Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2010:BN4204

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
19-08-2010
Datum publicatie
19-08-2010
Zaaknummer
21-001670-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Auswitch-cartoon - Bagatellisering holcaust beledigd over Joden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2010/294

Uitspraak

Sector strafrecht

Parketnummer: 21-001670-10

Uitspraak d.d.: 19 augustus 2010

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Utrecht van 22 april 2010 in de strafzaak tegen

ARABISCH EUROPESE LIGA NEDERLAND,

gevestigd te 2140 Antwerpen (België), Moerkenseplein 34.

1. De procedure

In eerste aanleg is verdachte gedagvaard voor de rechtbank te Utrecht. De zaak is daar behandeld op de terechtzittingen van 25 januari 2010, 1 februari 2010 en 8 april 2010. De rechtbank heeft op 22 april 2010 uitspraak gedaan. In dit vonnis is verdachte vrijgesproken van (alle varianten van) het aan haar tenlastegelegde.

De officier van justitie heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld en tijdig een schriftuur, houdende grieven tegen het vonnis, ingediend.

De zaak is behandeld ter openbare zitting van het gerechtshof op 5 augustus 2010. Verdachte is verschenen in de persoon van haar voorzitter, [betrokkene], en werd bijgestaan door mr A. Boumanjal, advocaat te Utrecht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de rechtbank zal vernietigen, het tenlastegelegde bewezen zal verklaren en verdachte zal veroordelen tot een geldboete van € 2.500,-- waarvan € 1.500,-- voorwaardelijk.

De raadsman heeft bepleit dat het hof het openbaar ministerie niet-ontvankelijk zal verklaren in de vervolging, danwel -subsidiair- verdachte zal vrijspreken.

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek voormelde terechtzitting van het hof en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

2. De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1:

zij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 2 februari

2006 tot en met 16 september 2009 te Utrecht, althans in Nederland, tezamen

en/of in vereniging met [betrokkene] zich meermalen, althans éénmaal,

(telkens) in het openbaar bij geschrift en/of afbeelding opzettelijk

beledigend heeft uitgelaten over een groep mensen, te weten Joden, wegens hun

ras en/of godsdienst, door op de website www.arabeuropean.org/netherland

en/of www.almouftinoun.arabeuropean.org en/of www.almouftinoun.com, althans

op een website van de AEL, een cartoon te plaatsen met de volgende inhoud:

twee Joodse mannen bestuderen lijken onder het bordje 'Auswitch'. De ene

Joodse man zegt: 'I don't think they are Jews'. De andere Joodse man zegt: 'We

have to get to the 6.000.000 somehow';

en/of

zij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 2 februari

2006 tot en met 16 september 2009 te Utrecht, althans in Nederland,

meermalen, althans éénmaal, (telkens) tezamen en/of in vereniging met

[betrokkene], anders dan ten behoeve van zakelijke berichtgeving, een uiting

openbaar heeft gemaakt, die, naar zij wist of redelijkerwijs moest vermoeden,

voor een groep mensen, te weten Joden, wegens hun ras en/of godsdienst,

beledigend is door op de website www.arabeuropean.org/netherland en/of

www.almouftinoun.arabeuropean.org en/of www.almouftinoun.com, althans op een

website van de AEL, een cartoon te plaatsen met de volgende inhoud: twee

Joodse mannen bestuderen lijken onder het bordje 'Auswitch'. De ene Joodse

man zegt: 'I don't think they are Jews'. De andere Joodse man zegt: 'We have to

get to the 6.000.000 somehow';

2:

zij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 19 augustus

2009 tot en met 2 september 2009 te Utrecht, althans in Nederland, tezamen

en/of in vereniging met [betrokkene] zich meermalen, althans éénmaal,

(telkens) in het openbaar bij geschrift en/of afbeelding opzettelijk

beledigend heeft uitgelaten over een groep mensen, te weten Joden, wegens hun

ras en/of godsdienst, door op de website www.arabeuropean.org/netherland een

cartoon te plaatsen met de volgende inhoud: twee Joodse mannen bestuderen

lijken onder het bordje 'Auswitch'. De ene Joodse man zegt: 'I don't think

they are Jews'. De andere Joodse man zegt: 'We have to get to the 6.000.000

somehow';

