Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2010:BN5082

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
25-08-2010
Datum publicatie
26-08-2010
Zaaknummer
24-003294-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De minderjarige verdachte wordt ter zake van openlijke geweldpleging veroordeeld tot jeugddetentie voor de duur van 44 dagen, waarvan 15 dagen voorwaardelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Parketnummer: 24-003294-09

Parketnummer eerste aanleg: 07-450158-09

Parketnummer vordering tul: 07-450254-08

Arrest van 25 augustus 2010 van het gerechtshof te Arnhem, nevenzittingsplaats Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de kinderrechter in de rechtbank Zwolle-Lelystad van 10 december 2009 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1994] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsvrouw mr. A.S. ten Doesschate, advocaat te Zwolle.

Het vonnis waarvan beroep

De kinderrechter in de rechtbank Zwolle-Lelystad heeft de verdachte bij het vonnis wegens een misdrijf veroordeeld tot een straf en heeft op een vordering tot tenuitvoer-legging beslist, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde zal veroordelen tot jeugddetentie voor de duur van 44 dagen, waarvan 15 dagen voorwaardelijk, met aftrek van voorarrest, met een proeftijd van twee jaren, onder de bijzondere voorwaarde dat verdachte zich gedurende de proeftijd zal houden aan de voorschriften en aanwijzingen van de jeugdreclassering, ook indien dit een ambulante behandeling bij de Forensische Jeugd Psychiatrie of bij de Tender inhoudt. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof de vordering tot tenuitvoerlegging zal toewijzen.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd, dat:

hij op of omstreeks 03 mei 2009 te [plaats] met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, de [straat], in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer], welk geweld bestond uit het

- meermalen, althans éénmaal, stompen en/of slaan op/tegen het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer] en/of

- meermalen, althans éénmaal, schoppen en/of trappen op/tegen het lichaam van die [slachtoffer]

althans, indien ter zake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 03 mei 2009 te [plaats] tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer]) meermalen, althans éénmaal, op/tegen het hoofd en/of het lichaam heeft gestompt en/of geslagen en/of geschopt en/of getrapt, waardoor voornoemde [slachtoffer] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

Bewijsoverweging

De raadsvrouw heeft ter terechtzitting van het hof bepleit dat verdachte van het ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken. Zij heeft hiertoe aangevoerd dat tegenover de twee belastende verklaringen, die inhouden dat verdachte aangever [slachtoffer] heeft geslagen, er elf verklaringen zijn waarin niet wordt verklaard dat verdachte aangever heeft geslagen. Voorts is de raadsvrouw van mening dat de aangifte van [slachtoffer] niet bruikbaar is voor het bewijs, nu door hem ter terechtzitting in eerste aanleg is verklaard dat hij niet meer zeker weet of verdachte hem heeft geslagen. Bovendien heeft de getuige [getuige 1] - de moeder van verdachte - ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat [slachtoffer] haar in de avond van 3 mei 2009 heeft verteld niet door verdachte te zijn geslagen. De raadsvrouw concludeert dat, nu uit de enige andere belastende verklaring - die van [getuige 2] - niet blijkt dat deze zelf heeft waargenomen dat verdachte [slachtoffer] sloeg, er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voor het ten laste gelegde feit is.

Het hof oordeelt hieromtrent als volgt.

Uit vaste jurisprudentie van de Hoge Raad vloeit voort dat van 'in vereniging geweld plegen' onder meer sprake is indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard hoeft te zijn (HR 7 juli 2009, LJN: BH9029).

