Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2010:BN3892

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
12-08-2010
Datum publicatie
12-08-2010
Zaaknummer
24-002152-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt ter zake van het meermalen opzettelijk verkopen van heroïne en cocaïne en het opzettelijk aanwezig hebben van 1,3 gram heroïne veroordeeld tot een gevangenisstraf van 20 maanden. Bij de strafoplegging is rekening gehouden dat bij de berechting in hoger beroep sprake is van overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM. Het in beslaggenomen geld, waarvan het hof aannemelijk acht dat het "drugsgeld" betreft, wordt verbeurd

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Parketnummer: 24-002152-07 (strafzaak)

Parketnummer eerste aanleg: 07-620039-07

Arrest van 12 augustus 2010 van het gerechtshof te Arnhem, nevenzittingsplaats Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 28 augustus 2007 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1967] te [geboorteplaats],

zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande,

ter terechtzitting van 8 februari 2008 wel, maar ter terechtzittingen van 18 april 2008,

14 november 2008 en 29 juli 2010 niet verschenen. De raadsman van verdachte is ter terechtzittingen van 8 februari 2008 en 18 april 2008 wel, maar ter terechtzittingen van 14 november 2008 en 29 juli 2010 niet verschenen.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank Zwolle-Lelystad heeft de verdachte bij het vonnis wegens misdrijven veroordeeld tot een straf en een bijkomende straf, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep, op tegenspraak aangevangen, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte ter zake van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek van voorarrest, en het in beslag genomen geld ad € 181,85 zal verbeurd verklaren.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd, dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 01 maart 2005 tot en met 03 maart 2007 in de gemeente [gemeente] meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne (diacetylmorfine) en/of een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde heroïne en/of cocaïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2.

hij op of omstreeks 03 maart 2007 in de gemeente [gemeente] opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 1,3 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

Bewezenverklaring

Het hof acht bewezen dat:

1.

hij in de periode van 01 maart 2005 tot en met 03 maart 2007 in de gemeente [gemeente] meermalen opzettelijk heeft verkocht een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne en een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde heroïne en cocaïne telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

2.

hij op 03 maart 2007 in de gemeente [gemeente] opzettelijk aanwezig heeft gehad

1,3 gram van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert respectievelijk op de misdrijven:

onder 1:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

onder 2:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Strafbaarheid

Het hof acht verdachte strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden niet aanwezig geacht.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de aard en ernst van de bewezen verklaarde feiten, de omstandigheden waaronder deze feiten zijn begaan en de persoon van verdachte. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft in een periode van ruim 2 jaren meermalen opzettelijk heroïne en cocaïne verkocht aan drugsgebruikers. Verdachte heeft die feiten kennelijk gepleegd ten behoeve van eigen financieel gewin. Daarnaast heeft verdachte opzettelijk 1,3 gram heroïne aanwezig gehad, waarvan het hof aanneemt, zulks mede gelet op de hoeveelheid aangetroffen verdovende middelen, dat verdachte die ook (deels) wilde verkopen. Het gebruik van heroïne en cocaïne is bedreigend voor de volksgezondheid.

Uit het verdachte betreffende Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 27 mei 2010 blijkt dat verdachte eenmaal eerder (in 1988) ter zake van een vermogensdelict is veroordeeld, hetgeen in het bepalen van de straf niet zal meewegen gezien het tijdsverloop.

De landelijk gehanteerde oriëntatiepunten straftoemeting "Artikel 2 onder B Opiumwet dealen van harddrugs vanuit een pand en/of op straat" gaan uit van 12 maanden gevangenisstraf over een dealperiode van 6 tot 12 maanden bij een alleen opererende dader.

Op grond van het vorenstaande, en mede aansluiting zoekende bij voormelde ori?ntatiepunten, is het hof van oordeel, dat de oplegging van de door de rechtbank opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, welke straf eveneens door de advocaat-generaal is gevorderd, in beginsel passend en geboden is.

Hier staat tegenover dat de behandeling van de zaak in hoger beroep een dermate lange tijd heeft gevergd dat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM.

Verdachte heeft op 3 september 2007 hoger beroep ingesteld, waarna de zaak pro forma is aangebracht op de terechtzitting van het hof d.d. 8 februari 2008. Op de tweede zitting d.d. 18 april 2008 is de zaak verwezen naar de rechter-commissaris, teneinde op verzoek van de raadsman een tweetal getuigen te doen horen. Op 8 september 2008 heeft de rechter-commissaris de stukken retour gezonden met de mededeling dat één van de opgegeven getuigen is gehoord en dat het niet is gelukt de andere getuige te horen. De derde zitting van het hof op 14 november 2008 betrof wederom een pro forma zitting. Vervolgens is de zaak uiteindelijk inhoudelijk behandeld op 29 juli 2010 en is bepaald dat heden, bijna drie jaar na het instellen van het appel, arrest zal worden gewezen.

Het hof is van oordeel dat de behandeling in hoger beroep voortvarend is geweest met uitzondering van de periode gelegen tussen de derde zitting op 14 november 2008 en het eindarrest van heden. Er is derhalve sprake van een periode van ruim 20 maanden van inactiviteit, terwijl voor deze lange periode geen bijzondere redenen zijn gebleken.

Dit tijdsverloop dient naar het oordeel van het hof te leiden tot een matiging van de voorgenomen bestraffing met 4 maanden. Daarom zal het hof volstaan met de oplegging van een gevangenisstraf van 20 maanden.

Verbeurdverklaring in beslag genomen geld

Blijkens een kopie van een proces-verbaal Kennisgeving van inbeslagneming,

nr. [nummer], d.d. 3 maart 2007 op ambtsbelofte opgemaakt door [verbalisant], brigadier van politie, dienstdoende bij de Basiseenheid Lelystad Oost (dossierpagina's P24 t/m P26), is op 3 maart 2007 onder verdachte in beslag genomen een geldbedrag van € 181,85, bestaande uit 4 biljetten van € 5,=, 3 biljetten van € 50,= en € 11,85 aan muntgeld.

Het aantreffen van een dergelijk geldbedrag bij verdachte, die tegenover de politie heeft verklaard al twee jaar geen werk en geen uitkering te hebben, wijst erop dat het geldbedrag uit de drugsverkopen is verkregen.

Op grond van het vorenstaande, in samenhang beschouwd, acht het hof dan ook aannemelijk geworden, dat verdachte voormelde bankbiljetten en muntgeld geheel of grotendeels door middel van het hiervoor onder 1 bewezen verklaarde heeft verkregen en acht het hof die geldbedragen vatbaar voor verbeurdverklaring.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 33, 33a, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte onder 1 en 2 ten laste gelegde bewezen en kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart deze feiten en verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot gevangenisstraf voor de duur van twintig maanden;

beveelt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering wordt gebracht;

verklaart verbeurd:

- € 170,=, bestaande uit 4 biljetten van € 5,= en 3 biljetten van € 50,=;

- € 11,85 aan muntgeld.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. Anjewierden, voorzitter, mr. Meijer-Campfens en mr. Van Veen, in tegenwoordigheid van Boersma als griffier, zijnde mr. Van Veen buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.