Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2010:BN8218

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
31-08-2010
Datum publicatie
24-09-2010
Zaaknummer
09-00257
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting.

Meerkosten autogebruik zijn niet aftrekbaar als ziektekosten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2010/2358 met annotatie van vanArnhem
FutD 2010-2235

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector belastingrecht

nummer 09/00257

uitspraakdatum: 31 augustus 2010

Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

X te Z (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 2 juni 2009, nummer AWB 08/5192, in het geding tussen belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst/P (hierna: de Inspecteur)

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 2004 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: aanslag IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 26.171 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 292. Aan heffingsrente is daarbij een bedrag berekend van € 415.

1.2. De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar de aanslag gehandhaafd en de heffingsrente verminderd naar nihil.

1.3. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Arnhem (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 2 juni 2009, verzonden op 9 juni 2009, ongegrond verklaard.

1.4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5. De griffier heeft belanghebbende bij aangetekende brief met handtekening retour, verzonden op 20 mei 2010 en gericht aan belanghebbende op het adres a-straat 1 te Z, uitgenodigd ter zitting te verschijnen onder vermelding van plaats en tijdstip. Uit de retour ontvangen, door belanghebbende op 21 mei 2010 getekende, Handtekening Retourkaart leidt het Hof af dat de zending op voornoemde datum aan belanghebbende is uitgereikt. Belanghebbende is op juiste wijze voor de zitting van het Hof uitgenodigd.

1.6. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 juni 2010 te Arnhem. Belanghebbende is daar zonder kennisgeving aan het Hof niet verschenen. Namens de Inspecteur is verschenen H. Huver. Het Hof heeft ter zitting het onderzoek gesloten.

1.7. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2. Feiten

2.1. Belanghebbende heeft tot maart 2004 in Q gewoond en gewerkt. Vanwege een burn out is belanghebbende vanaf maart 2004 woonachtig bij een bekende/verzorger in Z.

2.2. Vanaf 1 mei 2004 is belanghebbende op therapeutische basis weer gaan werken bij haar werkgever in Q. Haar verblijf op de werkplek heeft geen ander doel dan hervatting van haar, door haar burn-out onderbroken, werkzaamheden. Daartoe wordt zij door haar verzorger met de auto vervoerd van Z naar Q en vice versa.

2.3. In haar aangifte heeft belanghebbende autokosten ten bedrage van € 7.466 in aanmerking genomen als uitgaven wegens ziekte.

2.4. Verder heeft belanghebbende in haar aangifte een bedrag van € 124 als uitgaven wegens ziekte opgevoerd. Dit betreft uitgaven voor de thuiszorg van haar moeder, welke uitgaven pas na het overlijden van haar moeder door de erfgenamen, waaronder belanghebbende, zijn voldaan (hierna: de postume uitgaven).

2.5 De Inspecteur heeft bij de aanslagregeling de aftrek van de autokosten en de postume uitgaven geweigerd.

3. Geschil

In geschil is of belanghebbende de autokosten en de postume uitgaven als uitgaven wegens ziekte in aanmerking kan nemen. Belanghebbende beantwoordt deze vraag bevestigend, de Inspecteur ontkennend.

4. Beoordeling van het geschil

Autokosten

4.1 Op grond van het bepaalde in artikel 6.16, aanhef en onderdeel a, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001; tekst 2004) worden als buitengewone uitgaven aangemerkt de uitgaven wegens ziekte, invaliditeit en bevalling van de belastingplichtige.

4.2 Op grond van artikel 6.17, eerste lid, onderdeel a, van de Wet IB 2001 worden als uitgaven wegens ziekte, invaliditeit en bevalling aangemerkt de daarmee verband houdende uitgaven voor genees-, heel- en verloskundige hulp, met inbegrip van uitgaven voor vervoer.

4.3. Vervoerskosten die rechtstreeks verband houden met het verkrijgen van medische hulp zijn integraal aftrekbaar (hierna: categorie 1-kosten). In het onderhavige geval heeft belanghebbende de autokosten gemaakt om op therapeutische basis arbeid te kunnen verrichten. Van een medische behandeling is geen sprake. De autokosten zijn derhalve niet integraal aftrekbaar.

4.4. De kosten voor het overige gebruik van de auto in verband met ziekte zijn slechts aftrekbaar indien zij overtreffen hetgeen behoort tot het normale bestedingspatroon van personen die niet ziek of invalide zijn, doch overigens wat inkomen, vermogen en gezinsomstandigheden betreft, in een gelijke positie verkeren als belanghebbende (hierna: categorie 2-kosten) (vergelijk

HR 15 december 1999, nr. 35157, LJN AA3847, BNB 2000/61 en HR 24 januari 2001,

nr. 35913, LJN AA9626, BNB 2001/110).

