Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2010:BN4691

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
17-08-2010
Datum publicatie
23-08-2010
Zaaknummer
200.046.830
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek tot wijziging van de partneralimentatie niet toegewezen, nu de man onvoldoende inzicht in zijn financiële positie heeft gegeven, met name niet wat betreft zijn vermogen en ondersteuning door derden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Beschikking d.d. 17 augustus 2010

Zaaknummer 200.046.830

HET GERECHTSHOF ARNHEM

Nevenzittingsplaats Leeuwarden

Beschikking in de zaak van

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. B.P.G. Dijkers, kantoorhoudende te Almere,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. M.E. Vande Voort, kantoorhoudende te Badhoevedorp.

Het geding in eerste aanleg

Bij beschikking van 23 juli 2009 heeft de rechtbank Zwolle-Lelystad, locatie Lelystad, het verzoek van de man tot wijziging van de beschikking van 7 februari 2006 van het gerechtshof Arnhem afgewezen.

Het geding in hoger beroep

Bij beroepschrift, binnengekomen op de griffie op 23 oktober 2009, heeft de man verzocht de beschikking van 23 juli 2009 te vernietigen en opnieuw beslissende de partneralimentatie met ingang van 1 juli 2008, dan wel een datum die het hof juist acht, in te trekken, dan wel op nihil te stellen, dan wel vast te stellen op een bedrag dat het hof juist acht, alsmede de door hem verschuldigde partneralimentatie tot aan die datum te bepalen op hetgeen hij ter zake tot 1 juli 2008 feitelijk heeft voldaan, kosten rechtens.

Bij verweerschrift, binnengekomen op de griffie op 10 december 2008, heeft de vrouw het verzoek bestreden en verzocht de man in zijn hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren, althans de beschikking te bekrachtigen, met veroordeling van de man in de kosten van deze procedure, zijnde de griffierechten en de eigen bijdrage van € 98,-.

Het hof heeft kennisgenomen van de overige stukken, waaronder een faxbrief met bijlagen van 13 mei 2010, van mr. Dijkers.

Ter zitting van 25 mei 2010 is de zaak behandeld. Verschenen zijn partijen, bijgestaan door hun advocaten. Mr. Dijkers heeft een pleitnota overgelegd.

De beoordeling

Voorgeschiedenis

1. Partijen zijn ruim 19 jaar met elkaar gehuwd geweest. De echtscheidingsbeschik-king van 5 maart 1985 is op 1 oktober 1985 ingeschreven. Bij beschikking van 27 oktober 1988 heeft de rechtbank Haarlem de door de man te betalen partner-alimentatie vastgesteld op fl. 1.354,- netto per maand tot 1 november 1988 en op fl. 2.093,- vanaf die datum. De door de man te betalen bijdrage aan de vrouw is laatstelijk gewijzigd bij overeenkomst van 23 november 1991. Partijen hebben toen afgesproken dat de vrouw met ingang van 1 mei 1991 fl. 1.500,- (€ 680,67) netto per maand zou ontvangen.

2. In november 2004 heeft de man de rechtbank verzocht de partneralimentatie in tijdsduur te limiteren door die per 1 januari 2004 te beëindigen. Subsidiair was het verzoek de bijdrage op nihil te stellen dan wel te verlagen op grond van gewijzigde omstandigheden die ertoe zouden hebben geleid dat de man geen draagkracht meer had om de alimentatie te voldoen.

3. Bij beschikking van 13 mei 2005 heeft de rechtbank Zwolle-Lelystad het verzoek van de man tot beëindiging van de alimentatie afgewezen en bepaald dat de door de man te betalen alimentatie met ingang van 23 september 2009 - de datum waarop de vrouw de leeftijd van 65 jaar zal hebben bereikt - op nihil wordt gesteld. De rechtbank heeft daartoe vastgesteld dat de geïndexeerde bruto alimentatie per 1 januari 2005 € 1.415,16 bedroeg en dat de draagkracht van de man toereikend was om dat bedrag op te kunnen brengen.

