Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2010:BN4075

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
27-07-2010
Datum publicatie
16-08-2010
Zaaknummer
09-00419
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBBRE:2006:BG6482, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Proceskosten.

Verwijzingsprocedure HR 20 november 2009, nr. 08/03520, LJN: BJ5042. Forfaitaire proceskostenvergoeding voor belanghebbende ter zake van door inspecteur ingetrokken hoger beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2010-1989
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector belastingrecht

nummer 09/00419

uitspraakdatum: 27 juli 2010

Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

de inspecteur van de Belastingdienst/Douane (hierna: de Inspecteur)

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 25 augustus 2006, nummer AWB 05/4072, in het geding tussen belanghebbende

en

X te Z (België) (hierna: belanghebbende)

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1 Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag (aanslagnummer 0000000.0355/8.2097) opgelegd in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: BPM).

1.2 Deze naheffingsaanslag is, na daartegen door belanghebbende gemaakt bezwaar, door de Inspecteur gehandhaafd.

1.3 Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de rechtbank Breda (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 25 augustus 2006 gegrond verklaard en de uitspraak op bezwaar alsmede de bestreden naheffingsaanslag vernietigd.

1.4 De Inspecteur heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch. Nadat belanghebbende zijn verweerschrift had ingediend, heeft de Inspecteur het door hem ingestelde hoger beroep ingetrokken. Belanghebbende heeft het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch verzocht de Inspecteur te veroordelen in de kosten van het hoger beroep die aan de zijde van belanghebbende zijn gevallen. Het gerechtshof te ’s Hertogenbosch heeft, op dit verzoek uitspraak doende, zich bij uitspraak van 9 juli 2008, nr. 06/00410, onbevoegd verklaard.

1.5 Naar aanleiding van het door belanghebbende tegen de hiervoor onder 1.4 bedoelde uitspraak ingestelde beroep in cassatie, heeft de Hoge Raad bij arrest van 20 november 2009, nr. 08/03520, LJN BJ5042 (hierna: het verwijzingsarrest) de uitspraak van het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch vernietigd en het geding verwezen naar het gerechtshof te Arnhem (hierna: het Hof) ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van het verwijzingsarrest. De beslissing omtrent de kosten van het geding in cassatie, vastgesteld op € 805, heeft de Hoge Raad gereserveerd tot de einduitspraak.

1.6 Zowel de Inspecteur als belanghebbende heeft – na daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld – naar aanleiding van het verwijzingsarrest een conclusie na verwijzing ingediend bij het Hof.

1.7 De mondelinge behandeling van de zaak na verwijzing heeft plaatsgevonden op 10 juni 2010 te Arnhem. Daarbij zijn verschenen en gehoord belanghebbende en de gemachtigde van belanghebbende, alsmede de Inspecteur.

1.8 Ter zitting hebben (gemachtigden van) partijen een pleitnota voorgedragen, welke pleitnota’s deel uitmaken van de stukken van het geding.

1.9 Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt. Een afschrift hiervan is aan deze uitspraak gehecht.

1.9. Na sluiting van het onderzoek ter zitting is op 12 juli 2010 per fax een brief van belanghebbende met bijlagen bij het Hof binnengekomen. Het Hof ziet hierin geen aanleiding om het onderzoek op grond van het bepaalde in artikel 8:68 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) te heropenen en zal op deze stukken derhalve geen acht slaan.

2. De vaststaande feiten

2.1 Nadat de Inspecteur op 16 oktober 2006 hoger beroep heeft ingesteld, heeft belanghebbende op 18 december 2006 een verweerschrift ingediend. Bij een schrijven dat door het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch is ontvangen op 22 maart 2007, heeft de Inspecteur zijn beroep ingetrokken. Bij brief van dezelfde datum heeft de griffier van het gerechtshof te ’s Hertogenbosch belanghebbende kennisgegeven van deze intrekking.

