Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2010:BN4761

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
20-08-2010
Datum publicatie
25-08-2010
Zaaknummer
24-001383-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt - wegens gebrek aan bewijs - vrijgesproken van een groot deel van de tenlastelegging. Rekening houdend met zowel de persoonlijke omstandigheden van verdachte als met een geringe overschrijding van de wettelijke termijn, acht het hof in dit geval een onvoorwaardelijke werkstraf voor de duur van 100 uren, subsidiair 50 dagen hechtenis, een passende bestraffing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Parketnummer: 24-001383-08

Parketnummer eerste aanleg: 07-892002-07

Arrest van 20 augustus 2010 van het gerechtshof te Arnhem, nevenzittingsplaats Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zwolle-Lelystad van 13 mei 2008 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1975] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

niet ter terechtzitting verschenen. Wel verschenen is de raadsman van verdachte mr. R.W.A. Offermanns, advocaat te Zeewolde.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter in de rechtbank Zwolle-Lelystad heeft de verdachte bij het vonnis wegens misdrijven veroordeeld tot straffen, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

De raadsman van verdachte heeft verklaard uitdrukkelijk te zijn gemachtigd verdachte ter terechtzitting te verdedigen.

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte ter zake van het ten laste gelegde zal veroordelen tot een werkstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis, en tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 maand, voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging ter terechtzitting in eerste aanleg - ten laste gelegd, dat:

zij in of omstreeks de periode van 14 juni 2003 tot en met 1 december 2006 te [plaats], in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) een geschrift, (elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - te weten (telkens) een formulier van de gemeente [gemeente], sector Sociale Zaken te [plaats], waarop opgave moest worden gedaan (onder meer) van samenwoning en /of gewijzigde gezinssamenstelling - (telkens) valselijk heeft opgemaakt en/of vervalst, immers heeft verdachte (telkens) valselijk de samenwoning met [betrokkene 1] niet heeft opgegeven en/of doorgegeven en/of niet opgegeven, nog steeds gehuwd te zijn met [betrokkene 2] en/of niet opgegeven dat de samenwonende partner inkomsten uit arbeid ontving en/of niet opgegeven, mede-eigenaar te zijn van de woning [adres] te [woonplaats] en/of (telkens) dat formulier ondertekend, (telkens) met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken.

Bewijsoverweging

De raadsman van verdachte heeft ter zitting van het hof aangevoerd dat de verklaring van verdachte afgelegd bij de Sociale Recherche niet tot het bewijs mag worden gebruikt nu verdachte niet is gewezen op het recht van rechtsbijstand. Daarnaast heeft de raadsman een aanhoudingsverzoek gedaan teneinde stukken - te weten onder meer de originele (volledige) getuigenverklaringen - aan het dossier te laten toevoegen.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Het hof gebruikt slechts de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg voor het bewijs, zodat het verweer van de raadsman van verdachte op dit punt onbesproken kan blijven. Voor wat betreft het verzoek om aanhouding van de raadsman van verdachte, acht het hof het noodzakelijkheids-criterium van toepassing. Het verzoek wordt afgewezen nu het hof daarvan de noodzaak niet is gebleken.

Het hof overweegt omtrent het bewijs als volgt.

Het proces-verbaal van relaas (nr. [nummer], p. 1 t/m 21) uit het strafdossier van verdachte bevat slechts een samenvatting van - onder meer - de bij de Sociale Recherche afgelegde verklaringen in een ander onderzoek. Het betreft verklaringen van onder meer: verdachte, [betrokkene 1] en [betrokkene 2]. Die verklaringen kunnen derhalve niet als bewijsmiddel voor het ten laste gelegde worden gebruikt.

Nu gelet op het voorgaande voor wat betreft de niet opgegeven inkomsten van de samenwonende partner alleen de verklaring van verdachte ter zitting in eerste aanleg voor het bewijs kan worden gebezigd, moet verdachte - wegens gebrek aan aanvullend bewijs - vrijgesproken worden van dit deel van de tenlastelegging.

