Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2010:BN6413

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
10-09-2010
Datum publicatie
10-09-2010
Zaaknummer
21-002061-07
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBARN:2007:BA4541, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vierdaagse-rellen 2005. Vrijspraak van het vals opmaken van proces-verbaal.

Verbalisant (“biker”) werd onvoorbereid en onbeschermd geconfronteerd met extreme en grootschalige geweldssituatie. Uit het dossier blijkt niet dat de verklaring in het proces-verbaal vals is. Zo dat laatste al het geval zou zijn acht het hof – niettegenstaande de bij de Rijksrecherche afgelegde bekennende verklaring – niet bewezen dat het opzet van verdachte bij het opmaken van zijn proces-verbaal – op het doen van een onware opgave feiten gericht was.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 207
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 552
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NBSTRAF 2011/5
NbSr 2011/5
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Sector strafrecht

Parketnummer: 21-002061-07

Uitspraak d.d.: 10 september 2010

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Arnhem van

7 mei 2007 in de strafzaak tegen

[Verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende te [woonplaats], [adres].

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 29 januari 2010 en 27 augustus 2010 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd (zie voor de inhoud van de vordering bijlage I). Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr J. Boksem, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 20 januari 2006 te Nijmegen, althans in Nederland,

in een geval waarin een wettelijk voorschrift een verklaring onder ede

vordert en/of daaraan rechtsgevolgen verbindt, opzettelijk schriftelijk

persoonlijk, een valse verklaring heeft afgelegd door toen daar in een door

hem, verdachte, schriftelijk op ambtseed opgemaakt proces-verbaal van

bevindingen van 20 januari 2006, opzettelijk in strijd met de waarheid te

vermelden: "Op een gegeven moment zag ik dat de man die op de trede van de VIP

tribune lag een slaande beweging maakte richting [medeverdachte]. Ik zag dat hij met

kracht, terwijl hij zich achter [medeverdachte] bevond, uit diens gezichtsveld, met

gebalde vuist tegen het hoofd van [medeverdachte] sloeg".

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak

Inleiding

Het incident dat in deze zaak centraal staat, heeft zich voorgedaan op 23 juli 2005 en laat zich kort samengevat als volgt omschrijven. Op zaterdag 23 juli 2005, vanaf omstreeks 02:00 uur, vonden er aan het einde van de Vierdaagsefeesten in Nijmegen ongeregeldheden plaats op het terrein onder de Waalbrug. Dit terrein was ingericht als feestterrein voor het zogeheten het Matrixxfeest. Tijdens deze ongeregeldheden trad de politie op tegen ordeverstoorders. Toen politieambtenaren het feestterrein betraden, keerde dit deel van het publiek zich tegen hen. Er werden flessen, plastic bekers, stenen en andere voorwerpen naar de politie gegooid. Om het terrein te ontruimen en de wanordelijkheden te beëindigen trad de politie met geweld op tegen het publiek dat zich desverlangd niet verwijderde van het feestterrein. De politieambtenaren, die als eersten ter plaatse waren, zagen zich plotseling en onvoorbereid geplaatst tegenover een overmacht van mensen uit het publiek, die de confrontatie met de politie zochten, terwijl een ander deel van het publiek het spektakel onder meer vanaf de VIP-tribune gadesloeg. De sfeer was dreigend en grimmig en werd niet minder angstaanjagend toen zij even later geassisteerd werden door van elders opgeroepen collega’s, onder wie hondengeleiders, agenten van het bikersteam (fietsers) en ruiters te paard. Onder de hondengeleiders bevond zich [medeverdachte] en onder de bikers bevond zich verdachte. Bij deze confrontatie raakten zowel politiemensen als burgers gewond.

Na deze nacht is, voor zover van belang en kort samengevat, achtereenvolgens onder meer het volgende gebeurd:

- Op 25 juli 2005 heeft [betrokkene 1] aangifte van zware mishandeling gedaan tegen een politieambtenaar met hond.

- Op 28 juli 2005 heeft [medeverdachte] aangifte van zware mishandeling tegen NN-verdachten gedaan.