4. In hoger beroep heeft het hof Arnhem bij beschikking van 7 februari 2006 het verzoek van de man tot beëindiging van de onderhoudsverplichting per 1 januari 2004 afgewezen en de termijn van de verplichting verlengd tot 23 september 2009, met de bepaling dat verlenging van deze termijn na ommekomst daarvan niet mogelijk is. Volgens het hof dient het verzoek van de man tot wijziging van het bedrag aan alimentatie te worden afgewezen, omdat de man onvoldoende inzicht heeft gegegeven in zijn vermogenspositie, met als gevolg dat hij tegenover de betwisting van de vrouw zijn stelling dat hij geen dan wel onvoldoende draagkracht heeft, niet aannemelijk heeft gemaakt. In dit verband heeft het hof overwogen dat de man blijkens zijn aangifte inkomstenbelasting 2002 een aanzienlijk vermogen had, onder meer bestaande uit drie onroerende zaken, spaargelden en aandelen in twee BV's en dat dit vermogen blijkens zijn aangiften over 2003 en 2004 in de loop van die jaren sterk is afgenomen. De BV's zouden failliet zijn gegaan en de onroerende zaken zouden zijn verkocht om - een deel van - zijn schulden af te lossen, maar, zo overweegt het hof, de man heeft geen bewijs overgelegd van het failliet zijn van de BV's, van de hoogte van zijn schulden en de opbrengst van het onroerend goed.

5. In zijn verzoekschrift van 24 juli 2008 heeft de man de rechtbank verzocht zijn onderhoudsbijdrage met ingang van 1 juli 2008 te beëindigen, althans op nihil te stellen of te verminderen. De man beroept zich op gewijzigde omstandigheden als bedoeld in artikel 1:401 BW. Omdat zijn inkomen per die datum is verminderd vanwege zijn pensionering, stelt hij geen draagkracht meer te hebben om aan zijn onderhoudsverplichtingen jegens de vrouw te voldoen. Ter zitting bij de rechtbank heeft de man daaraan toegevoegd dat zijn woonlasten zijn gestegen in verband met een verhoging van de rentelasten van de hypotheek.

Voorts heeft de man de rechtbank verzocht de partneralimentatie tot de ingangsdatum van de wijziging te bepalen op hetgeen feitelijk door de man is voldaan.

6. Bij beschikking van 23 juli 2009 heeft de rechtbank Zwolle-Lelystad de verzoeken afgewezen. Volgens de rechtbank heeft de man zijn stelling dat hij niet meer beschikt over het vermogen dat hij in 2002 nog had, tegenover de betwisting van de vrouw en gezien in het licht van hetgeen het gerechtshof in zijn beschikking van 7 februari 2006 hieromtrent reeds heeft overwogen, onvoldoende onderbouwd. Met betrekking tot de wijziging van de woonlasten overweegt de rechtbank dat niet valt in te zien waarom de hypotheeklast is verhoogd. Ten slotte acht de rechtbank het ongeloofwaardig dat de man gedurende lange tijd een situatie heeft laten voortbestaan waarin de maandelijkse lasten de maandelijkse inkomsten overstijgen. Weliswaar heeft de man ter zitting aangevoerd dat hij geldelijk wordt ondersteund door vrienden en kennissen, maar de rechtbank gaat daaraan voorbij omdat de man zijn stelling niet met concrete gegevens heeft onderbouwd. De slotsom van de rechtbank is dat de man onvoldoende heeft aangetoond dat er sprake is van een rechtens relevante wijziging van omstandigheden die een hernieuwde beoordeling rechtvaardigt.

Standpunten partijen

7. In beroep heeft de man zijn door de rechtbank verworpen verzoeken herhaald. Zijn vermogen is niet toereikend - en is dat ook niet geweest - om daaruit een deel van de maandelijkse onderhoudsverplichtingen te voldoen. De woonlasten zijn hoger geworden omdat de rentevaste periode afliep en de hypotheek tegen een hoger rentepercentage moest worden voortgezet. En de man ontvangt - nog steeds - per maand gemiddeld € 800,- tot € 1.000,- van een viertal vrienden. Ten slotte stelt de man dat hij de opgelopen betalingsachterstand (thans ongeveer € 77.000,-) nooit meer zal kunnen inlopen.

Volgens de man heeft zijn box 3 vermogen in 2002 gemiddeld € 79.246,- bedragen. Aan bank-, giro en spaartegoeden bezat de man ongeveer € 12.000,-. Dat geld zou zijn opgegaan lopende verplichtingen, waaronder partneralimentatie, en levensonderhoud. Daarnaast was er een huis in Spanje (waarde € 158.823,- en een schuld van € 117.674,-) en een verhuurde woning in Amsterdam (waarde € 170.000,- en een schuld van € 67.046). Beide huizen zijn inmiddels verkocht om reeds aangegane verplichtingen te kunnen voldoen. Voorts zou zijn vermogen vanaf 2003 afgenomen zijn tot nihil, omdat de waarde van zijn aandelenkapitaal in BBB Beheer BV en Alberan Holding BV zou zijn verdampt.

