Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2010:BN9322

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
01-10-2010
Datum publicatie
04-10-2010
Zaaknummer
24-002002-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt vrijgesproken ter zake van overtreding van artikel 9 lid 2 Wegenverkeerswet 1994. Het hof is van oordeel dat de staandehouding onrechtmatig was. Er is sprake van een vormverzuim, dat niet meer kan worden hersteld. Het hof is van oordeel dat hetgeen is gevolgd op de als onrechtmatig te beschouwen staandehouding moet worden uitgesloten van het bewijs. Dit brengt mede dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 24-002002-09

Parketnummer eerste aanleg: 07-490093-09

Arrest van 1 oktober 2010 van het gerechtshof te Arnhem, nevenzittingsplaats Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zwolle-Lelystad van 10 augustus 2009 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1987] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

niet ter terechtzitting verschenen. Wel verschenen is de raadsman van verdachte

mr. J. Vlug, advocaat te Deventer.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter in de rechtbank Zwolle-Lelystad heeft de verdachte bij het vonnis wegens een misdrijf veroordeeld tot straffen, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

De raadsman van verdachte heeft verklaard uitdrukkelijk te zijn gemachtigd verdachte ter terechtzitting te verdedigen.

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte ter zake van het ten laste gelegde zal veroordelen tot een werkstraf van 30 uren, subsidiair 15 dagen vervangende hechtenis.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd, dat:

hij op of omstreeks 31 januari 2009 in de gemeente [gemeente] terwijl hij wist of redelijkerwijs moest weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen, te weten alle categorieën, ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën was afgegeven, op de weg, de [straat], als bestuurder een motorrijtuig, (bedrijfsauto), van die categorie of categorieën heeft bestuurd.

Vrijspraak

De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting betoogd dat de staandehouding van verdachte onrechtmatig is geweest. Als gevolg hiervan dient alles wat volgt na de (onrechtmatige) staandehouding te worden uitgesloten van het bewijs. Subsidiair heeft de raadsman betoogd dat niet bewezen kan worden dat verdachte wist of redelijkerwijs moest weten dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. Volgens de raadsman moet verdachte wegens het ontbreken van voldoende wettig bewijs worden vrijgesproken van het hem ten laste gelegde.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Uit het proces-verbaal misdrijf d.d. 10 februari 2009 leidt het hof de navolgende gang van zaken af. Verbalisant [verbalisant], hoofdagent van politie, zag op 31 januari 2009 een bedrijfsauto van het merk Mercedes-benz, met kenteken [kenteken], op de [straat] te Deventer. Uit het proces-verbaal volgt dat verbalisant op basis van deze gegevens zag/constateerde dat een persoon een feit pleegde, te weten overtreding van artikel 9 lid 2 van de Wegenverkeerswet 1994 (verder: WVW '94). Verdachte werd staande gehouden en verstrekte vervolgens zijn personalia.

Uit de CRB Vorderingsgegevens blijkt dat het rijbewijs van verdachte op 28 november 2007 volledig ongeldig is verklaard.

Met betrekking tot de hiervoor weergegeven gang van zaken overweegt het hof het navolgende. Uit het dossier volgt dat verdachte is staande gehouden wegens overtreding van artikel 9 lid 2 van de WVW '94, doch dit is eerst vastgesteld (kunnen worden) nadat verdachte was staandegehouden en zijn personalia had verstrekt.

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de staandehouding onrechtmatig was. Daarmee is sprake van een in artikel 359a, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering bedoeld vormverzuim, dat niet meer kan worden hersteld. Een belangrijk strafvorderlijk beginsel is hier in aanzienlijke mate geschonden, omdat zonder genoegzaam blijkende grond een dwangmiddel is toegepast jegens verdachte.

Gelet op het bovenstaande is het hof van oordeel dat hetgeen is gevolgd op de als onrechtmatig te beschouwen staandehouding moet worden uitgesloten van het bewijs. Dit brengt mede dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, zodat het hof hem daarvan zal vrijspreken.

Het door de raadsman subsidiair gevoerde verweer behoeft om die reden geen verdere bespreking.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte ten laste gelegde niet bewezen en spreekt hem daarvan vrij.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. S.H. Wachter, voorzitter, mr. W.M. van Schuijlenburg en mr. H.J. de Ruijter, in tegenwoordigheid van mr. J. Brink als griffier, zijnde mr. H.J. de Ruijter buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.