- Op 29 september 2005 heeft het Bureau Interne Onderzoeken (BIO) van de politie Gelderland opdracht gekregen een intern oriënterend feitenonderzoek in te stellen naar onder andere de aangifte van [betrokkene 1].

- Op 17 oktober 2005 heeft het BIO gerapporteerd.

- Op 29 november 2005 heeft de korpsleiding naar aanleiding daarvan een onderzoek door de Rijksrecherche geëntameerd naar de rechtmatigheid van de geweldsaanwending door [medeverdachte] tegen onder andere [betrokkene 1].

- Op 13 december 2005 heeft het BIO het dossier en beeldmateriaal van de rellen overhandigd aan de belangenbehartiger van [medeverdachte].

- Op 17 december 2005 heeft [medeverdachte] aangifte tegen [betrokkene] gedaan.

- Op 28 december 2005 is verdachte verhoord bij het BIO in verband met het onderzoek tegen [medeverdachte]. Verdachte heeft hierbij een door hem opgemaakt (concept-) proces-verbaal overhandigd waarin hij verklaart over een mishandeling van [medeverdachte] door ”een man, die op de trede van de Vip-tribune lag”.

- Op 19 januari 2006 heeft [medeverdachte] een proces-verbaal opgemaakt terzake aanvulling en wijziging van zijn aangifte.

- Op 6 maart 2006 is verdachte door de Rijksrecherche gehoord. Hij heeft hierbij opnieuw het door hem op 20 januari 2006 definitief opgemaakte proces-verbaal van bevindingen overhandigd waarin hij verklaart over genoemde mishandeling van [medeverdachte].

- Op 9 februari 2006 heeft [betrokkene 1] in aanvulling op zijn aangifte een verklaring afgelegd.

- Op 23 mei 2006 en 1 juni 2006 is verdachte gehoord door de Rijksrecherche waar hij heeft verklaard dat hij zijn proces-verbaal van bevindingen niet conform de waarheid heeft opgemaakt.

Verdachte is uiteindelijk beschuldigd van meineed door in zijn proces-verbaal van bevindingen van 20 januari 2006 opzettelijk en in strijd met de waarheid kort gezegd te vermelden dat hij heeft gezien dat een man op de VIP-tribune met gebalde vuist tegen het hoofd van [medeverdachte] sloeg.

Standpunt raadsman

De raadsman heeft in zijn pleidooi aangegeven dat er drie mogelijke scenario’s zijn in onderhavige zaak, te weten:

1. De vermelding in het proces-verbaal van bevindingen is juist. In dat geval kan niet worden bewezen dat verdachte een valse verklaring heeft afgelegd.

2. De verklaring in het proces-verbaal geeft de feitelijke toedracht niet helemaal juist weer, maar verdachte was (op het moment dat hij het verbaal opmaakte) in de veronderstelling dat wat hij opschreef wel juist was. In dat geval kan niet worden bewezen dat hij opzettelijk een valse verklaring heeft afgelegd.

3. De verklaring in het proces-verbaal is bewust onjuist opgemaakt. In dat geval ligt een bewezenverklaring voor de hand.

De raadsman acht de eerste twee scenario’s het meest waarschijnlijk. Er is onvoldoende objectief bewijsmateriaal voorhanden om met overtuiging te kunnen vaststellen dat het derde scenario het juiste scenario is. Voor verdachte moet daarom een vrijspraak volgen, aldus de raadsman.

Standpunt advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft in haar requisitoir betoogd dat het tenlastegelegde kan worden bewezen. Op grond van de verklaringen van verdachte, afgelegd bij de rijksrecherche op 23 mei 2006 en 1 juni 2006, in samenhang met de verklaringen van [betrokkene 1] en de videobeelden is zij van oordeel dat het proces-verbaal van bevindingen van verdachte van 20 januari 2006 waarin verdachte expliciet aangeeft duidelijk te hebben gezien dat de man die op de trede van de VIP-tribune lag, met gebalde vuist op het hoofd van [medeverdachte] sloeg, geen relaas betreft van eigen waarneming en bevinding van verdachte, terwijl hij dat wel zo heeft doen voorkomen en dat dit proces-verbaal daardoor niet naar waarheid is opgemaakt.