In voormeld proces-verbaal (pagina 6, 'aanvraag Abw') staat vermeld dat verdachte op 27 mei 2003 bij de aanvraag van de uitkering op het aanvraagformulier te kennen heeft gegeven dat zij bezig was met de echtscheiding van haar echtgenoot [betrokkene 2]. Het hof leidt hieruit af dat de gemeente aldus op de hoogte moet zijn geweest van het feit dat zij nog steeds gehuwd was.

Voorts staat in voormeld proces-verbaal (pagina 7, 'hersteltermijn') vermeld dat naar aanleiding van de aanvraag van een uitkering verdachte een hersteltermijn is geboden om ontbrekende gegevens te verstrekken, waaronder de koopakte en hypotheekakte. Uit onderzoek is gebleken dat verdachte die aktes heeft verstrekt, zo staat vermeld. Uit de in de bijlagen bij het dossier gevoegde aktes blijkt verdachtes mede-eigendom van de betreffende woning.

Gelet op voorgaande overwegingen zal het hof verdachte eveneens vrijspreken van de onderdelen betreffende het niet opgeven 'nog steeds gehuwd te zijn' en 'mede-eigenaar te zijn van de woning [adres] te [woonplaats]'.

Bewezenverklaring

Het hof acht bewezen dat:

zij in de periode van 14 juni 2003 tot en met 1 december 2006 te [plaats], meermalen, telkens een geschrift, zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - te weten een formulier van de gemeente [gemeente], sector Sociale Zaken te [plaats], waarop opgave moest worden gedaan (onder meer) van samenwoning - telkens valselijk heeft opgemaakt, immers heeft verdachte valselijk de samenwoning met [betrokkene 1] niet opgegeven en telkens dat formulier ondertekend, met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

Valsheid in geschrift, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid

Het hof acht verdachte strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden niet aanwezig geacht.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de aard en ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon van verdachte. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich in de periode van 14 juni 2003 tot en met 1 december 2006 schuldig gemaakt aan valsheid in geschrift door opzettelijk op de formulieren van de sector Sociale Zaken te [plaats] niet in te vullen dat zij in de genoemde periode samenwoonde met [betrokkene 1]. Hierdoor heeft zij gedurende deze lange periode ten onrechte een uitkering (voor alleenstaanden) ontvangen.

Verdachte heeft door haar handelen misbruik gemaakt van het sociale zekerheidsstelsel. Daarnaast heeft de gemeente [gemeente] grote financiële schade opgelopen door het handelen van verdachte. De gemeente [gemeente] is door verdachte voor een totaalbedrag van (bruto) € 54.467,07, benadeeld.

Uit het verdachte betreffende Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 28 juni 2010 blijkt, dat verdachte niet eerder is veroordeeld ter zake van strafbare feiten.

Gelet op het voorgaande en rekening houdend met zowel de persoonlijke omstandigheden van verdachte als met een geringe overschrijding van de wettelijke termijn, acht het hof in dit geval een onvoorwaardelijke werkstraf voor de duur van 100 uren, subsidiair 50 dagen hechtenis, een passende bestraffing.

Daarnaast zal het hof - mede om verdachte ervan te weerhouden opnieuw (soortgelijke) strafbare feiten te plegen - een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden, geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, opleggen.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57 en 225 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte ten laste gelegde bewezen en kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart deze feiten en verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot gevangenisstraf voor de duur van drie maanden;

beveelt, dat de gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd van twee jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

veroordeelt verdachte tevens tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, voor de duur van honderd uren, met bevel voor het geval dat de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis voor de duur van vijftig dagen zal worden toegepast.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. G.M. Meijer-Campfens, voorzitter, mr. O. Anjewierden en mr. G.N. Roes, in tegenwoordigheid van A.L.H. Wilkens als griffier, zijnde mr. Roes voornoemd buiten staat het arrest mede te ondertekenen.