en/of

zij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 19 augustus

2009 tot en met 2 september 2009 te Utrecht, althans in Nederland, meermalen,

althans éénmaal, (telkens) tezamen en/of in vereniging met [betrokkene],

anders dan ten behoeve van zakelijke berichtgeving, een uiting openbaar heeft

gemaakt, die, naar zij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, voor een groep

mensen, te weten Joden, wegens hun ras en/of godsdienst, beledigend is door

op de website www.arabeuropean.org/netherland een cartoon te plaatsen met de

volgende inhoud: twee Joodse mannen bestuderen lijken onder het bordje

'Auswitch'. De ene Joodse man zegt: 'I don't think they are Jews'. De andere

Joodse man zegt: 'We have to get to the 6.000.000 somehow'.

3. Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

3.1

Door de raadsman van verdachte zijn een aantal verweren opgeworpen op grond waarvan hij concludeert tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging.

3.1.1

Als eerste is door de raadsman aangevoerd dat volgens de Aanwijzing discriminatie van het College van procureurs-generaal (Stcrt. 2007, 233) eerst tot vervolging kan worden overgegaan, indien de strafbaarheid van de uitlating is komen vast te staan; er moet in de opvatting van de raadsman van evidente strafbaarheid sprake zijn. Uit het door het Landelijk Expertise Centrum Discriminatie (hierna: LECD) uitgevoerd onderzoek zou, volgens de raadsman, blijken dat van evidente strafbaarheid geen sprake was. Tevens stelt de raadsman dat de officier van justitie de begeleidende tekst bij de cartoon, waarin de feitelijke inhoud daarvan wordt weersproken en waarin een verantwoording wordt gegeven, door verdachte aangeduid als de zogenaamde “disclaimer”, in het onderzoek had moeten betrekken. Nu dit is nagelaten heeft de officier van justitie, volgens de verdediging, niet de nodige zorgvuldigheid in acht genomen en was geen afgewogen oordeel mogelijk waar het aankomt op de strafbaarheid.

3.1.1.1

De Aanwijzing discriminatie houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:

Vervolging

1. [] Sommige discriminatiezaken dienen door de discriminatieofficier aan de hand van de Handleiding gevoelige zaken als gevoelige zaak te worden aangemerkt. Gevoelige zaken worden altijd ter advisering aan het LECD-OM voorgelegd. De discriminatieofficier zal de voorgenomen vervolgingsbeslissing vergezeld van het advies van het LECD-OM door tussenkomst van de Hoofdofficier ter besluitvorming aan het College van procureurs-generaal aanbieden.

2. Hoofdregel

Hoofdregel is dat bij overtreding van de discriminatiebepalingen, indien de zaak bewijsbaar en de verdachte strafbaar is, altijd een strafrechtelijke reactie volgt (dagvaarding of transactie), gelet op de negatieve werking bij onvoldoende handhaving en de voorbeeldfunctie die van een strafvervolging uitgaat.

3.1.1.2

Het hof heeft zich de vraag te stellen, of de hier bedoelde regels wel moeten worden aangemerkt als rechtsregels aan de hand waarvan de onderhavige vervolging moet worden getoetst. Het hof beantwoordt die vraag ontkennend. Weliswaar gaat het om een gepubliceerde richtlijn die het openbaar ministerie bindt, maar deze beleidsregels lenen zich er naar inhoud en strekking niet toe jegens de justitiabele als rechtsregels te worden toegepast. Zij richten zich tot de parketten met aanwijzingen waarmee beoogd wordt kwalitatief goede vervolgingsbeslissingen tot stand te brengen en terughoudendheid te betrachten in de bevoegdheid tot seponeren. Het hof is van oordeel dat burgers aan deze regels geen rechten kunnen ontlenen.

3.1.1.3

Het hof zal voor de gedachtenvorming - zoals het uit vorenstaande volgt, ten overvloede - de vervolgingsbeslissing toetsen aan de Aanwijzing discriminatie.