De van belang zijnde verklaringen en de videobeelden

Op 25 juli 2005 deed [betrokkene 1] tegen een politieambtenaar met hond aangifte van zware mishandeling . [Betrokkene 1] heeft onder meer, zakelijk weergegeven, het volgende verklaard: “De politie voerde een charge uit. Op een gegeven moment werd ik naar voren getrokken. Ik zag en voelde dat ik een politiehond aan mijn linkeronderbeen bij mijn enkel had. Ik voelde hondentanden in mijn been staan, ik voelde pijn. De hond sleepte mij een paar meter vooruit in de richting van de politie. Ik voelde en zag dat de politiehond zijn tanden in mijn rechterarm had gezet.”

Op 9 februari 2006 heeft [betrokkene 1] in aanvulling op zijn aangifte het volgende verklaard: “Ik stond op de tribune. Ik voelde opeens dat ik aan mijn been naar beneden werd getrokken. Ik viel met mijn rug op de tribune en dat deed pijn. Ik werd ongeveer twee meter naar het plein, dus richting de politie, getrokken door de greep om mijn been. Ik zag toen pas dat ik was gegrepen door een hond. Ik lag half op de grond en ik zag de hond aan mijn been hangen. Hij had mijn been nog steeds vast. Ik zag dat het een grote herdershond was. Meteen toen ik op het plein terechtkwam, voelde ik dat ik door een agent werd geslagen. Ik heb geen geweld gebruikt tegen de politie.”

Ter terechtzitting van de rechtbank en later bij het hof is [betrokkene 1] bij bovenstaande verklaringen gebleven.

Op 28 juli 2005 werd door [medeverdachte] aangifte van zware mishandeling tegen NN-verdachten gedaan. Hij heeft verklaard dat hij tijdens de rellen door een man tegen zijn bovenarm is geslagen, dat hij door onbekend gebleven personen tegen zijn benen, armen en rug is geschopt en dat hij door een steen op zijn linkeronderarm is geraakt.

Op 17 december 2005 heeft [medeverdachte] aangifte tegen [betrokkene 1] gedaan. Hij heeft, onder meer, het volgende verklaard: “Ik zag op een gegeven moment dat [betrokkene 1] luid schreeuwend op mij en mijn politiehond kwam aflopen. Hij bevond zich op het onderste plateau van de tribune. Ik liet de lijn vieren en gaf mijn diensthond het commando ‘vast’. Ik zag dat mijn hond in het linkeronderbeen van [betrokkene 1] beet. [Betrokkene 1] verloor zijn evenwicht en viel op de grond. Ik bleef aan de riem trekken, waardoor [betrokkene 1] over de grond in de richting van de linie werd getrokken. Op het moment dat ik vlakbij de linie was, pakte ik de halsband van mijn diensthond met beide handen vast en ik riep mijn hond toe dat hij los moest laten. Ik had mij hiertoe voorover gebogen. Op het moment dat de hond losliet, werd ik met kracht op mijn achterhoofd geslagen. Ik zag en voelde dat [betrokkene 1] met een gebalde linkervuist en met veel kracht aan de rechterzijde/achterkant van mijn hoofd sloeg. Op dat moment voelde ik een stekende pijn in mijn hoofd en korte tijd was ik versuft door de klap en daardoor liet ik de hond weer los. Ik zag dat mijn diensthond [betrokkene 1] vervolgens in zijn linkerzij beet. Ik zag dat [betrokkene 1] zwaaiende en slaande bewegingen bleef maken met beide armen. Ook zag ik dat hij totaal niet reageerde op het bijten van mijn diensthond. Om controle over de situatie en over [betrokkene 1] te krijgen, heb ik hem vervolgens een klap tegen zijn hoofd gegeven.”

