Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2010:BN7065

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
24-08-2010
Datum publicatie
15-09-2010
Zaaknummer
0900157
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wet WOZ.

Woningen vormen geen samenstel, zodat sprake is van onjuiste objectafbakening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2010, 2201
FutD 2010-2191
Belastingblad 2010/1471

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector belastingrecht

nummers 09/00157

uitspraakdatum: 24 augustus 2010

Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

X te Z (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 20 april 2009, nummer AWB 07/5506, in het geding tussen

belanghebbende

en

de directeur van de Belastingsamenwerking Rivierenland (hierna: de Ambtenaar)

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1 De Ambtenaar heeft bij beschikking met nummer 24284 krachtens artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als a-straat 1 te Z (hierna: a-straat 1), per waardepeildatum 1 januari 2005, voor het tijdvak van 1 januari 2007 tot en met 31 december 2007 vastgesteld op € 955.000.

1.2 De Ambtenaar heeft bij beschikking met nummer 24284 krachtens artikel 22 van de Wet WOZ de waarde van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als a-straat 2 te Z (hierna: a-straat 2), per waardepeildatum 1 januari 2005, voor het tijdvak van 1 januari 2007 tot en met 31 december 2007 vastgesteld op € 174.000.

1.3 Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de Ambtenaar bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 7 november 2007 de vastgestelde waarden gehandhaafd.

1.8 Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Arnhem (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard voor zover het zag op de in 1.2 genoemde beschikking. De Rechtbank heeft de waarde van a-straat 2 verlaagd tot € 165.000.

1.9 Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Ambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend, de Ambtenaar een conclusie van dupliek.

1.10 Tot de stukken van het geding behoren, naast de hiervoor vermelde stukken, het van de Rechtbank ontvangen dossier dat op deze zaak betrekking heeft, alsmede alle stukken die nadien, al dan niet met bijlagen, door partijen in hoger beroep zijn overgelegd.

1.11 Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 juni 2010 te Arnhem. Gelijktijdig is behandeld de zaak met rolnummer 08/00571. Daarbij zijn verschenen en gehoord namens belanghebbende X-Y en AX en de Ambtenaar. Belanghebbende heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en daarvan afschriften overgelegd. Het Hof rekent de pleitnota tot de stukken van het geding.

1.7 Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2. De feiten

2.1 Belanghebbende is eigenaar van a-straat 1 en 2; beide woningen welke onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden. A-straat 1 betreft een herenhuis met de naam “B”, met een inhoud van ongeveer 1.300 m³ en een perceeloppervlakte van ongeveer 3.992 m². Bij a-straat 1 behoort een deel van 780 m³ welke als berging in gebruik is. A-straat 2 betreft een woonboerderij met een inhoud van ongeveer 385 m³ en een perceeloppervlakte van ongeveer 355 m².

2.2 Bij de waardebepaling van a-straat 1 is rekening gehouden met stukken omliggende gronden met een totale oppervlakte van 14.707 m². De omliggende gronden hebben de kadastrale aanduiding U394, U396, U517, U1099 en U1197. De omliggende gronden bestaan voor een deel uit een boomgaard, welke in 2008 is verpacht en voor het overige uit graslanden.

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1 Tussen partijen is in geschil of het object a-straat 1 op juiste wijze is afgebakend en of de waarden van de woningen a-straat 1 en 2 per waardepeildatum 1 januari 2005 correct zijn vastgesteld.

3.2 Belanghebbende beantwoordt bovenstaande vragen ontkennend en concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, de uitspraken op bezwaar en de onder 1.1 genoemde beschikking (subsidiair tot een verlaging van de waarde van a-straat 1 tot € 836.934) en verlaging van de waarde van a-straat 2 tot een bedrag van € 138.700.

3.3 De Ambtenaar beantwoordt bovenstaande vragen bevestigend en concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4. Beoordeling van het geschil

4.1 Met betrekking tot de objectafbakening oordeelt het Hof als volgt. Tussen partijen is niet in geschil dat de verschillende in onderdeel 2.2 genoemde percelen aparte, van elkaar te onderscheiden onbebouwde eigendommen zijn als bedoeld in artikel 16, onder b, van de Wet WOZ. Zulks brengt mee dat deze onbebouwde eigendommen slechts als één onroerende zaak in de zin van artikel 16, van de Wet WOZ kunnen worden aangemerkt indien sprake is van een samenstel als bedoeld in artikel 16, onder d, van die wet. Het Hof ziet zich derhalve geplaatst voor de vraag of de in onderdeel 2.2 genoemde percelen bij dezelfde belastingplichtige in gebruik zijn en of ze, naar de omstandigheden beoordeeld, bij elkaar horen.