De in de aanwijzing voorgeschreven procedure voor “gevoelige zaken” is gevolgd. Uit de brief van de Hoofdofficier te Utrecht d.d. 6 november 2006 aan het College van procureurs-generaal blijkt het volgende standpunt van het LECD ten aanzien van de betreffende cartoon (verder ook kortweg “de Auswitchcartoon” (spelling als op de websites) te noemen):

In reactie op het plaatsen van de Deense cartoons heeft de Arab-European League (AEL) cartoons op internet geplaatst. De AEL verklaart op de site dat ze met het plaatsen van deze cartoons de vrijheid van meningsuiting propageren. Als activist, kunstenaar of columnist moet men in een open samenleving kunnen provoceren, zo verklaart de AEL. []

Het LECD is van mening dat ten aanzien van deze cartoon niet op voorhand gezegd kan worden dat de weging en waardering van de omstandigheden door de rechter zullen leiden tot het oordeel dat de grens van vrijheid van artistieke expressie niet is overschreden. [] Los van de vraag of deze cartoon een ‘kunstuiting’ betreft is op een zo duidelijke wijze gesuggereerd dat Joden de holocaust verzinnen, dat het beledigende karakter zeer prominent aanwezig is. Daarnaast kan op voorhand niet gesteld worden dat de vrijheid van artistieke expressie in casu niet misbruikt wordt om beledigingen te uiten. Ik (de

Hoofdofficier; hof) ben van mening dat deze cartoon voorgelegd zou moeten worden aan de rechter. De uitlating is beledigend voor Joden vanwege hun ras/godsdienst en op voorhand kan niet gesteld worden dat het beledigend karakter wordt weggenomen vanwege de vrijheid van artistieke expressie. De rechter zal in casu deze belangafweging moeten maken. [] Ik adviseer echter niet direct te vervolgen. Ten eerste omdat het plaatsen van deze cartoon zeer situationeel en reactief is op de publicatie van de Deense cartoons. []

De brief d.d. 17 augustus 2009 van de officier van justitie aan verdachte houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:

Voorstel tot afdoening. Wij nemen aan dat u inziet dat de hierboven beschreven cartoon een strafbare uitlating in de zin van artikel 137e is. Tegen de AEL kan derhalve vervolging worden ingesteld wegens het verspreiden van de tweede cartoon. Het OM heeft bij de beslissing over deze zaak echter mee laten wegen dat de cartoons op de website werden geplaatst in een, wellicht emotionele, reactie op de Deense cartoons.

Het hof stelt vast dat uit het hiervoor weergegeven citaat blijkt dat de door de AEL als begeleidende tekst bij de cartoons geplaatste “disclaimer” wel degelijk door het openbaar ministerie onder ogen is gezien bij de besluitvorming over de vervolging. Dit bezwaar van de raadsman mist dus feitelijke grondslag.

Overigens verenigt het hof zich niet met het standpunt van de raadsman, dat in de “Hoofdregel” de eis is neergelegd, dat het gaat om een evident bewijsbaar en strafbaar geval. Het hof is van oordeel dat de door de raadsman bepleite “evidente strafbaarheid” als voorwaarde voor vervolging geen grondslag vindt in wet- en regelgeving (meer in het bijzonder niet in de Aanwijzing discriminatie), noch in de jurisprudentie.

Het zou trouwens zeer ongewenst zijn, als de behandelende officier van justitie niet in twijfelgevallen kon beslissen een zaak aan te brengen teneinde een oordeel van de rechter te krijgen.

3.1.1.4

Het op deze gronden gevoerde beroep op niet-ontvankelijkheid wordt daarom door het hof verworpen.

3.1.2

Een tweede grond voor niet-ontvankelijkheid ziet de raadsman in een onjuiste hantering van het opportuniteitsbeginsel.

Door de formulering van de Aanwijzing discriminatie wordt in discriminatiezaken een afweging van belangen achterwege gelaten. Nu het openbaar ministerie dit ten onrechte nalaat, zal de rechter de vervolgingsbeslissing indringender mogen en moeten toetsen dan in andere zaken.