Op 19 januari 2006 heeft [medeverdachte] een proces-verbaal opgemaakt terzake aanvulling en wijziging van zijn aangifte. Hij heeft verklaard dat hij zich bij het doen van zijn aangifte tegen [betrokkene 1] heeft vergist in de volgorde van twee handelingen. Tijdens de trapbeweging van [betrokkene 1]en het direct daarop laten inbijten van zijn diensthond op de linkerenkel van [betrokkene 1] verloor [betrokkene 1] zijn evenwicht doordat hij uit balans werd gebracht. [Betrokkene 1] viel op het onderste plateau van de VIP-tribune welke zich 50 centimeter boven het straatniveau bevond. Op dat moment heeft [medeverdachte] met beide handen de halsband van zijn diensthond vastgepakt teneinde hem zo snel mogelijk los te maken van [betrokkene 1]. Op dat moment heeft [betrokkene 1] kans gezien om hem met gebalde vuist tegen het achterkant van zijn hoofd te slaan. Hierdoor voelde [medeverdachte] een stekende pijn in zijn achterhoofd en liet hij voor een moment de halsband van zijn diensthond los waardoor deze overbeet naar het bovenbeen c.q. de heup van [betrokkene 1]. Vervolgens is [medeverdachte] richting de linie van zijn collegae gelopen en heeft hij [betrokkene 1] over de grond meegesleept.

Op 28 december 2005 is verdachte gehoord door ambtenaren van het BIO in verband met het onderzoek tegen [medeverdachte].Verdachte heeft hierbij een door hem opgemaakt (concept-) proces-verbaal overhandigd waarin hij verklaart over de mishandeling van [medeverdachte] door “een man, die op de trede van de Vip-tribune lag”. Dit proces-verbaal, inmiddels gedateerd op 20 januari 2006, heeft hij later ook aan de Rijksrecherche gegeven als bijlage bij het proces-verbaal van verhoor van 6 maart 2006. Daarin heeft hij het volgende gerelateerd: “Ik zag dat [medeverdachte] werd geschopt door een man op zijn bovenlichaam. Direct daarop zag ik dat [medeverdachte] zijn diensthond op het been van deze man liet stellen. Ik zag dat de man hierdoor zijn evenwicht verloor en op een trede viel van de tribune. Ik zag dat [medeverdachte] daarop [diensthond] bij zijn halsband vastpakte met beide handen om [diensthond] van de man af te halen. Ik zag dat [medeverdachte] hierdoor helemaal geen bescherming meer had. Ik zag dat [medeverdachte] vervolgens werd aangevallen door een aantal personen vanaf de VIP-tribune aan zijn rechterzijde, dit kunnen er twee zijn geweest of meer, ik weet het niet meer precies, het ging allemaal heel snel. Ik zag dat [medeverdachte] hierdoor zijn hoofd bijdraaide naar rechts. Ik zag dat er slaande bewegingen werden gemaakt richting [medeverdachte]. Of [medeverdachte] hierbij geraakt is, weet ik niet, dit kon ik niet goed zien. Ik moest mezelf ook constant afschermen van voorwerpen die in onze richting werden gegooid. Op een gegeven moment zag ik dat de man die op de trede van de VIP-tribune lag, een slaande beweging maakte richting [medeverdachte]. Ik zag dat hij met kracht, terwijl hij zich achter [medeverdachte] bevond uit diens gezichtsveld, met gebalde vuist tegen het hoofd van [medeverdachte] sloeg. Ik zag dat [medeverdachte]l in elkaar dook met zijn bovenlichaam naar voren gericht, met zijn hand richting zijn hoofd greep en in onze richting draaide. Uit de gelaatsuitdrukking van [medeverdachte] zijn gezicht, kon ik opmaken dat [medeverdachte] hier hevige pijn van ondervond. Het signalement van de man die [medeverdachte] heeft geslagen kan ik me niet herinneren. Dit gebeurde allemaal in enkele seconden, mede door de angst en grote spanning heb ik het niet kunnen opnemen in mijn gedachten.”