8. De kern van het verhaal van de man is dat het vanaf 2002 snel bergafwaarts is gegaan met de bedrijven waarmee hij zijn geld verdiende. Daardoor is zijn vermogen verdampt en heeft hij zijn inkomen verloren.

9. De vrouw heeft verzocht de beschikking van de rechtbank te bekrachtigen en de man te veroordelen in de proceskosten. De vrouw betwist dat de man in 2003 in financiële malaise terecht zou zijn gekomen. De man zou in 2003 twee van zijn onroerende goederen (in Amsterdam) ver beneden de marktwaarde hebben verkocht en voor ruim € 105.000,- in zijn eigen woning hebben verbouwd. Daarnaast heeft de man in haar ogen nog steeds niet aangetoond waar het gigantische vermogen is gebleven dat hij ontvangen heeft na de echtscheiding. In totaal zouden hem toen 25 woningen zijn toegescheiden.

Ontvankelijkheid

10. De man beroept zich op gewijzigde omstandigheden. Hij stelt daartoe dat hij wegens pensionering is gestopt met werken en dat zijn woonlasten zijn gestegen. Gelet hierop is de man ontvankelijk in zijn verzoek.

11. De man voert tevens aan dat zijn draagkracht ook voor deze wijzigingen niet toereikend was om aan zijn onderhoudsverplichtingen jegens de vrouw te voldoen. Volgens de man heeft hij de partneralimentatie betaald zolang hij kon. In 2003 zijn de eerste betalingsachterstanden ontstaan. In januari 2004 is het eerste beslag gelegd. Vanaf die tijd heeft de man niets meer rechtstreeks aan de vrouw betaald, maar zijn er uitsluitend betalingen verricht door tussenkomst van deurwaarders en later het LBIO.

12. Het hof begrijpt dat de man aldus teruggrijpt naar de situatie per 1 januari 2004. Daarover heeft uiteindelijk het hof Arnhem bij beschikking van 7 februari 2006 - kort gezegd - geoordeeld dat de man geacht werd per 1 januari 2004 nog steeds aan zijn betalingsverplichtingen jegens de vrouw te kunnen voldoen. Dit oordeel kan thans niet ter discussie staan. Thans gaat het om de beoordeling van de situatie per 1 juli 2008.

Het hof acht deze vaststelling met name relevant voor zover het toekomt aan de vraag of er aanleiding bestaat de betalingsachterstanden van de man kwijt te schelden; zij staat er niet aan in de weg dat het hof thans de financiële positie van de man ten volle in beschouwing kan nemen. Dat betekent dat de man wordt toegelaten een hernieuwde poging te doen zijn destijds door het hof Arnhem verworpen stellingen te onderbouwen en te bewijzen of althans genoegzaam aannemelijk te maken. Dit betreft dan met name zijn vermogenspositie in 2002 en de jaren erna.

Het oordeel van het hof

De bedrijven van de man

13. Volgens de man is hij 100% eigenaar van twee BV’s, te weten BBB Beheer BV en Alberan Holding BV. Beide BV’s bestonden bij de gratie van deelnemingen in andere BV’s.

Voor BBB Beheer BV waren dat er twee, namelijk BSN Holding BV en Oso Iberia SA. BSN Holding BV had op haar beurt weer twee deelnemingen en wel in bedrijven die in 2004/2005 beide failliet zouden zijn gegaan. Hieromtrent zijn geen stukken voorhanden. BSN Holding BV zou als gevolg hiervan nog slechts een slapend bestaan leiden. Het Spaanse Oso Iberia SA zou in 2003 alle activiteiten hebben gestaakt. Hieromtrent ontbreken eveneens stukken.

Bij Alberan Holding BV ging het om vijf deelnemingen. RSC Consultacy BV dat op 23 mei 2007 is ontbonden; BSN Holding BV, dat hiervoor reeds ter sprake is geweest; MBVN Projectbouw BV, waarvan het faillissement op 3 juli 2007 is opgeheven wegens gebrek aan baten; RunShopCorner Hoorn BV, waarvan het faillissement in 2004 is opgeheven en Senior Cad Systems BV, waarvan het faillissement in 2005 is opgeheven.