Tevens heeft de raadsman betoogd dat het algemeen belang eerder aan een strafrechtelijke vervolging in de weg staat dan dat het deze rechtvaardigt. Daartoe heeft de verdediging aangevoerd dat het gevaar voor verstoring van de openbare orde een rol dient te spelen bij de vraag of vervolging van discriminatie opportuun te noemen is. In het onderhavige geval zijn aanknopingspunten aanwezig die aantonen dat de openbare orde niet in het gedrang was, volgens de raadsman. Nu enkel het CIDI aangifte heeft gedaan en er ook anderszins geen aanwijzingen zijn voor verstoring van de openbare orde, was er, volgens de verdediging, voor de officier van justitie geen noodzaak dan wel rechtvaardiging te vinden om tot vervolging over te gaan.

Het ultimum remedium karakter van het strafrecht had bovendien de officier van justitie ervan moeten weerhouden strafrechtelijke vervolging in te stellen. Andere, minder ingrijpende, middelen hadden moeten worden aangewend om een uitlating, gedaan ten behoeve van het publieke debat, te sanctioneren, aldus de raadsman.

3.1.2.1

De Aanwijzing discriminatie houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:

3. Opportuniteit

In discriminatiezaken wordt op voorhand aangenomen dat opportuniteit aanwezig is. De beslissing tot een beleidssepot dient dan ook met grote terughoudendheid te worden genomen. Dit neemt echter niet weg dat er in uitzonderingsgevallen redenen van opportuniteit kunnen zijn om niet te vervolgen. In zo’n geval verdient een reactie naar de verdachte, bijvoorbeeld een mondelinge of schriftelijke waarschuwing, aanbeveling.

De hiervóór genoemde brief van de Hoofdofficier te Utrecht houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:

Ik adviseer echter niet direct te vervolgen. Ten eerste omdat het plaatsen van deze cartoon zeer situationeel en reactief is op de publicatie van de Deense cartoons. Een tweede reden is dat de AEL [] geen verzoek tot verwijdering heeft ontvangen van het Meldpunt Discriminatie Internet. De AEL heeft, voor zover mij bekend, tot op heden op geen enkele wijze vernomen dat de cartoon strafbaar wordt geoordeeld.

De brief d.d. 17 augustus 2009 van de officier van justitie aan verdachte houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:

Voorstel tot afdoening. Wij nemen aan dat u inziet dat de hierboven beschreven cartoon een strafbare uitlating in de zin van artikel 137e is. Tegen de AEL kan derhalve vervolging worden ingesteld wegens het verspreiden van de tweede cartoon. Het OM heeft bij de beslissing over deze zaak echter mee laten wegen dat de cartoons op de website werden geplaatst in een, wellicht emotionele, reactie op de Deense cartoons.

Nu u op de hoogte bent van de strafbaarheid van de tweede cartoon, rekenen wij erop dat u mee wilt werken aan de verwijdering van deze cartoon van uw website. De tegen u ingediende aangifte zal voorwaardelijk geseponeerd worden als u de betreffende cartoon binnen 14 dagen na ontvangst van deze brief verwijdert van alle door de AEL beheerde websites die gericht zijn op het Nederlandse publiek en er zorg voor draagt dat de cartoon niet opnieuw op een website van de AEL verschijnt. Als aan deze voorwaarde blijvend is voldaan zal de tegen U ingediende aangifte voorwaardelijk geseponeerd worden met een proeftijd van twee jaar.

Verdachte, die eerder de cartoon van haar websites had verwijderd, heeft op 18 augustus 2009 de cartoon bewust herplaatst als reactie op een persverklaring van het openbaar ministerie, waarin werd gezegd dat de “Auswitchcartoon” wel strafbaar was en de “Deense cartoons” niet. De voorzitter van verdachte heeft dit met zoveel woorden verklaard in een televisie-uitzending van Knevel & Van den Brink op 19 augustus 2009 en ter terechtzitting in eerste aanleg.

3.1.2.3

Nog daargelaten, dat het hof slechts in geval van strijd met beginselen van goede procesorde - die zich niet voordoet - mag treden in de opportuniteit van de vervolging, kan naar het oordeel van het hof, gelet op het vorenstaande, zeker niet worden gezegd dat het openbaar ministerie over een nacht ijs is gegaan toen het besloot tot definitieve vervolging van verdachte over te gaan. De procedure voor gevoelige zaken is gevolgd en in eerste instantie heeft het openbaar ministerie zelfs van vervolging willen afzien als ook op die wijze het door hem gewenste maatschappelijk effect -verwijdering van de cartoon van verdachtes websites- kon worden bereikt.