Op 23 mei 2006 en 1 juni 2006 is verdachte gehoord bij de Rijksrecherche waar hij, kort gezegd, heeft verklaard dat hij zijn proces-verbaal van bevindingen niet conform de waarheid heeft opgemaakt. Hij heeft in de verhoren aangegeven onder druk te zijn gezet door [medeverdachte] om te verklaren dat [medeverdachte] zou zijn geslagen.

Ter terechtzitting van de rechtbank en in hoger beroep is verdachte teruggekomen op zijn verklaring bij de Rijksrecherche en heeft hij aangegeven dat hij door de Rijksrecherche onder druk is gezet om te verklaren dat zijn eerdere verklaring in het proces-verbaal van 20 januari 2006 niet kon kloppen.

In het dossier bevindt zich tevens een DVD met opnamen gemaakt door de organisatie van het Matrixxfeest. Deze beelden zijn aan de politie ter beschikking gesteld en door het NFI gestabiliseerd en verhelderd. Het bijtincident rondom [betrokkene 1] is gedeeltelijk zichtbaar op de beeldnummers 8687 tot en met 9200. Het hof heeft deze videobeelden op de zitting van 29 januari 2010 bekeken en heeft waargenomen dat te zien is dat één persoon ([betrokkene 1]) van de tribune naar het middenterrein wordt gesleept door een aangelijnde hond. De betrokken persoon krijgt van [medeverdachte] een slag of stoot toegediend.

Daarnaast heeft het hof, onder meer, het volgende waargenomen:

- Tussen [medeverdachte] die uiterst rechts in beeld staat en de op de grond liggende persoon met hond, genaamd [betrokkene 1], is een man met een rode trui en grijze broek zichtbaar. Het lijkt alsof de man met zijn benen gekruist op de onderste tree van de tribune zit.

- Vervolgens is zichtbaar dat de man met de rode trui zijn rechterarm en -hand ter hoogte van zijn schouder heeft opgeheven in de onmiddellijke nabijheid van het hoofd van [medeverdachte].

- Op beeldnummer 8794 is te zien is dat het gelaat van de man met de rode trui is gericht in de richting van het hoofd van [medeverdachte].

- De man met de rode trui heeft zijn rechterhand naar beneden. [Medeverdachte] staat in gebogen houding naar beneden.

- Op de beelden is te zien dat [betrokkene 1] en verdachte aan het zicht worden onttrokken door voorbijgaande politiemensen.

- Op beeldnummer 9008 is te zien dat (vermoedelijk) [betrokkene 1] omhoog komt, met zijn rug in de richting van de tribune, terwijl zijn gezicht voor hem gezien naar links is gekeerd. Achter [betrokkene 1] is de man in de rode trui zichtbaar.

De deskundige Ruifrok heeft, desgevraagd, op zitting verklaard dat de camera tijdens het incident gedurende 4 beeldjes is weggedraaid. Dit beslaat een periode van ongeveer 4/25 seconde.

Oordeel hof

Verdachte heeft een proces-verbaal van bevindingen opgemaakt van zijn ervaringen tijdens de Matrixxrellen. In dat proces-verbaal beschrijft hij, zoals hiervoor weergegeven, in een paar zinnen dat hij heeft gezien dat “de man die zich op de VIP tribune bevond” [medeverdachte] een klap op zijn hoofd gaf. Die persoon is door verdachte niet nader benoemd of omschreven. Op de volgende gronden komt het hof tot een vrijspraak.

* Het is naar het oordeel van het hof in de eerste plaats niet duidelijk op welk incident deze verklaring betrekking heeft. Mogelijk verwijst verdachte naar het incident met [betrokkene 1], maar dit is niet zeker. [Medeverdachte] heeft verklaard dat hij bij herhaling is aangevallen. Ook [getuige 1], die als ME lid op het Matrixx terrein aanwezig was, heeft aangegeven dat een aantal mensen die zich op de VIP- tribune bevonden, [medeverdachte] hebben belaagd. Voorts heeft het hof geconstateerd dat niet alle incidenten op de videobeelden te zien zijn en dat evenmin het verloop van het incident, waarbij [betrokkene 1] betrokken was, van het begin tot het eind aan de hand van die beelden vastgesteld kan worden.