14. Het hof stelt vast dat de man aldus slechts van een aantal onderliggende BV’s met stukken heeft onderbouwd dat ze op enig moment failliet zijn gegaan. Dit kan niet meer dan het begin van het bewijs opleveren dat BBB Beheer BV en Alberan Holding BV waardeloos zouden zijn geworden, zodat de waarde van het aandelenkapitaal van de man volledig verdampt zou zijn. Meer bewijs heeft de man niet geboden en is ook anderszins niet in het dossier voorhanden.

Meer in het algemeen is de man zeer bescheiden gebleven als het gaat om het verstrekken van inzichten in en achtergronden van zijn financiële situatie en de ontwikkeling daarvan. Hoeveel kapitaal zou zijn verdampt, is onbesproken gebleven. En het is niet helder geworden waarom het zo slecht ging met de verschillende BV’s en of de situatie geleidelijk of plotsklaps sterk achteruit is gegaan. De opmerking van de man dat het sinds 2003 snel bergafwaarts is gegaan, suggereert het laatste, maar is niet verder onderbouwd.

Het vermogen van de man

* Algemeen

15. Het hof stelt allereerst vast dat uit de aangifte van de man blijkt dat het box 3 vermogen in 2002 niet € 79.246,- heeft bedragen, zoals door de man in beroep naar voren is gebracht, maar € 115.538,-.

* Bank-, giro- en spaartegoeden

16. Volgens de man is het saldo vanaf 2002 verder afgenomen. Het geld zou zijn besteed aan het voldoen van lopende verplichtingen en aan het huishouden.

De aangifte over het jaar 2003 laat evenwel zien dat het saldo dat jaar € 2.000,- hoger is geworden.

* Huis in Spanje

17. De woning is in 2004 verkocht voor € 236.000,-. De hypotheekschuld bedroeg € 112.616,-, zodat een overwaarde is gerealiseerd van € 123.384,-. Volgens de man is die overwaarde aangewend om de verbouwingen die in het verleden hebben plaatsgevonden te voldoen.

Dit betekent dat het huis voor een aanzienlijk hoger bedrag (bijna € 80.000,-) is verkocht dan waarvoor het in 2002 in de boeken stond. Dit zou verband kunnen hebben met de verbouwingen waarvan de man spreekt. Dit zou echter betekenen dat de verbouwingen zouden zijn uitgevoerd in een tijdvak dat de man naar zijn zeggen al in zwaar weer verkeerde.

Hoe dit ook zij, behoudens het noemen van de genoemde bedragen heeft de man geen enkele informatie verschaft over de kosten en de financiering van de verbouwingen. Voorts heeft hij op geen enkele wijze aangetoond dat de overwaarde daadwerkelijk is aangewend om openstaande verbouwingsrekeningen te voldoen.

* Onroerend goed Amsterdam

18. De man voert aan dat hij in 2003 (ook) de woning [adres] noodgedwongen heeft moeten verkopen. De woning is verkocht voor € 210.000,- terwijl de schuldrest afgerond € 70.000,- bedroeg. De verkoopopbrengst van € 140.000,- heeft de man naar zijn zeggen nagenoeg geheel aangewend voor de reeds gepleegde, noodzakelijke aanpassingen van de door hem in 2002 voor eigen gebruik gekochte woning in [woonplaats]. De man somt op:

- aankoopcourtage € 5.950,-

- verbouwing Hennie Totaal Service € 35.000,-

- Keuken Rolff € 41.053,- en € 3.185,- en € 16,- (is totaal € 44.254,-)

- wasmachine en droger €4.386,-

- inrichtingskosten Nikka € 26.562,-

- tuin € 7.700,-

19. Uit het door de man in latere instantie overgelegde "koopcontract appartementenrecht" blijkt dat de vrouw terecht heeft aangevoerd dat het onroerend goed in kwestie twee woningen omvat, te weten [adres].

Volgens de vrouw heeft de man de woningen ver beneden de marktwaarde van de hand gedaan. De woning 17-huis zou begin 2005, dus een klein jaar later, alleen al doorverkocht zijn voor € 343.000,-. En in 2002 zou een vergelijkbare woning voor € 330.000,- zijn verkocht.

