Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2010:BN5135

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
20-07-2010
Datum publicatie
27-08-2010
Zaaknummer
09-00159
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Loonbelasting.

Voordeel directeur-grootaandeelhouder ter zake van speelrecht golfclub vloeit niet voort uit dienstbetrekking maar uit aandeelhouderschap. Naheffing loonheffing dus niet terecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2012/53.23.19
FutD 2010-2031 met annotatie van Fiscaal up to Date
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector belastingrecht

nummer 09/00159

uitspraakdatum: 20 juli 2010

Uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

X BV te Z (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 8 april 2009, nummer 07/5463, in het geding tussen belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst te P (hierna:de Inspecteur)

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1 Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 januari 2001 tot en met 31 december 2005 een naheffingsaanslag in de loonbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd van € 20.794, alsmede bij beschikking een boete van € 4.407. Aan heffingsrente is daarbij bij beschikking een bedrag van € 2.395 in rekening gebracht.

1.2 Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de Inspecteur bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar de naheffingsaanslag, de boetebeschikking en kennelijk de beschikking inzake de heffingsrente gehandhaafd.

1.3 Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Arnhem (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 8 april 2009 gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar betreffende de boete vernietigd, de boete verminderd tot € 3.975 en bepaald dat haar uitspraak in zoverre in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar.

1.4 Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.

1.5 Tot de stukken van het geding behoren, naast de hiervoor vermelde stukken, het van de Rechtbank ontvangen dossier dat op deze zaak betrekking heeft alsmede alle stukken die nadien, al dan niet met bijlagen, door partijen in hoger beroep zijn overgelegd.

1.6 Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 maart 2010 te Arnhem. Daarbij zijn verschenen en gehoord de gemachtigde van belanghebbende, alsmede de Inspecteur.

1.7 De gemachtigde van belanghebbende heeft bij deze mondelinge behandeling een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij. Deze pleitnota wordt, zonder bezwaar van de wederpartij, door het Hof tot de stukken van het geding gerekend.

1.8 Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2. De vaststaande feiten

2.1 Belanghebbende, een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, drijft een onderneming die managementactiviteiten uitvoert. De enig aandeelhouder en tevens directeur van belanghebbende is mr. X. Belanghebbende is aandeelhouder van A Advocaten en Notarissen NV en stelt X ter beschikking aan deze vennootschap. Belanghebbende brengt A daarvoor een managementfee in rekening.

2.2 Belanghebbende heeft een aansluitingsovereenkomst gesloten met Exploitatiemaatschappij B BV, gevestigd te Q. Als aangesloten bedrijf heeft belanghebbende onder meer de mogelijkheid om twee personen aan te wijzen, die door de exploitatiemaatschappij zullen worden aangemeld als lid van de vereniging Golf- en Countryclub B, waarbij de exploitatiemaatschappij, na acceptatie door de vereniging, de daaraan verbonden kosten voor haar rekening zal nemen. Belanghebbende heeft van deze faciliteit (hierna: het speelrecht) gebruik gemaakt door haar directeur/enig aandeelhouder X en zijn partner aan te wijzen.

2.3 De Inspecteur heeft het standpunt ingenomen dat de waarde in het economische verkeer van het speelrecht als loon in natura dient te worden aangemerkt. Hij stelt dat X in het onderhavige tijdvak ter zake van het speelrecht een voordeel uit dienstbetrekking heeft genoten. In verband hiermee heeft hij belanghebbende de onderwerpelijke naheffingsaanslag opgelegd

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1 In geschil is of de Inspecteur de waarde van het speelrecht terecht als een door X genoten voordeel uit dienstbetrekking heeft aangemerkt. De boete is, naar partijen ter zitting desgevraagd hebben bevestigd, niet in geschil.

3.2 Belanghebbende stelt dat het besluit om het bedrijfslidmaatschap met de daarin begrepen speelrechten aan te gaan, is genomen met het oog op de zakelijke belangen van haar onderneming. Voor zover deze uitgaven X voordeel hebben opgeleverd, neemt belanghebbende het standpunt in dat dit voordeel X is toegekomen als aandeelhouder en niet als werknemer.