Gelet hierop is het hof van oordeel dat reeds om deze reden niet kan worden gesteld dat verdachte een valse verklaring heeft afgelegd door te relateren dat hij heeft gezien dat “de man die zich op de VIP tribune bevond” [medeverdachte] een klap op zijn hoofd gaf.

* Verdachte heeft op 23 mei en 1 juni 2006 tegenover de Rijksrecherche –kort gezegd– verklaard dat hij door [medeverdachte] onder druk is gezet een proces-verbaal op te stellen waarin hij –verdachte– opzettelijk in strijd met de waarheid heeft vermeld te hebben waargenomen, dat [medeverdachte] door “de man die zich op de VIP tribune bevond” geslagen werd en dat hij –verdachte– wist dat wat hij in het proces-verbaal van 20 januari 2006 daaromtrent relateerde in strijd met de waarheid was. Het hof acht deze verklaringen van verdachte evenwel niet betrouwbaar.

Ten eerste heeft verdachte ter terechtzitting van de rechtbank en het hof zijn verklaringen bij de Rijksrecherche herroepen en verklaard dat hij het proces-verbaal van 20 januari 2006 naar beste weten en kunnen naar waarheid heeft opgesteld. De motivering daarvoor luidt – kort gezegd – dat hij onvoldoende in staat was om het verhoor door de Rijksrecherche te ondergaan en als gevolg daarvan onjuiste verklaringen heeft afgelegd. Het hof stelt voorop dat het uit de verklaringen die de verbalisanten van de Rijksrecherche [getuige 2], [getuige 3] en [getuige 4] bij de rechtbank hebben afgelegd, afleidt dat objectief bezien geen onaanvaardbare druk op verdachte is uitgeoefend. Desalniettemin acht het hof het aannemelijk dat de mentale conditie waarin verdachte in die periode verkeerde, hem onvoldoende in staat heeft gesteld adequaat antwoord te geven op de indringende en gedetailleerde vraagstelling, die inherent is aan een dergelijk onderzoek. Verdachte was een nog niet erg ervaren politieman die in zijn persoonlijk leven in die periode heftige ervaringen doormaakte. Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting de indruk gekregen dat verdachte bovengemiddeld ontvankelijk was voor beïnvloeding van buitenaf wanneer hij onder druk stond. Bij de verhoren door de Rijksrecherche werd hij onverwacht met een ernstige verdenking geconfronteerd en werden gegevens gepresenteerd – in het bijzonder omtrent hetgeen op de video-opnamen al dan niet te zien zou zijn - waardoor hij naar het hof begrijpt kennelijk van zijn stuk werd gebracht.

Daarbij komt het volgende.

- Het hof acht – mede op grond van de verklaringen van [getuige 5] en [getuige 6] die bij het tonen van de beelden ten huize van verdachte eveneens aanwezig waren - niet aannemelijk dat [medeverdachte] het ertoe heeft geleid dat verdachte toen bewust in het proces-verbaal anders heeft verklaard over de toedracht dan hij op dat moment meende dat deze geweest was. Naar het oordeel van het hof kan zulks ook niet worden afgeleid uit de omstandigheid dat kopieën van delen van documenten van [medeverdachte] in de computer van verdachte zijn aangetroffen.

- Het proces-verbaal van verdachte is meer dan vier maanden na de gebeurtenissen van 23 juli 2005 opgemaakt. Er bestaat een gerede kans dat als gevolg van het lange tijdsverloop de herinnering van verdachte op het moment van het proces-verbaal niet overeenkwam met de werkelijke toedracht. Het is een feit van algemene bekendheid dat de herinnering kan worden vertroebeld naarmate de gebeurtenis langer geleden heeft plaatsgevonden. Het hof wijst erop dat niet voor niets in het Wetboek van Strafvordering is voorgeschreven dat een proces-verbaal ten spoedigste moet worden opgemaakt (artikel 152 Wetboek van Strafvordering). Het hof sluit niet uit dat deze factor ook een rol heeft gespeeld bij de verhoren van verdachte door de Rijksrecherche toen hij met een bepaalde interpretatie van de video-opnamen werd geconfronteerd die niet leek te passen bij hetgeen verdachte in zijn proces-verbaal had gerelateerd.

