Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2010:BN6931

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
10-08-2010
Datum publicatie
14-09-2010
Zaaknummer
200.057.670
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wijziging door de gezinsvoogd van een door de rechter vastgestelde omgangsregeling tussen kind en ouder met gezamenlijk gezag.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 253a
Burgerlijk Wetboek Boek 1 263
Burgerlijk Wetboek Boek 1 377a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2011/12 met annotatie van P. VlaardingerbroekVlaardingerbroekP

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.057.670

(zaaknummer rechtbank 177599 / FA RK 08-12865)

beschikking van de familiekamer van 10 augustus 2010

inzake

[verzoekster],

wonende te [woonplaats],

verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen “de moeder”,

advocaat: mr. E.P. Niemeijer te Arnhem,

en

[verweerder],

wonende te [woonplaats],

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen “de vader”,

advocaat: mr. H.J.M. van Arkel-van Gasselt te Nijmegen.

Als overige belanghebbende is aangemerkt:

Stichting Bureaus Jeugdzorg Gelderland,

gevestigd te Arnhem,

verder te noemen “de stichting”.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de twee tussenbeschikkingen van de rechtbank Arnhem van 13 februari 2009 en 10 juli 2009 en de eindbeschikking van de rechtbank Arnhem van 20 november 2009, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2. Het geding in hoger beroep

2.1 Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 18 februari 2010, is de moeder in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking van 20 november 2009. Zij verzoekt het hof, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, die beschikking te vernietigen wat betreft de vastgestelde regeling ter verdeling van zorg- en opvoedingstaken tussen nader te noemen [het kind] en haar en opnieuw beschikkende, te bepalen dat zij [het kind] gedurende een weekend per veertien dagen bij zich mag hebben van vrijdagmiddag 15.00 uur tot zondagmiddag 18.00 uur, alsmede gedurende de helft van de schoolvakanties, althans een regeling als het hof juist acht.

2.2 Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 22 maart 2010, heeft de vader het verzoek in hoger beroep van de moeder bestreden. Hij verzoekt het hof de moeder niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoeken althans deze als ongegrond af te wijzen althans een contactregeling vast te stellen welke in het belang is van [het kind].

2.3 Ter griffie van het hof is op 18 juni 2010 een brief van mr. Van Arkel-Van Gasselt van 17 juni 2010 met bijlagen binnengekomen.

2.4 De mondelinge behandeling heeft op 1 juli 2010 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen bijgestaan door hun advocaten. Namens de Raad voor de Kinderbescherming (verder: de raad) is [...] verschenen. Namens de stichting is verschenen [...]. Tevens is I.K. Bensmail als tolk voor de moeder verschenen.

2.5 Het hof heeft kennisgenomen van de stukken van de eerste aanleg, waaronder twee rapporten van de raad van 7 april 2009 en 23 september 2009.

3. De vaststaande feiten

3.1 Uit de – inmiddels verbroken - relatie van de moeder en de vader is op [geboortedatum] 2001 geboren [het kind], verder te noemen “[het kind]”. De vader heeft [het kind] erkend. De ouders zijn gezamenlijk belast met het gezag over [het kind].

3.2 Bij verzoekschrift, ingekomen bij de rechtbank Arnhem op 12 november 2008, heeft de vader verzocht te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van [het kind] bij hem zal zijn en bij akte wijziging verzoek van 6 januari 2009 heeft de vader verzocht hem alleen te belasten met de verzorging en opvoeding van [het kind].

3.3 Bij beschikking van 21 april 2009 heeft de kinderrechter in de rechtbank Arnhem [het kind] onder toezicht gesteld van de stichting met ingang van 21 april 2009 tot 21 januari 2010, welke termijn is verlengd bij beschikking van 20 januari 2010 tot 21 januari 2011.

3.4 Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, als regeling ter verdeling van zorg- en opvoedingstaken tussen de moeder en [het kind] vastgesteld éénmaal per week (vooralsnog) begeleid contact gedurende minimaal een halve dag, waarbij de gezinsvoogdes bij goed verloop bevoegd is tot verdere uitbreiding van de omgangscontacten over te gaan.

4. De motivering van de beslissing

4.1 In geschil is de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken voor [het kind].

4.2 Op grond van artikel 1:253a BW kan de rechter op verzoek van de ouders of een van hen een regeling vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag. Deze regeling kan omvatten een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken.

4.3 De rechter neemt een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt. De rechter dient bij zijn beslissing alle omstandigheden van het geval in acht te nemen, wat er in een voorkomend geval toe kan leiden dat andere belangen zwaarder wegen dan het belang van het kind, hoezeer ook dat belang een overweging van de eerste orde dient te zijn bij de te verrichten afweging van belangen (HR 25 april 2008, NJ 2008, 414).

