Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2010:BN5044

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
24-08-2010
Datum publicatie
26-08-2010
Zaaknummer
107.002.636/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hennepplantage, toch geen ontruiming i.v.m. gedane toezegging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Arrest d.d. 24 augustus 2010

Zaaknummer 107.002.636/01

HET GERECHTSHOF TE ARNHEM

Nevenzittingsplaats Leeuwarden

Arrest van de eerste kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

1. [appellante],

wonende te [woonplaats],

2. [appellant],

wonende te [woonplaats],

appellanten,

in eerste aanleg: gedaagden,

hierna gezamenlijk te noemen: [appellanten],

advocaat: mr. J.E. Brands, kantoorhoudende te Arnhem,

tegen

Stichting Ymere,

gevestigd te Amsterdam,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna te noemen: Ymere,

advocaat: mr. N.L.J.M. Rijssenbeek, kantoorhoudende te Arnhem.

De inhoud van het tussenarrest d.d. 23 juni 2009 wordt hier overgenomen.

Het verdere procesverloop

Ter voldoening aan de hun bij bedoeld tussenarrest gegeven bewijsopdracht hebben [appellanten] zelf een verklaring (als partijgetuige) afgelegd en hebben zij [getuige 1 (appellanten)], [getuige 2 (appellanten)] en [getuige 3 (appellanten)] als getuige doen horen. Ymere heeft in contra-enquête [getuige 1 (geïntimeerde)] als getuige doen horen.

[appellanten] hebben een memorie na enquête genomen, waarna Ymere een memorie van antwoord na enquête heeft genomen.

Tenslotte hebben partijen de stukken wederom overgelegd voor het wijzen van arrest.

De verdere beoordeling

1. Bij bedoeld tussenarrest zijn [appellanten] toegelaten tot het bewijs van feiten en omstandigheden waaruit volgt dat zijdens Ymere op 23 maart 2007 toezeggingen zijn gedaan erop neerkomende dat de huurovereenkomst zou worden voortgezet wanneer [appellanten] niet binnen drie maanden van Ymere hadden vernomen dat de huurovereenkomst zou worden beëindigd.

2. Bij de waardering van het bijgebrachte bewijs staat voorop dat in artikel 164 Rv ligt besloten dat de verklaringen van de partijgetuigen [appellant] en [appellante] geen bewijs in hun voordeel kan opleveren, indien geen aanvullende bewijzen voorhanden zijn die zodanig sterk zijn en zodanig essentiële punten betreffen dat zij die partijverklaringen voldoende geloofwaardig maken (HR 31 maart 1995, NJ 1997, 592).

3. Het hof zal in het geheel geen acht slaan op de verklaring van de getuige [appellant] nu deze – zoals ook door [appellanten] zelf is aangegeven – op het meest essentiële punt (het gesprek op 23 maart 2007 ten huize van [appellanten]) volledig in strijd met wat alle andere getuigen te dien aanzien hebben verklaard, heeft aangegeven zelf bij dat gesprek aanwezig te zijn geweest. Nu [appellant] zich op een zo belangrijk punt een onbetrouwbare getuige heeft getoond, kan ook aan hetgeen hij overigens heeft verklaard geen waarde worden gehecht.

4. De partijgetuige [appellante] heeft – voor zover van belang – zakelijk weergegeven het volgende verklaard:

Ik heb [getuige 1 (geïntimeerde)] en een andere meneer op straat gesproken en heb hem verteld wat er gebeurd was. Ik heb toen met hem een afspraak gemaakt. [getuige 1 (geïntimeerde)] en die andere meneer zijn teruggekomen. Bij het gesprek wat toen is gevolgd waren mijn buurman [getuige 2 (appellanten)], mijn buurvrouw [getuige 1 (appellanten)], mijn vader en mijn buurvrouw [getuige 3 (appellanten)] aanwezig. [getuige 1 (geïntimeerde)] wilde mij een formulier laten tekenen dat betrekking had op ontbinding van de huurovereenkomst. Ik heb dat geweigerd. Daarna heeft [getuige 1 (geïntimeerde)] aangegeven dat als we binnen drie maanden niets hadden gehoord, het klaar was. Ik heb daarna geen enkel contact meer met Ymere gehad, totdat ik een brief van de deurwaarder kreeg.