- De gebeurtenissen op 23 juli 2005 waren kennelijk traumatiserend voor verdachte. Deze factor is waarschijnlijk in twee opzichten met betrekking tot verdachte van belang, namelijk voor de waarneming en inprenting van de gebeurtenissen op 23 juli 2005 en voor verdachte’s reactie bij de confrontatie met een bepaalde interpretatie van de video-opnamen bij de verhoren door de Rijksrecherche waardoor hij uit zijn evenwicht was gebracht.

Uit de in het dossier aanwezige verklaringen van politieagenten, waaronder [medeverdachte] en verdachte, de dvd met de videobeelden en in het bijzonder de verklaringen van verdachte op de zittingen van het hof is naar voren gekomen dat de situatie tijdens de nacht van de rellen, voor de aldaar aanwezige agenten, extreem bedreigend, chaotisch en gewelddadig was.

Dat extreme omstandigheden van invloed kunnen zijn op de waarneming en inprenting en daarmee op de werking van het geheugen is een feit van algemene bekendheid. Zo heeft P.J. van Koppen onder meer beschreven dat emoties in principe leiden tot een beter verwerken en vastleggen van informatie in het geheugen, totdat er een optimum in de relatie tussen emotie en het vastleggen van geheugensporen is bereikt. Bij zeer heftige emoties zijn de fysiologische reacties echter zo sterk dat het effect op het geheugen juist negatief wordt.

Het hof acht aannemelijk dat verdachte aan zeer extreme omstandigheden heeft blootgestaan en daarvan gevolgen heeft ondergaan.

[Medeverdachte] heeft daar in zijn aangifte van 17 december 2005 het volgende over verklaard: “Op zaterdag 23 juli 2005 omstreeks 02:00 uur hoorde ik via mijn portofoon dat er kennelijk vechtpartijen waren uitgebroken op een feestterrein gelegen onder de Waalbrug. (…) Ik hoorde over de portofoon dat constant de noodknop ingedrukt werd door verschillende collegae die belaagd werden door relschoppers op voornoemd terrein. Ik hoorde duidelijk dat deze collega’s in nood waren. Ik hoorde collega’s in paniek schreeuwen dat zij assistentie nodig hadden en dat er meerdere collega’s ter plaatse moesten komen. (…) Ik zag dat een hele grote groep bezoekers zich tegen circa tien politieagenten hadden gekeerd en ik zag dat er politieagenten bekogeld werden met stenen, flessen, tafels en glazen door een mensenmassa die zich voornamelijk op de zogenaamde Vip-tribune bevond. Ik zag dat diverse collega’s geraakt werden door de voorwerpen die door de groep gegooid werden. Ik zag dat collega’s moesten wegduiken om niet geraakt te worden. (…) Ik hoorde een hoop geschreeuw van de tribune af komen en zag dat er met allerlei voorwerpen in mijn richting werd gegooid. Ik was bang dat ik geraakt zou worden, mede doordat ik geen beschermende kleding droeg. (…) Ik kan verder verklaren dat ik de situatie in die nacht als zeer bedreigend heb ervaren. Ik ben geschrokken van de hoeveelheid geweld dat er die nacht tegen mij en mijn collega’s is gebruikt. Ik heb diverse collega’s met verwondingen gezien, zoals bebloede gezichten. Ook zag ik de angst van mijn collega’s in hun ogen.”

