Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2010:BN5873

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
30-08-2010
Datum publicatie
02-09-2010
Zaaknummer
21-000417-10
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2012:BV7497, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2012:BV7497
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

1. Keuze tussen art.2 en art. 9 in de strafbaarstelling in art.11 van de Wet tijdelijk huisverbod?

2. Toevoeging in de tenlastelegging van "als uithuisgeplaatste" wenselijk, maar niet vereist.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2011/18

Uitspraak

Sector strafrecht

Parketnummer: 21-000417-10

Uitspraak d.d.: 30 augustus 2010

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Almelo van 19 januari 2010 in de strafzaak tegen

[Verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende te [woonplaats], [adres].

Het hoger beroep

De officier van justitie heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 16 augustus 2010 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het openbaar ministerie niet-ontvankelijk zal verklaren in het hoger beroep ter zake van het onder 1 tenlastegelegde. Ter zake van het onder 2 tenlastegelegde heeft de advocaat-generaal geëist dat het hof verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 74 dagen waarvan het onvoorwaardelijk op te leggen deel gelijk is aan de tijd die verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, met aftrek van voornoemde periode en een proeftijd van 2 jaar. Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen namens verdachte door zijn raadsvrouw, mr D. Greven, advocate te Almelo, naar voren is gebracht.

De ontvankelijkheid van het hoger beroep

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat het hoger beroep zich blijkens de appelschriftuur slechts richt tegen het onder 2 tenlastegelegde feit, en dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in het hoger beroep ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde.

Het hof deelt deze opvatting van de advocaat-generaal niet. Voor het bepalen van de omvang van het ingestelde hoger beroep is de appelakte leidend. Uit de door de officier van justitie ingediende appelakte blijkt niet dat hij heeft beoogd om het hoger beroep te beperken. Het hof vat het ingestelde appel dan ook op als onbeperkt appel.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het hof tot een andere beslissing komt ten aanzien van de strafbaarheid van het onder 2 tenlastegelegde feit en omdat het hof tot een andere strafoplegging komt.

Het hof zal daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd, zoals deze tenlastelegging in hoger beroep is gewijzigd, dat:

1.

hij op of omstreeks 12 april 2009

in de gemeente Hengelo (O.),

[slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2]

heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware

mishandeling,

immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] dreigend de woorden toegevoegd: “Ik maak jullie allemaal af”en/of “Ik pleeg zelfmoord. Voordat ik zelfmoord pleeg, neem ik er eerst nog een paar mee” en/of “Wacht

maar tot ik weer vrij ben, dan pak ik je”, althans woorden van gelijke

dreigende aard of strekking.

2.

hij op of omstreeks 22 april 2009

in de gemeente Hengelo (O.)

opzettelijk heeft gehandeld in strijd met een aan hem door of namens de burgemeester

op 14 april 2009 opgelegd huisverbod voor de periode van 14 april 2009 tot en

met 24 april 2009 (18.00 uur) betreffende de woning aan de [adres A], door deze woning te betreden en/of zich bij die woning op te houden en/of in die woning aanwezig te zijn.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging verkregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1.

hij op of omstreeks 12 april 2009

in de gemeente Hengelo (O.),

[slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2]

heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware

mishandeling,

immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] dreigend de woorden toegevoegd: “Ik maak jullie allemaal af”en/of “Ik pleeg zelfmoord. Voordat ik zelfmoord pleeg, neem ik er eerst nog een paar mee” en/of “Wacht

maar tot ik weer vrij ben, dan pak ik je”, althans woorden van gelijke

dreigende aard of strekking.