Het hof is van oordeel dat, toen verdachte daaraan niet haar medewerking wenste te verlenen en zelfs tot herplaatsing van de cartoon overging, het openbaar ministerie in redelijkheid tot vervolging van verdachte kon besluiten. Oók als men, met de raadsman, van mening is dat strafrechtelijk ingrijpen ultimum remedium moet zijn.

De jurisprudentie ten aanzien van uitingsdelicten staat hieraan niet in de weg, met name ook niet die van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM).

Het hof overweegt in dit verband dat door de cartoon de suggestie wordt gewekt dat Joden de holocaust (voor hun eigen gewin) hebben verzonnen of overdreven. Het hof volstaat ermee erop te wijzen, dat het EHRM bij herhaling heeft beslist dat uitlatingen, waarin de holocaust wordt ontkend of gebagatelliseerd, ingaan tegen de waarden die ten grondslag liggen aan het EVRM. Een beroep op de vrijheid van meningsuiting vormt in dat verband een misbruik van grondrechten zoals bedoeld in artikel 17 van het EVRM. Zie ondermeer EHRM 24 juni 2003 (Garaudy vs Frankrijk) en EHRM 23 september 1998 (Lehideux en Isorni vs Frankrijk), par. 47.

3.1.2.4

Het hof merkt ten overvloede op dat de voorzitter van verdachte in zijn verhoor op 14 september 2009 met zoveel woorden heeft verklaard over de reden van herplaatsing: "Laat de rechter hier een uitspraak over doen en daarom hebben we het dus ook op die site weer erop gezet en eigenlijk ook uitgelokt dat het een rechtszaak zou worden, een strafproces." Uiteraard staat dit niet in de weg aan het voeren van het onder 3.1.2 verwoorde verweer, maar het overtuigt niet erg.

3.1.3

De raadsman heeft ook nog gesteld dat vervolging wegens groepsbelediging reeds vanwege de niet-toepasbaarheid van het schadebeginsel in principe achterwege moet worden gelaten.

Het hof onderkent dat belediging van een groep mensen een diffuser karakter heeft dan het beledigen van één bepaalde persoon in het bijzonder. Daar staat echter tegenover dat alle leden van die -vaak grote- groep doelwit zijn van de beledigende uitlating en dat schade zich (dus) laat vóóronderstellen. Dat de een zich meer gekwetst zal voelen dan de ander, doet hier niet aan af.

3.2

Het hof merkt ambtshalve het volgende op. Onder 1. en 2. is, op de pleegperiode na, exact hetzelfde tenlastegelegd. Bij feit 1. luidt de telastegelegde periode "in of omstreeks de periode van 2 februari 2006 tot en met 16 september 2009", bij feit 2. is deze "in of omstreeks de periode van 19 augustus 2009 tot en met 2 september 2009".

De advocaat-generaal heeft als verklaring gegeven dat feit 2. meer specifiek ziet op de herplaatsing van de cartoon. De officier van justitie heeft die kennelijk afzonderlijk tenlaste willen leggen.

Naar het oordeel van het hof wordt die "kennelijke" bedoeling van de officier van justitie in de tekst van de tenlastelegging zelf in onvoldoende mate duidelijk gemaakt. Zoals het er nu staat kan het onder 2. tenlastegelegde niet anders worden gelezen dan als een doublure van hetgeen ook al onder 1. is tenlastegelegd. En daarmee als een - niet geoorloofde - dubbele vervolging voor hetzelfde feit.

Het hof zal het openbaar ministerie daarom met betrekking tot het onder 2. tenlastegelegde niet-ontvankelijk verklaren in zijn vervolging.

4. Inhoudelijke beoordeling

4.1

Het beslissingsschema voor de strafrechtelijke beoordeling van het element "beledigend" in artikel 137c van het Wetboek van Strafrecht is door de Hoge Raad uiteengezet in zijn arrest van 14 januari 2003, LJN AE7632, NJ 2003, 261 met noot van prof. P.A.M. Mevis. Aangenomen moet worden dat de beoordeling van het element "beledigend" in artikel 137e van het Wetboek van Strafrecht niet anders is.