2.2 Naast de Inspecteur heeft ook belanghebbende beroep ingesteld tegen de onder 1.3 genoemde uitspraak van de Rechtbank. Belanghebbendes beroep betrof de door de Rechtbank vastgestelde proceskostenvergoeding. Het gerechtshof te ’s Hertogenbosch heeft deze procedure niet gevoegd met de procedure van de Inspecteur met het kenmerk 06/00410, maar de procedure een afzonderlijk kenmerk gegeven, te weten 06/00412 en deze procedure ook verder afzonderlijk behandeld. In deze procedure heeft op 14 maart 2008 een zitting plaatsgevonden. Bij brieven van 11 februari 2008, 4 maart 2008 en 14 maart 2008 heeft belanghebbende het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch verzocht om toekenning van een vergoeding van de door hem gemaakte proceskosten in verband met - onder meer - het door de Inspecteur ingestelde hoger beroep.

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1 Tussen partijen is na verwijzing nog in geschil of belanghebbende in zijn verzoek om de Inspecteur te veroordelen in de kosten van het hoger beroep die aan de zijde van belanghebbende zijn gevallen, ontvankelijk is, en zo zulks het geval mocht zijn, tot welk bedrag die kostenveroordeling dan dient plaats te hebben.

3.2 Belanghebbende meent ontvankelijk te zijn in zijn verzoek, en meent primair recht te hebben op een integrale vergoeding van zijn kosten van hoger beroep, zoals hiervoor bedoeld, en subsidiair op de forfaitaire proceskostenvergoeding overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht.

3.3 De Inspecteur heeft zich op het standpunt gesteld dat er in de onderhavige zaak voor zover thans aan de orde geen sprake is van bijzondere omstandigheden welke een afwijking van de forfaitaire proceskostenvergoeding zouden rechtvaardigen, en concludeert tot veroordeling van de Inspecteur in de forfaitaire proceskostenvergoeding overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht.

3.4 Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Daaraan hebben zij ter zitting toegevoegd hetgeen is vermeld in het aan deze uitspraak gehechte proces-verbaal van de zitting.

4. Beoordeling van het geschil

Ten aanzien van de ontvankelijkheid

4.1 Bij de beoordeling van de ontvankelijkheid van het door belanghebbende bij het gerechthof te ’s-Hertogenbosch gedane verzoek om de Inspecteur te veroordelen in de kosten van het hoger beroep die aan de zijde van belanghebbende zijn gevallen, nadat de Inspecteur het door hem ingestelde hoger beroep in een zaak tussen hem en belanghebbende betreffende een aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag BPM had ingetrokken, stelt het Hof voorop dat de Hoge Raad in het verwijzingsarrest dienaangaande heeft overwogen:

“Het strookt niet met het beginsel van de rechtszekerheid dat een belanghebbende gehouden zou zijn te voldoen aan een wettelijk voorschrift buiten het domein waarop dat van (overeenkomstige) toepassing is verklaard. Dit geldt ook voor het termijnvoorschrift van artikel 6:7 van de Awb. Daaruit volgt dat het een belanghebbende niet als een verzuim kan worden aangerekend indien hij een verzoek als het onderhavige indient meer dan zes weken na de dag waarop aan hem de intrekking van het hoger beroep van de inspecteur bekend is gemaakt. Slechts indien geoordeeld zou moeten worden dat het verzoek, de omstandigheden van het geval in aanmerking genomen, onredelijk laat is ingediend, is er plaats voor een niet-ontvankelijkverklaring wegens het tijdstip van indiening.”

4.2 Tussen het moment van intrekken van het hoger beroep door de Inspecteur en belanghebbendes verzoek om toekenning van een vergoeding van de door hem gemaakte proceskosten is een periode van bijna elf maanden verstreken. Naar het oordeel van het Hof is dan in het algemeen een dergelijk verzoek onredelijk laat ingediend, zeker als, zoals in het onderhavige geval aan de orde was, de belanghebbende werd vertegenwoordigd door een professionele belastingadviseur die over voldoende kennis van de mogelijkheden van proceskostenvergoeding in belastingzaken beschikt. In het onderhavige geval doet zich evenwel de uitzonderlijke situatie voor dat de mogelijkheid tot het thans in geschil zijnde verzoek om proceskostenvergoeding niet in enige wettelijke regeling is voorzien en de mogelijkheid daartoe vóór het verwijzingsarrest ook niet eerder in hoogste instantie was onderkend. De publicatie van één enkele beslissing van een lagere rechter, maakt zulks, naar het oordeel van het Hof, niet anders. Daarnaast is in het onderhavige geval geen sprake van een onredelijk laat ingediend verzoek, omdat belanghebbende er vanuit mocht gaan, dat door de processuele samenhang tussen de onderhavige zaak en de zaak met kenmerk 06/00412 (zie onder 2.2), tijdens de zitting in laatstgenoemde zaak zijn verzoek nog behandeld kon worden. Gelet op het vorenoverwogene kan, naar het oordeel van het Hof belanghebbende in zijn verzoek ontvangen worden.