5. De getuige [getuige 1 (appellanten)] heeft – voor zover van belang – zakelijk weergegeven het volgende verklaard:

Ik woon pal naast [appellante] en [appellant]. Ik ben er getuige van geweest dat [getuige 1 (geïntimeerde)] samen met een andere meneer bij [appellante] op bezoek kwam. Bij dat gesprek waren ook mijn vriend [getuige 2 (appellanten)], [getuige 3 (appellanten)] en de vader van [appellante] aanwezig. [getuige 1 (geïntimeerde)] heeft het huis bekeken en uitte zijn verbazing over het feit dat het er zo netjes uitzag. Hij zou daaromtrent rapport opmaken. [getuige 1 (geïntimeerde)] vroeg [appellante] of zij een formulier houdende huuropzegging wilde tekenen. [appellante] heeft dat geweigerd. [getuige 1 (geïntimeerde)] heeft daarop gezegd: als je binnen drie maanden niets hoort heb je mazzel.

6. De getuige [getuige 2 (appellanten)] heeft – voor zover van belang – zakelijk weergegeven het volgende verklaard:

Ik kan me herinneren dat de politie ongeveer 2,5 jaar geleden een inval heeft gedaan bij mijn buren [appellante] en [appellant] op no. 32. Die dag of een dag later was ik in de woning van [appellante]. Er kwam toen een meneer van de woningbouwvereniging, waarvan ik later heb begrepen dat het [getuige 1 (geïntimeerde)] was. Hij was vergezeld van een andere meneer. [getuige 1 (geïntimeerde)] heeft getracht [appellante] een papier te laten tekenen waarin zij verklaarde de woning vrijwillig te zullen verlaten. [appellante] heeft toen gevraagd wat er zou gebeuren als ze niet zou ondertekenen. Daarop is geantwoord dat als ze binnen drie maanden niets zouden horen, ze konden blijven zitten. [getuige 1 (geïntimeerde)] heeft het huis bekeken en verklaard dat het hem reuze meeviel. Bij bedoeld gesprek waren verder ook mijn vriendin, de andere buurvrouw [buurvrouw] en de vader van [appellante] aanwezig.

7. De getuige [getuige 3 (appellanten)] heeft – voor zover van belang – en zakelijk weergegeven het volgende verklaard:

[appellante] en [appellant] ken ik als buren.Ik ben op een gegeven moment op mijn werk opgebeld en hoorde dat de politie bij ons en bij [appellante] en [appellant] een inval had gedaan in verband met wietplantages. [getuige 1 (geïntimeerde)] kwam samen met een andere man bij mij aan de deur. Later zijn die heren weer bij mij geweest. Ze wilden me toen een verklaring laten tekenen welke inhield dat ik vrijwillig instemde met beëindiging van de huur. Ik heb dat niet gedaan. [getuige 1 (geïntimeerde)] en die andere meneer zijn vervolgens aar de woning van [appellante] gegaan en ik ben met ze meegelopen. In de woning was naast [appellante] ook haar vader en haar buren [buurman] en [buurvrouw] aanwezig. Ze wilden ook [appellante] een verklaring laten tekenen welke inhield dat ze instemde met beëindiging van de huur. Zij heeft dat niet gedaan. [getuige 1 (geïntimeerde)] en die andere meneer hebben vervolgens iets gezegd in de trant van: Als we binnen drie maanden niets zouden horen, zijn er verder geen gevolgen. Ik heb onze woning medio juni verlaten. Van Ymere heb ik na het gesprek met [getuige 1 (geïntimeerde)] en die andere meneer nooit meer iets vernomen.

8. De getuige [getuige 1 (geïntimeerde)] heeft – voor zover van belang – zakelijk weergegeven het volgende verklaard:

Nadat we van de politie hadden gehoord van een inval in verband met wietplantages in de literatuurwijk van [woonplaats] zijn we ( ikzelf en de wijkmeester) daar naartoe gereden. We hebben twee dames gesproken en een afspraak gemaakt voor de volgende dag. In de woning van [appellante] hebben we die volgende dag een wat langer durend gesprek gevoerd. Daarbij waren ook aanwezig mevrouw [getuige 3 (appellanten)], nog twee buren en een schoonvader. Ik heb daar het beleid van Ymere bij wietplantages uitgelegd. Ik heb zowel aan [getuige 3 (appellanten)] als aan [appellante] een opzeggingsformulier ter tekening voorgelegd. Ze hebben geweigerd te tekenen. Ik heb de formulieren achtergelaten en gezegd dat ze een dag of 7 à 8 de tijd kregen alsnog te tekenen, daarna zou een opzegging via de rechter plaatsvinden. Ik heb absoluut niet toegezegd dat [appellante] in de woning mocht blijven zitten als ze binnen drie maanden niets zou horen. Ik heb de betreffende woning wel bekeken en tot mijn verbazing geconstateerd dat deze er netjes uitzag. Ik heb daarvan melding gemaakt richting Ymere.