4.4 Uitgangspunt in de onderhavige zaak is dat beide ouders gezamenlijk gezag over [het kind] uitoefenen en dat de moeder een andere omgangsregeling wenst dan door de kinderrechter is vastgesteld. Het hof is van oordeel dat, gelet op de inhoud van de rapporten van de raad van 7 april 2009 en 23 september 2009, er geen aanleiding is om de omgangsregeling uit te breiden zoals verzocht. Uit voormelde rapporten blijkt dat de moeder niet altijd adequaat invulling heeft gegeven aan haar rol als ouder. De interactiepatronen tussen de moeder en [het kind] vindt de raad zorgelijk. De moeder is emotioneel en labiel en kan vreemd gedrag vertonen. Tijdens het onderzoek van het Nederlands Instituut Forensische Psychiatrie en Psychologie (NIFP) zijn de pedagogische en affectieve mogelijkheden van de moeder als matig ingeschat. De moeder is sterk betrokken op [het kind] en doet haar best, zij slaagt er echter onvoldoende in om aan te sluiten bij de ontwikkelingsbehoeften van [het kind]. Het contact tussen haar en [het kind] doet enigszins kunstmatig aan en zij lijkt [het kind] voor zichzelf nodig te hebben. De moeder profiteert nog weinig van de feedback die zij vanuit de betrokken hulpverlening aangereikt krijgt, aldus de raad. De raad adviseerde in voormeld rapport van 23 september 2009 de rechtbank, voor zover hier van belang, om de omgang tussen [het kind] en de moeder zoals dat ten tijde van het rapport er was, van één uur begeleid contact per week, voorlopig te continueren. De omgang kan dan in overleg met de betrokken gezinsvoogd worden uitgebreid, wanneer vanuit [het kind] blijkt dat hij behoefte heeft aan meer contact met de moeder of indien de vaardigheden van de moeder om met [het kind] om te gaan toenemen. Ter zitting heeft de raad desgevraagd geadviseerd de bestreden beschikking te bekrachtigen. Gelet op het vorengaande zal het hof dan ook de bestreden beschikking bekrachtigen voor zover die ziet op de door de kinderrechter vastgestelde omgangsregeling van éénmaal per week gedurende minimaal een halve dag.

4.5 Op grond van artikel 1:263b BW kan de kinderrechter op verzoek van de stichting een eerdere rechterlijke beslissing tot vaststelling van een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht voor de duur van de maatregel wijzigen voor zover dat noodzakelijk is met het oog op het doel van de ondertoezichtstelling. Ter mondelinge behandeling is gebleken dat het feitelijke contact tussen de moeder en [het kind] minder is dan uit de beschikking van de rechtbank voortvloeit. Gelet op het bepaalde in artikel 1:263b BW ligt het op de weg van de stichting/gezinsvoogd om een wijziging van de omgangsregeling te vragen indien en voor zover zij daartoe aanleiding ziet. In geval van een ondertoezichtstelling kan niet zonder tussenkomst van de rechter de omgangsregeling worden gewijzigd.

4.6 De kinderrechter heeft, naast de vaststelling van de omgangsregeling éénmaal per week gedurende minimaal een halve dag, bepaald dat de gezinsvoogd bij goed verloop bevoegd is tot verdere uitbreiding van de omgangscontacten over te gaan. Met grief III komt de moeder tegen dit onderdeel van de beschikking van de kinderrechter op. De grief slaagt. De gezinsvoogd is, gelijk hiervoor onder 4.5 is overwogen, in een geding tussen de ouders waarbij als toetsingsgrondslag artikel 1:253a BW heeft te gelden, niet bevoegd zelfstandig een omgangsregeling (nader) vast te stellen. Gesteld noch gebleken is dat de stichting in dit geding een verzoek als bedoeld in artikel 1:263b BW heeft gedaan.

4.7 Uit het voorgaande volgt dat het hof de beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, deels dient te bekrachtigen en deels te vernietigen.

5. De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Arnhem van 20 november 2009, voor zover die ziet op de door de kinderrechter vastgestelde omgangsregeling van éénmaal per week gedurende minimaal een halve dag;

vernietigt die beschikking voor zover die ziet op de mogelijkheid van de gezinsvoogd om de omgangsregeling te wijzigen;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.H.H.A. Moes, M.F.J.N. van Osch en C.W.P. van Gelder, bijgestaan door mr. W. Nagelhout als griffier, en is op 10 augustus 2010 uitgesproken ter openbare terechtzitting in tegenwoordigheid van de griffier.