3.3 De Inspecteur neemt het standpunt in dat belanghebbende de speelrechten aan haar directeur/enig aandeelhouder en zijn partner heeft verstrekt in het kader van de dienstbetrekking met de directeur. Bij het gebruik van het speelrecht overheerst – aldus de Inspecteur – het persoonlijke element zozeer, dat niet kan worden gezegd dat de verwerving van het loon het gebruik of verbruik ervan meebrengt. Dat brengt met zich dat de waarde in het economische verkeer van de speelrechten als loon uit dienstbetrekking in aanmerking moet worden genomen. Er is geen verplichting tot deelname aan de golfsport voor X en zijn partner.

3.4 Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Daaraan hebben zij ter zitting toegevoegd hetgeen is vermeld in het aan deze uitspraak gehechte proces-verbaal van de zitting.

3.5 Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, tot gegrondverklaring van het beroep tegen de uitspraak op bezwaar waarbij de naheffingsaanslag is gehandhaafd en – naar het Hof verstaat – vermindering van de naheffingsaanslag.

3.6 De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4. Beoordeling van het geschil

4.1 Bij belanghebbende is slechts één werknemer in dienstbetrekking werkzaam. Deze werknemer is niet alleen enig werknemer (directeur) van belanghebbende maar ook haar enig aandeelhouder.

4.2 Een enig directeur/enig aandeelhouder kan naar maatschappelijke opvattingen in vele opzichten niet op een lijn worden gesteld met gewone werknemers. Dit komt vooral tot uiting daar waar deze directeur/enig aandeelhouder zelf het beleid van de onderneming bepaalt en de omstandigheid dat zijn loon niet op basis van onderhandelingen tussen onafhankelijke partijen tot stand komt maar naar eigen goeddunken wordt vastgesteld, waarbij andere motieven dan het vaststellen van een adequate arbeidsbeloning een dominante rol kunnen spelen (vgl. HR 15 december 1999, nr. 32 263, BNB 2000/211). De omstandigheid dat hij alle aandelen in de vennootschap bezit is in dit kader van wezenlijk belang.

4.3 Belanghebbende heeft gesteld en het Hof acht - gelet op de feiten en omstandigheden van het geval - aannemelijk dat het voordeel voor X ter zake van het verstrekken van het speelrecht niet zozeer zijn grond vindt in de dienstbetrekking dat dit voordeel als daaruit genoten moet worden aangemerkt, doch veeleer zijn grond vindt in het feit dat X haar enig aandeelhouder is. Het door X genoten voordeel vormt naar het oordeel van het Hof derhalve geen loon uit dienstbetrekking. Voor naheffing van loonbelasting/premie volksverzekeringen bestaat in zoverre dan ook geen grond. De naheffingsaanslag dient te worden verminderd met een bedrag van € 9.044 tot € 11.750.

4.4 Het beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de heffingsrente (zie Hoge Raad 27 november 2009, nr. 07/13621, LJN BJ7907). Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte heffingsrente aangevoerd. Nu het Hof ook overigens niet is gebleken dat de bepalingen met betrekking tot de heffingsrente onjuist zijn toegepast, is het beroep slechts gegrond voor zover het de hiervoor vermelde vermindering betreft.

slotsom

Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep gegrond.

5. Kosten

Het Hof stelt de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het hoger beroep heeft moeten maken overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 644 (twee punten voor proceshandelingen en een wegingsfactor 1) ter zake van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Opmerking verdient dat de door belanghebbende in de procedure bij de Rechtbank gemaakte kosten reeds door de Rechtbank in een vergoeding zijn begrepen welke beslissing door het Hof in stand wordt gelaten.

6. Beslissing

Het Gerechtshof

- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank doch uitsluitend voorzover deze betrekking heeft op de op de naheffingsaanslag en de heffingsrente betrekking hebbende uitspraken op bezwaar,

- verklaart het tegen die uitspraken van de Inspecteur ingestelde beroep gegrond,

- vernietigt genoemde uitspraken van de Inspecteur,

- vermindert de naheffingsaanslag tot € 11.750,

- vermindert de beschikking heffingsrente dienovereenkomstig;

- veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 644,

- gelast dat de Staat aan belanghebbende het betaalde griffierecht vergoedt, te weten € 447 in verband met het hoger beroep bij het Gerechtshof.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.M. Ettema, voorzitter, mr. R. den Ouden en mr. M.G.J.M. van Kempen, in tegenwoordigheid van mr. J.L.M. Egberts als griffier.

De beslissing is op 20 juli 2010 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(J.L.M. Egberts) (C.M. Ettema)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer)

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.