2.

hij op of omstreeks 22 april 2009

in de gemeente Hengelo (O.)

opzettelijk heeft gehandeld in strijd met een aan hem door of namens de burgemeester

op 14 april 2009 opgelegd huisverbod voor de periode van 14 april 2009 tot en

met 24 april 2009 (18.00 uur) betreffende de woning aan de [adres A], door deze woning te betreden en/of zich bij die woning op te houden en/of in die woning aanwezig te zijn.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Ten aanzien van de strafbaarheid van het onder 2 bewezenverklaarde heeft de rechtbank beslist dat dit feit niet strafbaar is, omdat de opsteller van de tenlastelegging heeft verzuimd om in de tenlastelegging te vermelden of sprake was van een huisverbod als bedoeld in artikel 2, eerste lid of van een huisverbod ex artikel 9, eerste lid, van de Wet tijdelijk huisverbod, en omdat het bestanddeel “als uithuisgeplaatste” ontbreekt in de tenlastelegging.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Artikel 11 van de Wet tijdelijk huisverbod verklaart zowel overtreding van een met toepassing van artikel 2, eerste lid, als een met toepassing van artikel 9, eerste lid, van die wet opgelegd huisverbod strafbaar.

Artikel 2, eerste lid, van de Wet tijdelijk huisverbod bepaalt – kort gezegd – dat de burgemeester een huisverbod van tien dagen kan opleggen aan een persoon wanneer uit feiten of omstandigheden blijkt dat de aanwezigheid van die persoon in de woning een ernstig en onmiddellijk gevaar oplevert voor de veiligheid van één of meer personen die met deze persoon in de woning verblijven, of wanneer daartoe een ernstig vermoeden bestaat.

Artikel 9, eerste lid, van voornoemde wet behelst de bevoegdheid van de burgemeester om een op grond van artikel 2, eerste lid, opgelegd huisverbod te verlengen tot een periode van ten hoogste vier weken wanneer het gevaar, of het vermoeden tot het bestaan van dat gevaar, zich voortzet. Aan de vermelding van artikel 9 in artikel 11 kan geen zelfstandige betekenis worden toegekend, nu eerstgenoemd artikel slechts handelt over een bevoegdheid van de burgemeester tot verlenging van de duur van het huisverbod.

Dit brengt met zich, dat een persoon aan wie een huisverbod is opgelegd (de uithuisgeplaatste) uitsluitend het huisverbod dat aan hem is opgelegd op grond van artikel 2 van de Wet tijdelijk huisverbod, kan overtreden, nu alleen artikel 2 een gedraging bevat.

Het strafbaar stellen van overtreding van artikel 9, eerste lid van de Wet tijdelijk huisverbod, is naar het oordeel van het hof aan te merken als een kennelijke vergissing van de wetgever.

Voor zover de raadsvrouw ter terechtzitting heeft bepleit dat verdachte van alle rechtsvervolging ontslagen dient te worden omdat in de tenlastelegging de wettelijke grondslag van de strafbaarstelling van het feit ontbreekt, verwerpt het hof dit verweer, omdat – gelet op hetgeen hiervoor is overwogen – naar het oordeel van het hof buiten redelijke twijfel staat dat verdachte het huisverbod dat aan hem was opgelegd op grond van artikel 2, eerste lid, van de Wet tijdelijk huisverbod, heeft overtreden.

De raadsvrouw heeft voorts bepleit dat verdachte van alle rechtsvervolging ontslagen dient te worden, omdat in de tenlastelegging het bestanddeel ‘de uithuisgeplaatste’ ontbreekt.

Aan verdachte is door de burgemeester een huisverbod opgelegd voor de periode van 14 april 2009 tot en met 24 april 2009 (18.00 uur). Verdachte heeft dit huisverbod overtreden op 22 april 2009.

Hoewel het naar het oordeel van het hof duidelijker geweest zou zijn wanneer in de tenlastelegging was opgenomen dat verdachte het huisverbod “als uithuisgeplaatste” heeft overtreden, kan uit de aanwezige bewijsmiddelen niet anders volgen, dan dat verdachte dit huisverbod op 22 april 2009 heeft overtreden, terwijl hij een uithuisgeplaatst persoon was. Het niet vermelden van het woord “uithuisgeplaatste” in de tenlastelegging is naar het oordeel van het hof bovendien niet noodzakelijk nu de woorden “een aan hem opgelegd huisverbod” wel in de tenlastelegging staan. Artikel 1 sub c van de wet bepaalt immers dat de uithuisgeplaatste degene is aan wie een huisverbod is opgelegd. Het hof verwerpt het verweer van de raadsvrouw ook op dit punt.