Dit ook wel als "driestappenmodel" aangeduide schema verloopt als volgt:

- in de eerste stap wordt beoordeeld of de betreffende uitlating op zich genomen beledigend is over een groep mensen;

- in de tweede stap wordt beoordeeld of, beschouwd in haar context, de uitlating van betekenis is voor een maatschappelijk debat, waardoor het beledigende karakter kan wegvallen;

- in de derde stap wordt beoordeeld of de uitlating niet onnodig grievend is, in welk geval de uitlating alsnog als "beledigend" kan worden aangemerkt.

De raadsman heeft bepleit, dat de derde stap achterwege dient te worden gelaten, tenzij evident sprake is van misbruik van het recht van vrijheid van meningsuiting als bedoeld in artikel 17 EVRM.

De raadsman onderkent dat de Hoge Raad in zijn arrest van 14 januari 2003 de woorden "onnodig grievend" bezigt en niet "misbruik van recht", maar volgens hem komt daaraan dezelfde strekking toe.

Hoe dit ook zij, het hof merkt -onder verwijzing naar de onder 3.1.2.3 aangehaalde rechtspraak- op dat ontkenning of bagatellisering van de holocaust door het EHRM als misbruik van de vrijheid van meningsuiting als bedoeld in artikel 17 van het EVRM wordt aangemerkt. Er is dan ook geen reden om - zo het hof hieraan toekomt - de derde toets van het "driestappenmodel" niet uit te voeren.

4.2

Er bestaat geen verschil van mening over dat de “Auswitchcartoon”, op zichzelf beschouwd, beledigend is over een groep mensen, Joden, wegens hun ras. Zij worden er -minst genomen- van beticht de holocaust te overdrijven en dus op dit punt onbetrouwbaar te zijn.

Voor de volledigheid merkt het hof op dat de cartoon opzettelijk is geplaatst, in de wetenschap dat de cartooncampage controversieel zou zijn en dat de holocaust een gevoelig onderwerp is, zoals de voorzitter van verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg heeft verklaard. Verdachte heeft zich aldus opzettelijk beledigend uitgelaten, ook al was dat niet het primaire doel van de cartooncampagne.

4.3

Namens verdachte is betoogd dat de context waarin de cartoon is geplaatst met zich brengt, dat geen sprake is van belediging. Het primaire doel van de actie was niet om Joden te beledigen en/of de holocaust te ontkennen, maar om in het publieke debat aandacht te vragen voor de door verdachte onderkende "dubbele moraal" ten aanzien van uitingsdelicten, meer in het bijzonder het verschil in beoordeling van beledigende uitingen tegen moslims en beledigende uitingen door moslims.

Verdachte heeft, aldus de verdediging, die intentie steeds duidelijk over het voetlicht gebracht door persverklaringen, andere uitingen in de media en door de achtergrond ook op haar websites te publiceren (meergenoemde "disclaimer").

4.4

Het hof stelt voorop dat, anders dan de raadsman heeft betoogd, de louter subjectieve intentie van verdachte niet beslissend is. Als bepaalde uitlatingen in hun context moeten worden beschouwd, dan moet die context voor derden kenbaar zijn en moet naar objectieve maatstaven de context zodanig zijn, dat het beledigende karakter van de betreffende uitlating wegvalt.

Het hof is daarbij van oordeel dat bij gebruik van een medium als internet aan degene, die geconfronteerd wordt met een prima facie beledigende cartoon, niet te veel eisen mogen worden gesteld om kennis te kunnen nemen van de context. Naar het oordeel van het hof zijn uitlatingen in andere media daartoe onvoldoende. Bij het doen uitgaan van een persbericht is het steeds de vraag of dat door de media verder zal worden verbreid en ook als dat het geval is, is het geenszins zeker dat de doelgroep -internetgebruikers- daarvan kennis zal nemen. Hetzelfde geldt voor andere uitingen in de media.

Naar het oordeel van het hof is de modaliteit waarbij de tekst van de "disclaimer" tegelijk met de cartoon op het scherm verschijnt, bij uitstek geschikt om de context waarin de cartoon moet worden beschouwd, duidelijk te maken. De tekst van de “disclaimer” zelf is daartoe ook geschikt en laat geen twijfel bestaan over het doel van de publicatie. Gedurende enkele periodes is op enkele van de websites deze methode gebruikt; ten aanzien van die publicaties zou geoordeeld kunnen worden dat het beledigende karakter wegvalt door de context, waarin ze zijn geplaatst.