4.2 De Ambtenaar heeft in dit verband gesteld dat sprake is van een historisch verband tussen deze eigendommen. Belanghebbende heeft dit gemotiveerd weersproken en daarbij aangevoerd dat de percelen op verschillende momenten in eigendom zijn verkregen en dat een gedeelte van de percelen historisch juist niet behoren tot a-straat 1, doch historisch behoorden bij het in de buurt gelegen kasteel. Naar het oordeel van het Hof heeft de Ambtenaar, op wie te dezen de bewijslast rust, niet aannemelijk gemaakt dat de percelen een samenstel vormen als bedoeld in artikel 16, onder d, van de Wet WOZ. Hetgeen de Ambtenaar verder heeft aangevoerd, te weten dat uit gesprekken met een deskundige die belanghebbende heeft bijgestaan, de gemeente Lingewaal, heeft opgemaakt dat de percelen bij elkaar hoorden, acht het Hof in dit kader irrelevant.

4.3 Het vorengaande brengt mee dat het object genoemd in de in 1.1 genoemde beschikking onjuist is afgebakend en deze beschikking niet als onderwerp heeft een onroerende zaak als bedoeld in artikel 16 van de Wet WOZ. Dit brengt mee dat deze beschikking niet in stand kan blijven.

4.4 Met betrekking tot a-straat 2 oordeelt het Hof als volgt. Ingevolge artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ moet de waarde van de onderhavige onroerende zaak worden bepaald op de waarde die daaraan dient te worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaken in de staat waarin die zich bevinden, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zouden kunnen nemen. Daarbij geldt in dit geval als waardepeildatum 1 januari 2005.

4.5 Naar het oordeel van het Hof heeft de Rechtbank met juistheid geoordeeld dat de bewijslast voor de stelling dat de waarde niet tot een te hoog bedrag is vastgesteld op de Ambtenaar rust.

4.6 Met betrekking tot de waardebepaling van a-straat 2 is het Hof van oordeel dat de Rechtbank op goede gronden een juiste beslissing heeft genomen. Hetgeen belanghebbende hierover in hoger beroep heeft aangevoerd, brengt het Hof niet tot een ander oordeel. Het Hof neemt de door de Rechtbank hiertoe gebezigde gronden over en maakt die tot de zijne.

4.7 Belanghebbende heeft ten slotte aangevoerd dat de Rechtbank, ondanks het feit dat het beroep gegrond is verklaard, niet heeft bepaald dat het door haar betaalde griffierecht wordt vergoed. Gelet op artikel 8:74, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht had de Rechtbank zulks behoren te doen. Het Hof zal alsnog bepalen dat het door belanghebbende voor het beroep verschuldigde griffierecht dient te worden vergoed.

Slotsom

Gelet op het voorgaande is het hoger beroep gegrond.

5. Proceskosten

Het Hof ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling, nu voor vergoeding in aanmerking komende kosten niet aannemelijk zijn geworden.

6. Beslissing

Het Gerechtshof:

- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank doch uitsluitend voor zover deze betrekking heeft op de in onderdeel 1.1 genoemde beschikking;

- verklaart het beroep in zoverre gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar voor zover deze betrekking heeft op de in onderdeel 1.1 genoemde beschikking;

- vernietigt de in onderdeel 1.1 genoemde beschikking;

- bevestigt de uitspraak van de Rechtbank voor het overige;

- gelast dat de gemeente Lingewaal aan belanghebbende het betaalde griffierecht vergoedt, te weten € 39 in verband met het beroep bij de Rechtbank en € 110 in verband met het hoger beroep bij het Gerechtshof.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.A.V. Boxem, voorzitter, mr. J. van de Merwe en

mr. P. van der Wal, in tegenwoordigheid van mr. J.L.M. Egberts als griffier.

De beslissing is op 24 augustus 2010 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(J.L.M. Egberts) (R.A.V. Boxem)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.