20. De stukken die de vrouw in dit verband heeft overgelegd betreffen de verkoop van de woning [adres] (en dus niet 17-huis) in 2005 voor € 343.000,- en van de woning 25-huis in september 2002 voor € 330.000,-. De man heeft niet betwist dat dit vergelijkbare woningen betreft. Voorts blijkt uit het koopcontract dat de WOZ-waarde van de woningen 17-huis en 21-boven respectievelijk € 199.663,- en € 203.747,- bedraagt, tezamen dus € 403.410,-.

21. Al met al is op zijn minst de schijn gewekt dat de man de woningen ver beneden de marktwaarde van de hand heeft gedaan. Het enkele feit dat de woningen in verhuurde staat verkeerden, biedt onvoldoende verklaring voor een zo lage opbrengst als door de man gerealiseerd. Opmerkelijk is nog dat de koper de [koper] is, blijkens een aanhangsel aan het contract de [naam] van Hennie Totaal Service, hiervoor genoemd, die het huis van de man in [woonplaats] heeft verbouwd.

22. Overigens is het ook opmerkelijk dat de man in tijden dat hij naar zijn zeggen financieel aan de grond begint te lopen een nieuwe woning koopt in [woonplaats] voor € 400.000,- en vervolgens bijna € 120.000,- spendeert aan verbouwings- en inrichtingskosten. De koopakte is 25 november 2002 ondertekend en gezien de leveringsbepaling in het contract (op 15 mei 2003 of zoveel eerder als partijen nader overeenkomen) en de nota van de makelaar d.d. 4 maart 2003, heeft het transport zeer waarschijnlijk in het voorjaar van 2003 plaatsgevonden. De nota van Rolff keukens is van 25 juni 2003, die van de wasmachine en de wasdroger van 4 juli 2003 en die van Nikka interieur design van 22 september 2003. Nota's van Hennie Totaal Service en voor de tuin zijn overigens niet aangetroffen.

* Woning [woonplaats]

23. Over de wijze waarop de woning van de man in [woonplaats] is gefinancierd geven de stukken geen uitsluitsel. Op 31 december 2008 bedroeg de hypotheekschuld € 433.125,- en in 2008 is € 21.945,- aan rente betaald (5,4%). Maar in de draagkrachtberekening die de rechtbank Zwolle-Lelystad in haar beschikking van 13 mei 2005 heeft gehanteerd, wordt uitgegaan van een hypotheekrente van in totaal € 1.062,- per maand, oftewel € 12.744,- op jaarbasis. Een verklaring voor dit verschil is achterwege gebleven. Een mogelijke verklaring is dat de man in eerste instantie een deel van de koopsom op een andere wijze heeft gefinancierd. Hij had dit echter dienen toe te lichten en te onderbouwen.

* Vermogen na echtscheiding

24. De vrouw heeft nog de vraag opgeworpen wat de man met het omvangrijke vermogen heeft gedaan dat hij na de echtscheiding heeft ontvangen. Onweersproken heeft de man vijf panden, in elk waarvan drie woningen, in de [adres] toebedeeld gekregen, alsmede woningen in de [adres]; tien volgens de vrouw, negen volgens de man. Uit het echtscheidingsconvenant van 18 december 1987 blijkt dat de man daartegenover een schuldenlast is toebedeeld van fl. 1.034.420,-, dat is omgerekend ongeveer € 470.000,-. Hierin is begrepen een bedrag van fl. 250.000,- (ongeveer € 113.600,-) hypotheekschuld voor de aan de vrouw toebedeelde echtelijke woning. Dat betekent voor de 25 woningen in Amsterdam gemiddeld per woning een schuld van nog geen € 14.500,- resteerde (dan wel, wanneer het 24 woningen waren, nog geen € 15.000,-).

25. Volgens de man heeft hij de vijf panden aan de Marco Polostraat in 1996 in één keer verkocht aan de gemeente Amsterdam en heeft hij van de opbrengst, ook in 1996, zijn huis in Spanje gefinancierd. Zeven van de negen woningen aan de [adres] heeft hij tussen 1990 en 2000 verkocht en de laatste twee, zoals gezegd, in 2003.

