Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2010:BN5914

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
27-07-2010
Datum publicatie
03-09-2010
Zaaknummer
10-00031
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WOZ.

Woonark is een roerende zaak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2010/1529 met annotatie van Redactie
FutD 2010-2099
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector belastingrecht

nummer 10/00031

Uitspraakdatum: 27 juli 2010

Eerste meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

X te Z (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad (hierna: de Rechtbank) van 18 december 2009, nummer Awb 09/58, in het geding tussen belanghebbende

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Steenwijkerland (hierna: de Ambtenaar)

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Bij beschikking van 31 oktober 2008 is de waarde van de onroerende zaak, omschreven als a-straat 1w Z (hierna: het object), naar de waardepeildatum 1 januari 2007 voor het kalenderjaar 2008 op de voet van artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken vastgesteld op € 183 000. De beschikking is op één biljet verenigd met de aanslag van € 157,68 in de onroerendezaakbelasting wegens eigendom van het object.

1.2. Het bezwaar tegen de aanslag is bij uitspraak van de Ambtenaar ongegrond verklaard.

1.3. Het beroep tegen de uitspraak op het bezwaar is door de Rechtbank ongegrond verklaard.

1.4. Belanghebbende heeft hoger beroep ingesteld. Tot de stukken van het geding behoren het verweerschrift in hoger beroep en de daarin genoemde bijlagen alsmede de nadere stukken die op 18 juni 2010 van de Ambtenaar zijn ontvangen en op dezelfde dag in kopie doorgezonden aan de wederpartij.

1.5. Bij het onderzoek ter zitting op 14 juli 2010 te Arnhem is belanghebbendes gemachtigde gehoord. De Ambtenaar is aldaar met schriftelijke kennisgeving aan het Hof niet verschenen.

1.6. Van de zitting is het proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2. Vaststaande feiten

2.1. Belanghebbende is eigenaar en gebruiker van het object.

2.2. Het object bestaat uit een woonschip (hierna: ark) met tuinhuis op een perceel water van 10 146 m², kadastraal bekend gemeente P, sectie A, nummer 001.

2.3. Het tuinhuis is gebouwd op een steiger die met palen in de grond staat.

2.4. De ark zelf is van beton met een houten opbouw en heeft een kelder. De ark ligt los in het water en ligt aan een steiger. Als deze zou worden verwijderd, zou de ark wegdrijven.

2.5. De ark is niet voorzien van een motor voor de voortstuwing.

3. Geschil, standpunten en conclusies van partijen

3.1. Partijen houdt verdeeld, of de Ambtenaar de ark en het tuinhuis terecht als onroerend heeft aangemerkt en in de heffingsmaatstaf voor de onroerendezaakbelasting heeft begrepen.

3.2. Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend, de Ambtenaar bevestigend.

3.3. Elk van de partijen heeft voor haar standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van haar afkomstige stukken.

3.4. Daaraan is mondeling toegevoegd hetgeen is vermeld in het proces-verbaal van de zitting.

3.5. Belanghebbende concludeert in hoger beroep tot vernietiging van de aanslag.

3.6. De Ambtenaar concludeert primair tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank en subsidiair tot vermindering van de aanslag tot een, berekend naar een vastgestelde waarde van € 151 000.

4. Beoordeling vooreerst ambtshalve

In hoger beroep komt belanghebbende niet op tegen de vaststelling door de Rechtbank, dat uit het dossier niet blijkt dat de Ambtenaar uitspraak heeft gedaan op het bezwaar tegen de voormelde beschikking. Uit de uitspraak van de Ambtenaar, waarbij het bezwaar ongegrond is verklaard en de aanslag is gehandhaafd, volgt echter dat daarbij tevens, zij het niet met zoveel woorden, het bezwaar tegen de waardebeschikking ongegrond is verklaard. Indien dit anders was en hetzij de beschikking was vernietigd hetzij de vastgestelde waarde was verminderd, zou dit – gelet op artikel 30, leden 2 en 3, van de Wet waardering onroerende zaken – tot uiting hebben moeten komen in een vermindering van aanslag.