Een andere categorie is die waarbij de “disclaimer” niet tegelijk met de cartoon wordt getoond. Hier zijn twee subcategorieën te onderscheiden: een waarbij in het geheel geen verwijzing naar enige “disclaimer” wordt getoond en een andere, waarbij de “disclaimer” is op te roepen door het aanklikken van de tekst "Lees meer…" c.q. "Read more…".

Eerstgenoemde subcategorie voldoet naar het oordeel van het hof zonder meer niet aan het vereiste, dat de context eenvoudig kenbaar moet zijn.

Bij de tweede subcategorie is het hof, met enige aarzeling, eveneens van oordeel dat niet aan dit criterium is voldaan. Er dient rekening te worden gehouden met gebruikers van het internet, die niet de moeite zullen nemen om zich in de achtergrond te verdiepen, maar ook met gebruikers die door het enkele kennisnemen van de cartoon dermate geschokt zijn, dat zij niet verder kennis willen nemen van het door verdachte uitgedragen gedachtengoed.

4.5

Ten aanzien van de categorie, waarbij de tekst van de “disclaimer” tegelijk met de cartoon op het scherm verschijnt en waarbij het beledigend karakter door de context opgeheven zou kunnen worden, dient het hof de afsluitende toets aan te leggen, of de uiting onnodig grievend is.

Het hof beantwoordt deze vraag zonder meer bevestigend.

De holocaust is een diepzwarte bladzijde in de geschiedenis van het mensdom. De suggestie dat deze, nota bene door de slachtoffers, op slinkse wijze zou worden verzonnen of overdreven, is buitengewoon krenkend voor de slachtoffers en hun nabestaanden, in deze zaak de Joden. Het hof wijst er nogmaals op dat het EHRM, dat de vrijheid van meningsuiting hoog in het vaandel heeft staan en daaraan in verregaande mate bescherming biedt, de ontkenning of bagatellisering van de holocaust daarvan uitzondert.

Het hof overweegt voorts dat de plaatsing van de cartoon niet alleen grievend, maar meer grievend is dan voor het door verdachte beoogde doel - deelname aan het maatschappelijk debat over de “dubbele moraal” ten aanzien van uitingsdelicten – gerechtvaardigd is. Dat doel had ook op vele andere wijzen kunnen worden bereikt. Daarmee is de uiting onnodig grievend te achten.

4.6

Het hof realiseert zich, dat met een veroordeling van verdachte op de vrijheid van meningsuiting, die ook ruimte moet bieden aan uiting van ideeën die kwetsen en choqueren, een inbreuk wordt gemaakt. Daarbij rijst de vraag, of de uit een veroordeling voortvloeiende beperkingen noodzakelijk zijn in een democratische maatschappij. Het hof is van mening, dat dit wel het geval is. De Joodse bevolkingsgroep zal, als elk andere bevolkingsgroep, tot op zekere hoogte bestand moeten zijn tegen kritische uitingen, ook al zouden die als krenkend kunnen worden ervaren, maar zij heeft er zonder meer recht op, verschoond te blijven van ernstige kwetsingen op basis van de holocaust. Oplegging van een bescheiden vermogenssanctie is een met de vrijheid van meningsuiting verenigbare maatregel om dergelijke krenkingen tegen te gaan.

4.7

Op grond van het vorenstaande komt het hof tot het oordeel, dat verdachte zich heeft

schuldig gemaakt aan opzettelijke belediging van een groep mensen wegens hun ras, zoals bedoeld in artikel 137c van het Wetboek van Strafrecht.

4.8

De beoordeling onder artikel 137e van het Wetboek van Strafrecht, zoals cumulatief ten

laste is gelegd, leidt tot dezelfde conclusie.

5. Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging verkregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

zij op tijdstippen in of omstreeks de periode van 2 februari

2006 tot en met 16 september 2009 te Utrecht, althans in Nederland, tezamen

en in vereniging met [betrokkene] zich meermalen,

telkens in het openbaar bij afbeelding opzettelijk

beledigend heeft uitgelaten over een groep mensen, te weten Joden, wegens hun

ras, door op de website www.arabeuropean.org/netherland

en www.almouftinoun.arabeuropean.org en www.almouftinoun.com,

een cartoon te plaatsen met de volgende inhoud:

twee Joodse mannen bestuderen lijken onder het bordje 'Auswitch'. De ene

Joodse man zegt: 'I don't think they are Jews'. De andere Joodse man zegt: 'We

have to get to the 6.000.000 somehow';

en

zij op tijdstippen in of omstreeks de periode van 2 februari

2006 tot en met 16 september 2009 te Utrecht, althans in Nederland,

meermalen, telkens tezamen en in vereniging met

[betrokkene], anders dan ten behoeve van zakelijke berichtgeving, een uiting

openbaar heeft gemaakt, die, naar zij wist of redelijkerwijs moest vermoeden,

voor een groep mensen, te weten Joden, wegens hun ras,

beledigend is door op de website www.arabeuropean.org/netherland en

www.almouftinoun.arabeuropean.org en/of www.almouftinoun.com,

een cartoon te plaatsen met de volgende inhoud: twee

Joodse mannen bestuderen lijken onder het bordje 'Auswitch'. De ene Joodse

man zegt: 'I don't think they are Jews'. De andere Joodse man zegt: 'We have to

get to the 6.000.000 somehow'.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat zij daarvan behoort te worden vrijgesproken.

6. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezene levert op de misdrijven:

ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde:

Zich in het openbaar bij afbeelding opzettelijk beledigend uitlaten over een groep mensen wegens hun ras, meermalen gepleegd.

gepleegd in eendaadse samenloop met:

Anders dan ten behoeve van zakelijke berichtgeving een uitlating openbaar maken die, naar hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden, voor een groep mensen wegens hun ras beledigend is, meermalen gepleegd.

7. Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

8. Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op het maatschappelijk functioneren van verdachte en haar draagkracht, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 55, 57, 137c en 137e van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

10. Overweging ten overvloede

De raadsman heeft aangegeven dat rechterlijke beslissingen geen vrede kunnen brengen als partijen blijven strijden en dat het niet aan de rechter is, om de grenzen van het maatschappelijk debat te bepalen. Het hof vreest dat de eerste stelling van de raadsman juist is. Maar wel zal de rechter, als hem dat gevraagd wordt, duidelijk moeten maken waar de strafrechtelijke begrenzing van het maatschappelijk debat ligt. Wellicht dat óók de maatschappelijke opponenten zich het risico van het overschrijden van de grenzen van het strafrechtelijk geoorloofde zullen aantrekken. Mede daarom kan niet worden volstaan met een enkele schuldigverklaring, zonder oplegging van straf.

Misschien kan het daarbij behulpzaam zijn, als het strafrechtelijk afwegingsschema eenduidiger en voor niet ingewijden begrijpelijker wordt. Bijvoorbeeld door de laatste twee stappen van het onder 4.1 genoemde beslissingsschema samen te voegen in een rechtvaardigingsgrond, zoals voorzien in de artikelen 261 en 266 van het Wetboek van Strafrecht. Dan wordt voorkomen dat een en dezelfde grievende tekst nu eens beledigend wordt geoordeeld en dan weer, afhankelijk van de context, niet. Of toch weer wel, als hij onnodig grievend is. Voor deze zaak had het niet uitgemaakt.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart het openbaar ministerie niet ontvankelijk in zijn strafvervolging ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde. Verklaart het openbaar ministerie voor het overige ontvankelijk in de vervolging van verdachte.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart verdachte strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een geldboete van € 2.500,-- (tweeduizend vijfhonderd euro).

Bepaalt dat een gedeelte van de geldboete, groot € 1.500,-- (éénduizend vijfhonderd euro), niet zal worden ten uitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat verdachte zich vóór het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Aldus gewezen door

mr R. van den Heuvel, voorzitter,

mr J.M.J. Denie en mr M.J. Stolwerk, raadsheren,

in tegenwoordigheid van G. Heeres, griffier,

en op 19 augustus 2010 ter openbare terechtzitting uitgesproken.