4.5. Ter zitting heeft de Inspecteur verklaard dat belanghebbendes autokosten verband houden met haar ziekte, maar dat belanghebbende geen meerkosten in vorenbedoelde zin heeft gemaakt.

4.6. Belanghebbende is bij de berekening van de autokosten uitgegaan van 13.120 gereden kilometers en heeft ter zake van deze kilometers € 0,569 per kilometer in aanmerking genomen. Laatstgenoemd bedrag zou zijn ontleend aan een opgave van de ANWB.

4.7. De Inspecteur heeft aan de hand van de door belanghebbende verstrekte gegevens bij brief van 9 februari 2007, de autokosten voor belanghebbende berekend op € 4.335. Daarvan heeft een bedrag van € 514 betrekking op vervoerskosten voor artsenbezoek (categorie 1-kosten), welke kosten voor dit bedrag in aftrek zijn toegelaten. Na aftrek van deze kosten resteert een bedrag van € 3.821 als overige vervoerskosten (categorie 2-kosten). Uitgaande van de kilometerstanden op 7 juli 2004 (17.590 km) en 26 september 2005 (30.441 km) heeft de Inspecteur het aantal in 2004 gereden kilometers tijdsevenredig berekend op 10.632.

4.8. Voor vergelijkbare valide personen heeft de Inspecteur aan de hand van het Statistisch jaarboek 2002 van het Centraal Bureau voor de Statistiek, de autokosten berekend op € 4.067. De Inspecteur is daarbij uitgegaan van het gebruikelijke aantal gereden kilometers bij een jaarinkomen van € 22.175, zijnde 15.990 kilometers, en een auto behorende tot de zogenaamde compacte klasse. Nu vergelijkbare valide personen meer autokosten (€ 4.067) maken dan belanghebbende in het onderhavige jaar heeft gemaakt (€ 3.821), komen de autokosten (categorie 2-kosten) niet voor aftrek in aanmerking, aldus de Inspecteur.

4.9. Tegenover dit gemotiveerde standpunt van de Inspecteur heeft belanghebbende, op wie in dit geval de bewijslast rust, naar het oordeel van het Hof niet aannemelijk gemaakt dat zij meerkosten voor autogebruik heeft gemaakt vanwege haar ziekte.

4.10. Belanghebbende beroept zich verder op het gelijkheidsbeginsel. Belanghebbende voert daarvoor aan dat in enkele gemeenten door de Arbeidsvoorzieningsorganisatie bij wijze van experiment een zogenaamd persoonsgebonden reïntegratiebudget worden toegekend waaruit activiteiten kunnen worden bekostigd gericht op reïntegratie in het arbeidsproces, welk budget is aangemerkt als een vrijgestelde vergoeding voor ziekte en/of invaliditeit (Besluit van de staatssecretaris van 21 december 2000, nr. CPP2000/2755M, BNB 2001/248). Dit beroep kan niet slagen, reeds omdat belanghebbende op generlei wijze aannemelijk heeft gemaakt dat zij aan de in het Besluit gestelde voorwaarden heeft voldaan.

4.11. Gelet op het vorenstaande heeft de Inspecteur terecht de autokosten niet als buitengewone uitgaven in aanmerking genomen.

Postume buitengewone uitgaven

4.12. Ter zitting heeft het Hof de Inspecteur het arrest HR 15 juli 1986, nr. 23.800, BNB 1986/299, voorgehouden. Daarin is, kortgezegd, overwogen dat naar hun aard aftrekbare uitgaven die ten tijde van het overlijden van de erflater nog niet bij hem in aanmerking konden worden genomen, in het algemeen bij de overgang op de erfgenaam niet van aard veranderen en derhalve bij deze laatste in aanmerking kunnen worden genomen. Na hiervan kennis te hebben genomen, bestrijdt de Inspecteur niet langer de aftrek van de postume uitgaven van € 124.

Slotsom

Op grond van het overwogene onder 4.12 dient het hoger beroep gegrond te worden verklaard.

5. Kosten

Het Hof ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

6. Beslissing

Het Hof:

- verklaart het hoger beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank;

- vernietigt de uitspraak van de Inspecteur, voor zover deze ziet op de aanslag IB/PVV;

- vermindert de aanslag tot een aanslag, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 26.047 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 292;

- gelast dat de Staat aan belanghebbende vergoedt de betaalde griffierechten van in totaal € 149 (€ 39 voor het beroep bij Rechtbank en € 110 voor het hoger beroep bij Hof).

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J.H. van Suilen, voorzitter, mr. R.F.C. Spek en mr. P. van der Wal, in tegenwoordigheid van mr. N. ten Broek als griffier.

De beslissing is op 31 augustus 2010 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(N. ten Broek) (A.J.H. van Suilen)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 31 augustus 2010.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer)

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.