[slachtoffer] heeft op 4 mei 2009 bij de politie verklaard dat hij op 3 mei 2009 door (onder andere) verdachte is geslagen. Het hof acht deze verklaring, die kort na het voorval is afgelegd, betrouwbaar. Dat [slachtoffer] in de avond van 3 mei 2009 tegenover getuige [getuige 1] zou hebben verklaard dat verdachte hem geen geweld had aangedaan, maakt dit niet anders. De reden dat [slachtoffer] zich in de avond van 3 mei 2009 naar de woning van verdachte begaf was immers, zo verklaart de getuige [getuige 1], dat hij van verdachte wilde weten wie er precies bij de geweldpleging betrokken waren. Dat [slachtoffer] op dat moment ontlastend over verdachte zou hebben verklaard laat zich verklaren door het feit dat hij hulp van hem vroeg, en deze hulp bij een belastende verklaring wellicht zou moeten missen. Ook het feit dat aangever [slachtoffer] ter terechtzitting in eerste aanleg - ruim 7 maanden nadat hij aangifte heeft gedaan - heeft verklaard niet meer zeker te weten of verdachte hem heeft geslagen, doet in de ogen van het hof niet af aan de betrouwbaarheid van de verklaring die aangever op 4 mei 2009 heeft afgelegd.

Naast de verklaring van [slachtoffer], hecht het hof waarde aan de verklaring van

[getuige 2], die het voorval van dichtbij heeft zien gebeuren. Ook hij heeft tegenover de politie verklaard dat verdachte [slachtoffer] heeft geslagen.

In het dossier bevinden zich nog 11 verklaringen van personen die bij de vechtpartij in meer of mindere mate aanwezig zijn geweest. Velen van hen verklaren dat verdachte aanwezig is geweest bij de vechtpartij, maar niet specifiek over zijn rol daarbij; ook niet in die zin dat verdachte aangever [slachtoffer] niet heeft geslagen.

Gelet op het vorenstaande is naar het oordeel van het hof genoegzaam komen vast te staan dat verdachte aangever [slachtoffer] heeft geslagen en hiermee een wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het geweld.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 3 mei 2009 te [plaats] met anderen, aan de openbare weg, de [straat], openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer], welk geweld bestond uit het meermalen slaan tegen het hoofd en het lichaam van die [slachtoffer] en schoppen tegen het lichaam van die [slachtoffer].

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld primair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.

Strafbaarheid

Door E. Vlieg, gezondheidszorgpsycholoog/orthopedagoog, is op 23 oktober 2009 omtrent verdachte een rapportage Pro Justitia uitgebracht, welk rapport - zakelijk weergegeven - als conclusie inhoudt dat verdachte een gedragsstoornis heeft ontwikkeld die bij hem tot uiting komt in de vorm van plegen van vernielingen, brandstichting, mishandeling en deelnemen aan vechtpartijen. Verdachte is uitermate beïnvloedbaar en impulsief, en toont geen gevoelens van empathie. Daarnaast dreigt zijn gewetensontwikkeling verstoord te raken. In de optiek van de rapporteur bestaat er een verband tussen de gediagnosticeerde gedragsstoornis en het delict waarvan hij verdacht wordt en kan verdachte niet geheel verantwoordelijk voor zijn gedrag worden gesteld.

Het hof neemt deze bevindingen over en maakt die tot de zijne. Het hof acht verdachte licht verminderd toerekeningsvatbaar.

Nu niet is gebleken dat verdachte het ten laste gelegde in het geheel niet valt toe te rekenen en er ook anderszins geen strafuitsluitingsgronden aanwezig worden geacht, acht het hof verdachte strafbaar in de mate waarin hij toerekeningsvatbaar is.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de aard en ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon van verdachte. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich op 3 mei 2009 schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging tegen aangever [slachtoffer]. Verdachte heeft met een aantal vrienden een groep gevormd van waaruit die [slachtoffer] meermalen is geslagen en geschopt. Door aldus te handelen hebben verdachte en zijn medeverdachten inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer en hebben zij gevoelens van onveiligheid opgewekt bij de toeschouwers die hier getuige van zijn geweest.