Ten aanzien van het eigenlijke geschil

4.3 In het verwijzingsarrest overwoog de Hoge Raad voor zover ten aanzien van de hoogte van de toe te kennen proceskostenvergoeding van belang: “Gelet op dit een en ander moet het ervoor worden gehouden dat de wetgever in de AWR onbedoeld een leemte heeft laten ontstaan ten aanzien van de regeling van de vergoeding van proceskosten. Omdat de wetgever, ook nog bij de hiervoor bedoelde wijziging van de AWR (…), blijk heeft gegeven van de bedoeling het door de verschillende bestuursrechters toe te passen bestuursprocesrecht zoveel mogelijk uniform te regelen, is aannemelijk dat de wetgever indien hij de afwijking ten opzichte van de vergelijkbare regelingen van hoger beroep en cassatie zou hebben onderkend, ook voor het hoger beroep in belastingzaken zou hebben bepaald dat op verzoek van de belanghebbende bij afzonderlijke uitspraak met overeenkomstige toepassing van artikel 8:75 van de Awb het bestuursorgaan in de kosten kan worden veroordeeld in gevallen van intrekking van het hoger beroep door dat bestuursorgaan. Onder deze omstandigheden staat het ontbreken van een uitdrukkelijke bepaling in de AWR die in deze mogelijkheid voorziet, niet eraan in de weg dat een gerechtshof een dergelijke veroordeling uitspreekt.”.

4.4 Artikel 8:75, eerste lid, vierde volzin, van de Awb luidt: “Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de kosten waarop een veroordeling als bedoeld in de eerste volzin uitsluitend betrekking kan hebben en over de wijze waarop bij de uitspraak het bedrag van de kosten wordt vastgesteld.”.

4.5 In artikel 2, eerste lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit) is voor zover hier van belang bepaald: “1.Het bedrag van de kosten wordt bij de uitspraak, onderscheidenlijk de beslissing op het bezwaar of het administratief beroep als volgt vastgesteld: (…)

c. ten aanzien van de kosten, bedoeld in artikel 1, onderdeel c: overeenkomstig artikel 11, eerste lid, onderdeel c, van het Besluit tarieven in strafzaken 2003;

d. ten aanzien van de kosten, bedoeld in artikel 1, onderdeel d: overeenkomstig een tarief dat, afhankelijk van de omstandigheden, tussen € 4,54 en € 53,09 per uur bedraagt; (…)”.

4.6 Artikel 2, derde lid, van het Besluit luidt: “In bijzondere omstandigheden kan van het eerste lid worden afgeweken”.

4.7 Belanghebbende heeft betoogd dat in het onderhavige geval sprake zou zijn van bijzondere omstandigheden als hiervoor onder 4.6 bedoeld. Op belanghebbende rust dan ook de stelplicht en de bewijslast dat van dergelijke bijzondere omstandigheden sprake is. Belanghebbende stelt, naar het Hof begrijpt, dat in het onderhavige geval sprake is geweest van een dermate laakbare houding van de Inspecteur jegens belanghebbende, dat gesproken kan worden van een bijzondere omstandigheid als hiervoor bedoeld.

4.8 Het Hof stelt in dit verband voorop dat, nu het onderhavige verzoek ziet op een vergoeding van de door belanghebbende gemaakte proceskosten in verband met het door de Inspecteur ingestelde hoger beroep bij het gerechtshof te ´s-Hertogenbosch, dat daarna weer door hem is ingetrokken, de gestelde laakbare houding van de Inspecteur in de onderhavige procedure slechts dan een relevante omstandigheid kan zijn als deze betrekking heeft op het instellen van het bedoelde hoger beroep.