Het bewezene levert op de misdrijven:

ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde:

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd.

ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde:

Als uithuisgeplaatste handelen in strijd met een met toepassing van artikel 2 lid 1 van de Wet tijdelijk huisverbod gegeven huisverbod.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft onder invloed van alcohol en drugs zijn eigen vader en moeder bedreigd. Verdachte heeft dit feit gepleegd in de ouderlijke woning en aldus de psychische integriteit van zijn ouders aangetast op een plek waar deze zich bij uitstek veilig horen te voelen.

Voorts heeft verdachte een aan hem opgelegd huisverbod overtreden door zich in strijd met dat verbod, te begeven naar de woning van zijn ouders. Verdachte heeft er met dit handelen blijk van gegeven dat hij geen waarde hecht aan het aan hem door de burgemeester opgelegde huisverbod.

Het hof heeft ten nadele van verdachte in de strafoplegging bovendien betrokken dat verdachte blijkens het Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 28 juli 2010 reeds eerder is veroordeeld ter zake van het plegen van strafbare feiten.

Uit het psychologisch pro justitia rapport d.d. 14 juli 2009 met betrekking tot verdachte volgt onder meer:

“Er is bij betrokkene een persoonlijkheid met narcistische en antisociale trekken geconstateerd, welke problematiek is ingebed in de ouder-kindproblematiek. De persoonlijkheid van betrokkene kenmerkt zich door een verhoogde krenkbaarheid, die wordt afgeweerd middels een opgeblazen houding. Ook heeft hij de neiging om zijn gevoelens van onvrede te dempen met middelengebruik, alcohol en cocaïne. (…) Betrokkene moet in staat worden geacht om de wederrechtelijkheid van het tenlastegelegde in te kunnen zien. Hij is echter niet goed in staat, ten gevolge van de geconstateerde psychische problematiek, om dienovereenkomstig bovengenoemd inzicht zijn wil in vrijheid te kunnen bepalen. De rechtbank wordt geadviseerd om betrokkene ten aanzien van het tenlastegelegde – indien bewezen – enigszins verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen.”

Naar aanleiding van voornoemd rapport heeft het hof er bij de straftoemeting ten voordele van verdachte rekening mee gehouden verdachte als enigszins verminderd toerekeningsvatbaar dient te worden beschouwd.

Alles afwegende en in het bijzonder vanwege de ernst van de bewezenverklaarde feiten, acht het hof slechts het opleggen van een vrijheidsstraf een passende strafsoort.

Gelet echter op hetgeen hiervoor is overwogen over de mate waarin de feiten aan verdachte kunnen worden toegerekend en mede in aanmerking genomen dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is, zal het hof een deel van die vrijheidsstraf voorwaardelijk opleggen. Het hof zal verdachte veroordelen tot een gevangenisstraf van 74 dagen, waarvan 43 dagen voorwaardelijk worden opgelegd.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 2 en 11 van de Wet tijdelijk huisverbod en de artikelen 14a, 14b, 14c, 57, 63 en 285 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart verdachte strafbaar.

ten aanzien van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 74 (vierenzeventig) dagen.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 43 (drieënveertig) dagen, niet zal worden ten uitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat verdachte zich vóór het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

De voorlopige hechtenis

Heft op het geschorste, tegen verdachte verleende bevel tot voorlopige hechtenis.

Aldus gewezen door

mr H. Abbink, voorzitter,

mr R. de Groot en mr C. Caminada, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr L.J.J.G. Verhaeg, griffier,

en op 30 augustus 2010 ter openbare terechtzitting uitgesproken.