Het hof houdt bij de strafoplegging rekening met een verdachte betreffend uittreksel uit het justitieel documentatieregister d.d. 22 maart 2010, waaruit blijkt dat verdachte eerder voor openlijke geweldpleging is veroordeeld en hiervoor transacties heeft voldaan en een leerstraf opgelegd heeft gekregen. Voorts blijkt hieruit dat verdachte ten tijde van het onderhavige feit in een proeftijd liep. Dit gegeven heeft verdachte er kennelijk niet van weerhouden nogmaals over te gaan tot het plegen van strafbare feiten. Uit het voorgaande komt naar voren dat, hoewel verdachte in het verleden meerdere keren de kans heeft gehad zijn leven te beteren - onder meer door toezicht en begeleiding van Jeugdzorg - hij hiervan niet heeft weten te profiteren.

Voorts houdt het hof bij de strafoplegging rekening met de omtrent verdachte uitgebrachte rapportages, waaronder de reeds aangehaalde rapportage Pro Justitia van mw. E. Vlieg, waaruit voortvloeit dat verdachte ten tijde van het ten laste gelegde feit als licht verminderd toerekeningsvatbaar was te beschouwen. Daarnaast is voor de strafoplegging van belang dat mw. E. Vlieg in haar rapportage concludeert dat het recidivegevaar zonder begeleiding en behandeling als zeer groot is in te schatten.

Gelet op het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, acht het hof oplegging van jeugddetentie van na te melden omvang passend en geboden, doch zal het hof een deel hiervan in voorwaardelijke vorm opleggen, met een proeftijd van twee jaren, onder de bijzondere voorwaarde dat verdachte zich gedurende die proeftijd onder toezicht van de jeugdreclassering stelt. Deze straf dient tevens als stok achter de deur, teneinde te voorkomen dat verdachte zich nogmaals schuldig maakt aan (soortgelijke) feiten.

Vordering tenuitvoerlegging

Bij vonnis van de kinderrechter in de rechtbank Zwolle d.d. 14 november 2008, parketnummer 07-450254-08, is verdachte (onder meer) veroordeeld tot een voorwaardelijke werkstraf voor de duur van 20 uren, subsidiair 10 dagen jeugddetentie, met een proeftijd van twee jaren. Uit het onderzoek ter terechtzitting van het hof is gebleken dat dit vonnis onherroepelijk is geworden op 29 november 2008 en dat de proeftijd eveneens op deze datum is ingegaan. De officier van justitie heeft lopende de proeftijd gevorderd dat last zal worden gegeven tot tenuitvoerlegging van voormelde jeugddetentie, omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde feit.

Nu gebleken is dat het primair bewezen verklaarde feit is begaan voor het einde van de gestelde proeftijd, zal het hof de tenuitvoerlegging gelasten van voormelde straf.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 63, 77a, 77g, 77i, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77dd en 141 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte primair ten laste gelegde bewezen en kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart dit feit en verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld primair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot jeugddetentie voor de duur van vierenveertig dagen;

bepaalt, dat een gedeelte van deze straf, groot vijftien dagen, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd van twee jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd:

stelt als bijzondere voorwaarde:

dat de veroordeelde zich zal stellen onder toezicht van de jeugdreclassering en zich zal gedragen naar de aanwijzingen te geven door of namens die instelling, ook indien dit een ambulante behandeling bij FJP Accare of FPD de Tender inhoudt;

draagt genoemde instelling op de veroordeelde bij de naleving van de voorwaarden hulp en steun te verlenen;

beveelt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde jeugddetentie geheel in mindering zal worden gebracht;

gelast de tenuitvoerlegging van de aan veroordeelde bij beslissing van de kinderrechter in de rechtbank Zwolle van 14 november 2008 voorwaardelijk opgelegde straf, te weten:

een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van twintig uren met bevel voor het geval dat de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende jeugddetentie voor de duur van tien dagen zal worden toegepast;

heft op het - geschorste - bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. H.J. Deuring, voorzitter, mr. P. Greve en mr. J.H. Bosch, in tegenwoordigheid van mr. H. Akkerman als griffier.