5. Beoordeling van het geschil

5.1. Uit de als bijlage G van het verweerschrift in eerste aanleg overgelegde foto maakt het Hof op, dat de ark volledig is omsloten door steigers. Ter zitting beaamt belanghebbende dit.

5.2. Zoals is beslist in het arrest van de Hoge Raad van 22 juli 1988, nr. 25 546 (BNB 1988/282; NJ 1989, 257), is een woonark niet een zaak die door bestemming onroerend is indien de grond en de daarbij liggende ark zich niet door onderling overeenstemmende eigenschappen zodanig onderscheiden van soortgelijke grond en soortgelijke arken dat de ark het kenmerk vertoont tot blijvend gebruik aan de hoofdzaak, de grond, te zijn verbonden. In het bijzonder is daarbij niet van belang de lange tijd gedurende welke de ark ter plaatse heeft gelegen – naar de Ambtenaar in dit geval heeft aangevoerd: ongeveer 25 jaar.

5.3. Dat de onderhavige woonark op een dusdanige wijze zou zijn verbonden met de oever dat sprake is van vereniging met de grond in de zin van artikel 3:3, lid 1, van het Burgerlijk Wetboek, kan niet worden aangenomen enkel op grond van de aansluiting op nutsleidingen en riolering. Aldus is beslist in het arrest van de Hoge Raad van 15 januari 2010, nr. 07/13305 (LJN: BK9136, Belastingblad 2010, blz. 224), onder verwijzing naar zijn hiervoor genoemde arrest van 22 juli 1988. Terecht voert belanghebbende onder verwijzing naar dit arrest aan, dat zijn ark die binnen de contouren van een steiger volkomen los op het water drijft een roerende zaak is. De omstan-digheid dat de ark omgeven wordt door steigers heeft betrekking op de omgeving van de ark en is niet te beschouwen als een naar buiten kenbare bijzonderheid van aard en inrichting van de ark zelf waardoor deze bestemd is om duurzaam ter plaatse te blijven.

5.4. Andere zodanige omstandigheden waardoor de ark haar zelfstandigheid als roerende zaak zou hebben verloren zijn in dit geding niet gesteld of gebleken. In het bijzonder is door de Ambtenaar niet gesteld dat de ark bestanddeel is van de omsluitende steigers, van de walkant en/of van het op palen in het water staande tuinhuis. In zoverre vergelijkt de Ambtenaar de ark vergeefs met de drijvende steigers waarover in de laatstbedoelde zin is geoordeeld in de procedu-re die is geëindigd met het door hem in het verweerschrift in eerste aanleg genoemde arrest van de Hoge Raad van 20 september 2002, nr. 37 128, LJN: AE7857, Belastingblad 2002, blz. 1142.

5.5. Belanghebbende bestrijdt de conclusie van de Ambtenaar dat de heffingsmaatstaf – alsmede, gelet op het onder ?4 overwogene, de bij beschikking vastgestelde waarde – moet worden verminderd tot € 151 000. Belanghebbende betwist de juistheid van deze waarde ook indien daarin de ark niet mede is begrepen. Daartegenover voert de Ambtenaar in het verweer-schrift in hoger beroep aan dat het overgrote deel van de waarde van het object zit in de magni-fieke ligging van het perceel en dat potentiële kopers vooral aangetrokken zullen worden door de locatie van het object en niet zozeer door de woonark zelf. In de opbouw van de door de Ambte-naar subsidiair verdedigde waarde geeft hij evenwel geen enkel inzicht. Bovendien heeft te gelden dat, indien de ark wordt betrokken in een belasting als bedoeld in artikel 221 van de Gemeentewet, de heffingsmaatstaf daarvoor mede wordt bepaald door de zogenoemde ligplaats-waarde. De prijs die in het economische verkeer voor een woonschip met vaste ligplaats zal kunnen worden verkregen, wordt immers mede bepaald door objectieve verwachtingen omtrent de mogelijkheid dat het woonschip zal kunnen blijven liggen op de plaats waaraan het duurzaam gebonden is, zoals volgt uit het arrest van de Hoge Raad van 11 oktober 2000, nr. 33 540, LJN: AA7410, Belastingblad 2001, blz. 125.

