in brand heeft gestaan. In het verweerschrift stelt de man dat de verklaring is vervalst. Dit heeft hij onderbouwd met een bij het verweerschrift als productie 1 overlegde mail van [A.] en [B.] van 10 februari 2010 en een bij brief van 17 maart 2010 in het geding gebrachte brief van [A.] van 8 maart 2010 waarin de inhoud van de door de vrouw overgelegde verklaring uitdrukkelijk wordt betwist.

Ter mondelinge behandeling heeft de advocaat van de vrouw aangegeven dat [A.] haar telefonisch heeft meegedeeld dat de eerste pagina van de bij het beroepschrift overgelegde verklaring niet van deze mevrouw afkomstig was. Hiermee staat vast dat de vrouw een gemanipuleerde verklaring in het geding heeft gebracht. Een partij die zich van een dergelijke verklaring bedient in een civiele procedure kan dit worden tegengeworpen.

4.15 De gedingstukken bevatten nog meer aanwijzingen dat de vrouw het niet erg nauw neemt met de waarheid en de wildste verhalen rondstrooit over zichzelf, de man en de kinderen. Dit heeft al tijdens het huwelijk een aanvang genomen en is verergerd nadat partijen besloten uit elkaar te gaan. Het heeft veel onduidelijkheden veroorzaakt en vragen opgeroepen, hetgeen een van de voornaamste redenen is geweest voor de ondertoezichtstelling van de kinderen, zo blijkt genoegzaam uit de stukken. Het gedrag van de vrouw heeft begrijpelijkerwijs ook veel onrust veroorzaakt bij de man, vooral ook omdat het uiten van ongefundeerde beschuldigingen van misbruik en mishandeling – welke beschuldigingen naar hun aard niet altijd onmiddellijk geverifieerd kunnen worden maar vaak wel een direct ingrijpen verlangen – er gemakkelijk toe kan leiden dat er onjuiste beslissingen worden genomen, die vergaande consequenties kunnen hebben. Dat is ook in deze zaak gebeurd toen de man het recht op omgang met zijn kinderen met onmiddellijke ingang werd ontzegd, nadat de vrouw onder meer had beweerd dat hij een straatverbod had. Het had voorts kunnen gebeuren naar aanleiding van de insinuatie dat de man seksueel overschrijdend gedrag jegens [kind 1] heeft vertoond.

Met het verdraaien van de waarheid is de vrouw kennelijk eropuit dat beslissingen in haar voordeel worden genomen. Zij deinst er niet voor terug om schriftelijke verklaringen van anderen te manipuleren of om ter zitting niet de waarheid te spreken. Ook de onjuiste mededeling aan haar vriend - aan wie zij had voorgespiegeld dat zij in Enschede een kind in het ziekenhuis had bezocht dat door de man zou zijn mishandeld -, dat de man een relatie zou hebben met de gezinsvoogd, maakt duidelijk dat de vrouw manipulatief is, nu daarmee gesuggereerd werd dat er voor de beweerdelijk mishandelde kinderen geen enkele bescherming was. Bij dit alles moet ervan worden uitgegaan dat zij dit welbewust doet, nu uit de door de vrouw overgelegde verklaring van prof. dr. [...] blijkt dat er bij de vrouw geen sprake is van een psychiatrisch ziektebeeld en zijzelf ook betwist dat er iets met haar aan de hand is.

Door haar handelwijze heeft de vrouw de man veel nadeel berokkend. Alle omstandigheden in aanmerking nemend, is het hof van oordeel dat van de man in redelijkheid niet gevergd kan worden dat hij nog een bijdrage levert aan de kosten van levensonderhoud van de vrouw omdat door haar grensoverschrijdend gedrag van lotsverbondenheid geen sprake meer is.

4.16 Nu er geen grond is voor een bijdrage van de man in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw, komt het hof niet toe aan een bespreking van hetgeen partijen omtrent de behoefte, de behoeftigheid en de draagkracht naar voren hebben gebracht.

5. De slotsom

5.1 Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen dient het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5.2 Het hof oordeelt termen aanwezig om de vrouw, overeenkomstig het daartoe strekkende verzoek van de man, als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het hoger beroep te veroordelen.

6. De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Almelo van 4 november 2009,

veroordeelt de vrouw in de kosten van de procedure in hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van de man begroot op € 263,- voor griffierecht en op € 1.788,- voor advocaatkosten,

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mrs. P.L.R. Wefers Bettink, M.A.M. Vaessen en A.L.H. Ernes, bijgestaan door mr. A. Mul als griffier, en is op 31 augustus 2010 uitgesproken ter openbare terechtzitting in tegenwoordigheid van de griffier.