26. Behoudens wat betreft de twee laatste woningen aan de [adres] heeft de man geen stukken overgelegd die zijn betoog ondersteunen. Wat er met de opbrengst van de andere zeven woningen in de [adres] is gebeurd, laat de man geheel onbesproken. Dat hij van de opbrengst van de verkoop van vijftien woningen in Amsterdam (met een geringe hypotheeklast) niet meer heeft kunnen doen dan een tweede huis in Spanje kopen, acht het hof zonder nadere toelichting onwaarachtig. Bovendien roept het de vraag op waarom er dan een hypotheek rustte op deze woning in Spanje.

27. De conclusie is dat de man er niet in is geslaagd een bevredigend antwoord te geven op de vraag wat er is gebeurd met het vermogen dat hem bij de scheiding ten deel is gevallen.

De ondersteuning door vrienden

28. De man doet voorkomen dat hij gedurende lange tijd een situatie heeft laten voortduren waarin de maandelijkse lasten de maandelijkse inkomsten overstijgen. Sinds hij met pensioen is gegaan is die overschrijding volgens de door de man in eerste aanleg overgelegde draagkrachtberekening zelfs omvangrijk. De man rekent een besteedbaar maandinkomen voor van € 2.251,- met daartegenover een draagkrachtloos inkomen van € 3.710,- waarin begrepen een woonlast van € 1.842,-. Verhuisplannen heeft de man niet, vermogen ook niet.

29. In zijn beroepschrift herhaalt de man hetgeen hij ook bij de rechtbank naar voren heeft gebracht, namelijk dat hij ondersteund wordt door vrienden en kennissen. De man claimt per maand gemiddeld € 800,- tot € 1.000,- te ontvangen van een viertal vrienden. Hij voegt daaraan toe dat deze mensen niet bereid zijn daarover enige verklaring op schrift te stellen, dat alle betalingen zijn gebaseerd op vertrouwen en welwillendheid en dat niets is vastgelegd in overeenkomsten of anderszins.

30. Ter terechtzitting heeft de man desgevraagd aan deze stelling niet meer toe willen voegen dan dat deze vrienden wel een reden zullen hebben om hem financieel te ondersteunen. Aldus drijft de man de gedachten in de richting van voor wat hoort wat, van heimelijke deals en afspraken in het verleden, waaromtrent de man niet wenst te verklaren, maar waarvan hij thans maandelijks de vruchten plukt.

Slotsom

31. Hoe het ook zij, de slotsom kan niet anders luiden dan dat de man niet in staat of bereid is gebleken een ook maar enigszins helder beeld te verschaffen van zijn vermogenspositie en hoe die zich in de loop der jaren heeft ontwikkeld en geen bevredigende verklaring geeft voor de inkomensondersteuning die hij al jarenlang zegt te genieten. Dit brengt met zich mee dat het hof de rechtbank volgt in het oordeel dat de gewijzigde omstandigheden die de man heeft aangevoerd rechtens niet relevant zijn en daarom geen aanleiding kunnen vormen voor een hernieuwde beoordeling van zijn alimentatieverplichting.

Proceskosten

32. De man dient - zoals door de vrouw is verzocht - als de in het ongelijk te stellen partij te worden veroordeeld in de kosten van het geding in hoger beroep. De proceskosten van de vrouw worden overeenkomstig het forfaitaire liquidatietarief begroot op € 1.788,- voor salaris van de advocaat (tarief II, 2 punten). Daarnaast is € 262,- aan verschotten (griffierecht) verschuldigd, waarvan € 196,50 in debet is gesteld. Omdat de vrouw op basis van een toevoeging heeft geprocedeerd, dient de man deze kosten - met uitzondering van het niet in debet gestelde deel van het griffierecht - op grond van art. 243 lid 1 Rv (juncto artt. 289 en 362 Rv.) aan de griffier te voldoen, die daarmee zal handelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 243 lid 2 Rv.

De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep;

veroordeelt de man in de kosten van het geding in hoger beroep en begroot die tot aan deze uitspraak aan de zijde van de vrouw op € 262,- aan verschotten en op € 1.788,- aan salaris voor de advocaat;

bepaalt dat van voormelde bedragen aan de griffier van dit hof dient te worden voldaan € 196,50 aan verschotten en € 1.788,- aan salaris, die daarmee zal handelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 243 lid 2 Rv;

verklaart de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Aldus gegeven door mrs. Van Veen, voorzitter, Dijkstra en Bosch, raden, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 17 augustus 2010 in bijzijn van de griffier.