4.9 Belanghebbende heeft dienaangaande gesteld dat de Inspecteur op 16 oktober 2006 ten onrechte het bedoelde hoger beroep heeft ingesteld, aangezien de Inspecteur op dat moment bekend was, althans kon zijn, met het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (hierna: HvJEG) van 27 juni 2006, nummer C/242-05 (Van de Coevering). Daarnaast was op 19 september 2006 het wetsvoorstel Belastingplan 2007 gepubliceerd. Dit wetsvoorstel heeft onder meer geleid tot wijziging van artikel 3 van het Uitvoeringsbesluit BPM met ingang van 1 maart 2007. Belanghebbende stelt dat naar aanleiding van het arrest Van de Coevering en het ingediende wetsvoorstel begunstigend beleid is geformuleerd, dat reeds gold op het moment van het instellen van het bedoelde hoger beroep en dat de Inspecteur ten onrechte niet op belanghebbende heeft toegepast.

4.10 Naar het oordeel van het Hof heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat op 16 oktober 2006 de gevolgen van het arrest Van de Coevering zodanig duidelijk waren dat reeds daarom het instellen van het bedoelde hoger beroep een bijzondere omstandigheid in de zin van artikel 2, derde lid, van het Besluit zou vormen. Datzelfde geldt mutatis mutandis voor de kennis van het wetsvoorstel Belastingplan 2007. Nog daargelaten dat op 16 oktober 2006 het voorstel nog geen kracht van wet had en nog aan verandering onderhevig kon zijn, voorzag de voorgestelde regeling, voor zover voor het onderhavige geval relevant, niet in (materieel) terugwerkende kracht. Voor wat betreft belanghebbendes beroep op het beweerdelijke begunstigende beleid, inhoudende dat onderhavige aanslagen BPM door de Belastingdienst niet meer houdbaar geacht werden, is het Hof van oordeel dat belanghebbende dienaangaande niet slaagt in de op hem rustende bewijslast. Veeleer hecht het Hof geloof aan de verklaringen van de Inspecteur dat van dergelijk begunstigend beleid op 16 oktober 2006 geen sprake was.

4.11 Het vorenoverwogene leidt tot de gevolgtrekking dat het Hof geen aanleiding ziet om op grond van gebleken bijzondere omstandigheden af te wijken van de forfaitaire proceskostenvergoeding van artikel 2, eerste lid, van het Besluit.

4.12 Het Hof stelt de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand die belanghebbende in verband met de behandeling van het hoger beroep bij het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch heeft moeten maken overeenkomstig het Besluit vast op € 483 (1 punt voor het indienen van een verweerschrift, met een waarde van € 322 per punt en een wegingsfactor 1,5). Daarbij neemt het Hof in aanmerking dat, blijkens het proces-verbaal van de zitting van het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch op 14 maart 2008, in de procedure met het kenmerk 06/00410 geen zitting heeft plaatsgevonden.

slotsom

Op grond van het vorenstaande moet het verzoek om proceskostenvergoeding worden toegewezen voor een bedrag van € 483.

5. Kosten

Het Hof stelt de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het verzoek bij het Hof heeft moeten maken overeenkomstig het Besluit vast op € 483 aan kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in hoger beroep (0,5 punt voor de conclusie na verwijzing en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde van € 322 per punt en een wegingsfactor 1). Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbende in verband met het verschijnen ter zitting van het Hof recht heeft op verletkosten voor 10 uren. De verletkosten voor belanghebbende stelt het Hof vast op 10 uren tegen een uurtarief van

€ 53,09, zijnde het tarief als voorzien in het Besluit tarieven in strafzaken 2003, in totaal derhalve € 530,90. Voor wat betreft de reis- en verblijfkosten in verband met de zitting heeft belanghebbende recht op een vergoeding die het Hof in goede justitie vaststelt op € 70. De kosten van het geding in cassatie zijn door de Hoge Raad vastgesteld op € 805. In totaal bedraagt de vergoeding derhalve € 1.888,90.

6. Beslissing

Het Gerechtshof:

- wijst het verzoek om proceskostenvergoeding toe;

- veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende van het hoger beroep bij het gerechtshof te ’s-Hertogenboschtot een bedrag van € 483, en

- veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 1.888,90.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P. van der Wal, voorzitter, mr. R.F.C. Spek en mr. A.J. Kromhout, in tegenwoordigheid van mr. J.H. Luggenhorst als griffier.

De beslissing is op 27 juli 2010 in het openbaar uitgesproken.

De griffier is verhinderd deze uitspraak mede te ondertekenen. De voorzitter,

(P. van der Wal)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer)

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in