Verder heeft verdachte ter terechtzitting van het hof van 29 januari 2010 het volgende verklaard: “Toen ik aankwam bij het terrein was het net een enge film. Ik hoorde allemaal geluiden. Je weet niet wat je overkomt. (…) Ik hoorde over mijn oortje dat de collega’s in grote nood waren. Er stonden overal mensen met spullen, zoals een paraplu, een riem of een gesp. We werden geslagen en er werden van alle kanten met dingen gegooid. Vanaf de tribune vlogen er dingen door de lucht en er werden stenen van bovenaf de brug gegooid. Toch ga je helpen. Er was geen enkele structuur. Het enige wat je hoopt, is dat het heel snel ochtend wordt. Ik had geen enkele geweldsmiddelen bij me. Het ergste was die enorme menigte. Er werd afgeteld van drie naar één. Je weet dat ze bij één met z’n allen komen. Dat is echt verschrikkelijk. Je staat helemaal machteloos. Ik had totaal geen bescherming. Ik had enkel een fietshelmpje op met wat schuimrubber aan de binnenkant. (…) Ik zag collega’s met bebloede gezichten en wonden. Het duurde allemaal zo lang en iedereen drukte tegelijk op de knop van de portofoon om assistentie te vragen.”

[Getuige 7] heeft de nacht van de rellen als groepscommandant van de ME dienst gedaan. Hij heeft bij de Rijksrecherche verklaard: “Het was te merken dat ieder van de ME leden behoorlijk onder de indruk was van hetgeen zij daar meegemaakt hebben. Normaal na een optreden worden er wel grappen gemaakt en lol gemaakt. Nu was het rustig in de bus en niemand zei eigenlijk iets. Wij hebben het gevoel gehad dat we daar hebben gevochten voor ons leven.”

[Getuige 8] maakte op 23 juli 2005 deel uit van de Mobiele Eenheid en heeft bij de Rijksrecherche verklaard: “Op datzelfde moment werd bier in onze richting gegooid. Ik hoorde ook glas vallen en er ontstond onmiddellijk een heel agressieve sfeer in onze richting. Het publiek dat vlak voor ons stond schreeuwde hard in onze richting. Het was enorm agressief. (…) Er werd toen van alles in onze richting gegooid. Ik hoorde af en toe het suizen van dingen die langs mij vlogen. Wij hadden geen enkele bescherming, met name niet voor ons hoofd. Ik keek op een gegeven ogenblik naar links en zag dat een collega een volle fles cola tegen zijn hoofd gegooid kreeg. Ik zag dat zijn hoofd wegsloeg door de klap van de fles. (…) Ik vond op het moment dat wij op het Matrixxterrein stonden echt oorlog. Er ging een enorme dreiging uit van het publiek. De situatie was echt levensbedreigend. De veiligheid was ver te zoeken. Wij stonden met onze hoofden onbeschermd en zouden ieder moment geraakt kunnen worden met van alles en nog wat.”

Andere agenten die deel uitmaakten van de Mobiele Eenheid hebben soortgelijke verklaringen afgelegd.

Het hof heeft bij de waardering van verdachte’s verklaringen tegenover de Rijksrecherche voorts in aanmerking genomen dat het uit de verslagen van de telefoongesprekken, die in het kader van het lopend onderzoek buiten medeweten van verdachte werden getapt, de indruk gekregen dat verdachte hetgeen hij zich herinnerde naar eer en geweten in het proces-verbaal van 20 januari 2006 heeft willen opnemen, zonder dat daarbij gebleken is van ongeoorloofde beïnvloeding van derden.

Het hof acht daarom – zo er al sprake zou zijn van een onware opgave van feiten in dat proces-verbaal- niet bewezen dat het opzet van verdachte bij het opmaken daarvan op die onwaarheid gericht is geweest.

Gelet op al hetgeen het hof hierboven heeft overwogen kan de conclusie niet anders luiden dan dat verdachte moet worden vrijgesproken van het tenlastegelegde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.

Aldus gewezen door

mr P.R. Wery, voorzitter,

mr J.A.W. Lensing en mr M.J. Stolwerk, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr K.J.F. Roelofs-van Dinther, griffier,

en op 10 september 2010 ter openbare terechtzitting uitgesproken.