5.6. Belanghebbendes conclusie tot vernietiging van de aanslag kan niet worden gevolgd. Vernietiging van de aanslag – en, gelet op het onder 4 overwogene, de beschikking – veronder-stelt immers dat het standpunt dat de heffingsmaatstaf van de onder 1.1 genoemde onroerende zaak – zijnde het object zonder de ark – nihil bedraagt als juist wordt aanvaard. Voor dit stand-punt voert belanghebbende evenwel geen ander argument aan dan dat op het aanslagbiljet ‘OZB eigendom woning’ is vermeld. Deze vermelding staat op de aanslagregel in de kolom ‘Soort/beschikkingsnummer’ en heeft kennelijk tot doel de toepassing van het – ten opzichte van dat voor niet-woningen lagere – tarief voor woningen te verduidelijken, maar brengt niet mee dat, nu de ark geen onderdeel van een onroerende zaak en dus van het object vormt, voor het overblij-vende object geen onroerendezaakbelasting kan worden geheven.

5.7. De subsidiaire conclusie van de Ambtenaar tot vermindering van de vastgestelde waarde en van de aanslag is echter evenmin voldoende deugdelijk onderbouwd. Nu over en weer onvol-doende feitelijke gegevens zijn verschaft om het Hof in staat te stellen zelf tot een juiste vermin-dering – al dan niet in goede justitie, mede gelet op het arrest van de Hoge Raad van 14 oktober 2005, nr. 40 299, LJN: AU4300, Belastingblad 2006, blz, 8 – te komen, zal het Hof de Ambtenaar opdragen opnieuw op de bezwaren te beslissen met inachtneming van deze uitspraak.

6. Slotsom

Bij de uitspraak van de Rechtbank is het beroep ten onrechte ongegrond verklaard. De uitspraak van de Ambtenaar kan niet in stand blijven.

7. Kosten

De proceskosten van belanghebbende zijn in overeenstemming met het Besluit proceskosten bestuursrecht te berekenen op (2? € 322 ?1=) € 644 aan kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in eerste aanleg, op (2× € 437 ×1=) € 874 aan kosten van zulke bijstand in hoger beroep en op zijn reis en verblijfkosten voor het bijwonen van de zitting van de Recht-bank, begroot op € 16, derhalve in totaal € 1.534.

8. Beslissing

Het Gerechtshof:

– vernietigt de uitspraken van de Rechtbank en van de Ambtenaar;

– draagt de Ambtenaar op, opnieuw op het bezwaar te beslissen binnen acht weken nadat deze uitspraak onherroepelijk zal zijn geworden;

– gelast de gemeente Steenwijkerland aan belanghebbende de door hem betaalde griffierechten van € 39 in eerste aanleg en € 110 in hoger beroep te vergoeden;

– veroordeelt de Ambtenaar in de proceskosten van belanghebbende voor een bedrag van € 1.534.

Aldus gedaan door mr. J. Lamens, voorzitter, mr. J.A. Monsma en mr. R.A.V. Boxem in tegenwoor-digheid van mr. W.J.N.M. Snoijink als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 juli 2010.

De griffier, De voorzitter,

(W.J.N.M. Snoijink) (J. Lamens)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 4 augustus 2010.

Tegen deze uitspraak kunnen de belanghebbende en het college van burgemeester en wethouders binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

postbus 20303, 2500 EH Den Haag

(bezoekadres: Kazernestraat 52).

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.