9. De verklaring van de partijgetuige [appellante] wordt op zodanig essentiële punten zodanig sterk door de verklaringen van de getuigen [getuige 2 (appellanten)], [getuige 1 (appellanten)] en [getuige 3 (appellanten)], alsmede ten dele ook door de verklaring van de getuige [getuige 1 (geïntimeerde)], ondersteund dat de verklaring mee kan wegen bij het door [appellanten] te leveren bewijs.

Nu [appellante] en de getuigen [getuige 2 (appellanten)], [getuige 1 (appellanten)] en [getuige 3 (appellanten)] alle vier in ongeveer dezelfde bewoordingen hebben aangegeven dat [getuige 1 (geïntimeerde)] aan het eind van het bedoelde gesprek ten huize van [appellanten] een toezegging heeft gedaan als in het probandum bedoeld, is het hof van oordeel dat [appellanten] het hun opgedragen bewijs hebben geleverd. De andersluidende verklaring van [getuige 1 (geïntimeerde)] legt tegenover deze vier duidelijke verklaringen onvoldoende gewicht in de schaal. Dat laatste geldt evenzeer voor de als productie 4 bij de dagvaarding in eerste aanleg overgelegde petitie van de buren en andere omwonenden. Weliswaar blijkt uit deze op 24 maart 2007 gedateerde petitie dat ervan werd uitgegaan dat [appellanten] en eerder genoemde [getuige 3 (appellanten)] hun woningen zouden moeten ontruimen, maar dat staat aan een toezegging als vorenbedoeld niet in de weg. [appellanten] moesten immers al op basis van hetgeen [getuige 1 (geïntimeerde)] en de hem vergezellende wijkmeester hadden meegedeeld, vrezen voor ontruiming.

Het hof tekent bij de verklaring van de getuige [getuige 1 (geïntimeerde)] nog aan dat niet goed valt in te zien waarom hij rapport zou opmaken over de (goede) staat waarin de woning van [appellanten] verkeerde, als er toch zonder pardon tot ontruiming zou worden overgegaan.

10. Nu [appellanten] betwisten de brief van 10 april 2007 (productie 6 bij de inleidende dagvaarding) te hebben ontvangen en bewijs op dat punt niet is geleverd of aangeboden en evenmin is gesteld of gebleken dat er andere aanzeggingen hebben plaatsgevonden, staat niet vast dat [appellanten] - na het door de getuigen bedoelde gesprek op 23 maart 2007 - nader bericht hebben ontvangen omtrent een voorgenomen ontruiming, alvorens op 21 september 2007 de inleidende dagvaarding is betekend. Daarmee heeft Ymere gehandeld in strijd met de door haar medewerker [getuige 1 (geïntimeerde)] gedane toezegging, nog daargelaten de vraag of een ontruiming zo lang na de datum waarop het gewraakte feit heeft plaatsgevonden, nog gerechtvaardigd is.

Het hof tekent hierbij nog aan dat niet is gesteld of gebleken dat [appellanten] Ymere redelijkerwijs niet zouden mogen houden aan een toezegging gedaan door [getuige 1 (geïntimeerde)], een medewerker van Ymere.

11. De grieven treffen in zoverre doel en behoeven voor het overige geen verdere behandeling meer.

Slotsom

12. Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en de vorderingen van Ymere zullen alsnog worden afgewezen. Ymere zal, als de in het ongelijk te stellen partij, worden veroordeeld in de kosten van deze procedure in beide instanties (salaris advocaat in hoger beroep: 3 punten tarief II).

Beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt het vonnis d.d. 9 april 2009 waarvan beroep;

wijst de vorderingen van Ymere alsnog af;

veroordeelt Ymere in de kosten van deze procedure, in eerste aanleg begroot op € 285,-- aan verschotten en € 300,-- aan salaris gemachtigde en in hoger beroep op € 379,-- aan verschotten (inclusief de taxe van de getuige [getuige 3 (appellanten)]) en op € 2.682,-- aan geliquideerd salaris voor de advocaat.

Aldus gewezen door mrs. Mollema, Kuiper en De Hek en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van dinsdag 24 augustus 2010 in bijzijn van de griffier.