Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2010:BN3357

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
09-07-2010
Datum publicatie
06-08-2010
Zaaknummer
21-000220-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het heimelijk filmen van een (gedeeltelijk) naakt slachtoffer dat gebruik maakt van een afgesloten kleedhokje is naar het oordeel van het hof aan te merken als het dwingen tot het dulden van ontuchtige handelingen door feitelijkheden als bedoeld in artikel 246 van het Wetboek van Strafrecht. Verdachte heeft zich daarmee schuldig gemaakt aan feitelijke aanranding van de eerbaarheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2010/263
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Sector strafrecht

Parketnummer: 21-000220-10

Uitspraak d.d.: 9 juli 2010

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Utrecht van 15 januari 2010 in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende te [woonplaats], [adres].

Het hoger beroep

De officier van justitie heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 25 juni 2010 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd (zie voor de inhoud van de vordering bijlage I). Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen namens verdachte door zijn raadsman, mr M.P.K. Ruperti, advocaat te Amersfoort, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd, zoals deze tenlastelegging in hoger beroep is gewijzigd, dat:

Primair

hij op of omstreeks 24 augustus 2008 te Utrecht, althans in het arrondissement Utrecht, door (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [slachtoffer] heeft gedwongen tot het dulden van een of meer ontuchtige handelingen, bestaande uit het fotograferen en/of het filmen van die (naakte) [slachtoffer] en bestaande die feitelijkhe(i)d(en) uit het onverhoeds en heimelijk steken van zijn, verdachtes, hand met daarin een camera onder het afgesloten omkleedhokje leggen/brengen en vervolgens het filmen met die camera van onder meer naakte lichaamsdelen van die [slachtoffer].

Subsidiair

hij op of omstreeks 24 augustus 2008 te Utrecht, althans in het arrondissement Utrecht, ter uitvoering van het door hem, verdachte, voorgenomen misdrijf om door (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [slachtoffer] te dwingen tot het dulden van een of meer ontuchtige handeling(en), bestaande uit het fotograferen en/of filmen van die (naakte) [slachtoffer] en bestaande die

feitelijkhe(i)d(en) uit het onverhoeds en heimelijk steken van zijn, verdachtes, hand met daarin een camera onder het afgesloten omkleedhokje leggen/brengen en vervolgens het filmen met die camera van onder meer naakte lichaamsdelen van die [slachtoffer], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Meer subsidiair

hij op of omstreeks 24 augustus 2008 te Utrecht, althans in het arrondissement Utrecht, opzettelijk oneerbaar op of aan een plaats, voor het openbaar verkeer bestemd en/of een op een niet openbare plaats, indien een ander daarbij zijns ondanks tegenwoordig was, te weten een/de omkleedhokje(s)-(ruimte) behorende bij [plaats A], een camera onder het (afgesloten) omkleedhokje van [slachtoffer] heeft gelegd/gehouden en/of hiermee die (gedeeltelijk) naakte [slachtoffer] heeft gefilmd.

Meest subsidiair

hij op of omstreeks 24 augustus 2008 te Utrecht, althans in het arrondissement Utrecht, gebruik makende van een technisch hulpmiddel waarvan de aanwezigheid niet op duidelijke wijze was kenbaar gemaakt, opzettelijk en wederrechtelijk van een persoon, zijnde [slachtoffer], aanwezig op een niet voor het publiek toegankelijke plaats, namelijk een (afgesloten) omkleedhokje behorende bij [plaats A], een afbeelding heeft vervaardigd.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overweging met betrekking tot het bewijs van het primair tenlastegelegde

Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Het hof overweegt daarbij in het bijzonder het volgende.

De raadsman heeft bepleit dat de verklaring die verdachte bij de politie heeft afgelegd, niet voor het bewijs gebruikt kan worden, omdat hij voorafgaand aan het verhoor niet is gewezen op het recht om een advocaat te consulteren.

Voorts heeft de raadsman betoogd dat – wanneer de verklaring van verdachte buiten beschouwing wordt gelaten – onvoldoende bewijs voorhanden is om tot een bewezenverklaring te komen.

Voor het geval het hof over het voorgaande anders denkt, stelt de raadsman zich op het standpunt dat er geen sprake is geweest van dwang en dat de door verdachte verrichte handelingen niet als ontuchtige handelingen in de zin van artikel 246 van het Wetboek van Strafrecht kunnen worden aangemerkt.

Het hof zal de verklaring die verdachte bij de politie heeft afgelegd niet voor het bewijs bezigen, zodat het verweer van de raadsman hieromtrent geen verdere bespreking behoeft.

Voor wat betreft de overige bewijsmiddelen is het hof – anders dan de raadsman – van oordeel dat daaruit voldoende is komen vast te staan dat verdachte van onder uit het kleedhokje van aangeefster heeft gefilmd en/of gefotografeerd.

Aangeefster heeft in haar aangifte verklaard dat zij in [plaats A] had gezwommen en dat zij een camera op de vloer in het afgesloten kleedhokje zag toen zij zich aan het omkleden was. Toen aangeefster dit zag, schreeuwde zij en deed zij de deur van haar hokje open. Zij zag daar een man staan met een blauw t-shirt en bruin haar. Aangeefster vroeg twee aanwezige meisjes om die man bij de kassa te laten aanhouden.

Getuigen [1] en [2] hebben verklaard dat zij een man staande hielden, nadat twee meisjes riepen dat zij een man moesten tegenhouden. Deze man had een camera vast en werd door aangeefster herkend als de persoon die zij direct na het incident zag weglopen.

Getuige [1] heeft bovendien verklaard dat de man tegen hem zei: “Sorry, sorry, stom projectje.”

Verdachte heeft voorgaande bewijsmiddelen niet op enig moment weersproken.

Het hof acht op grond van voornoemde bewijsmiddelen bewezen dat verdachte in [plaats A] een camera van onderaf in het kleedhokje waarin aangeefster zich bevond, heeft gebracht, ten einde aangeefster te filmen terwijl zij (gedeeltelijk) naakt was.

De vraag die thans voorligt, is of door de feitelijkheden die verdachte heeft verricht, sprake is geweest van ontuchtige handelingen in de zin van het primair tenlastegelegde.

Naar algemene ervaringsregels zullen beelden, die van het onderlichaam van nietsvermoedende jonge vrouwen worden vervaardigd op een heimelijke en onverhoedse manier – zoals verdachte heeft gedaan – op een later tijdstip gebruikt worden ter bevrediging van de lustgevoelens van de maker van die beelden of van derden.

Het met die kennelijke intentie en onder voornoemde omstandigheden heimelijk steken van een camera onder de scheidingswand van een afgesloten kleedhokje, teneinde een persoon die zich omkleedt in dat kleedhokje te filmen en/of fotograferen, is naar het oordeel van het hof aan te merken als het verrichten van ontuchtige handelingen als bedoeld in artikel 246 Wetboek van Strafrecht.

Voor wat betreft de uitgeoefende dwang overweegt het hof als volgt. Naar het oordeel van het hof omvat het begrip dwang als bedoeld in artikel 246 van het Wetboek van Strafrecht niet alleen het geval waarin een ontuchtige handeling wordt verricht tegen de wil van het slachtoffer, maar ook die situaties waarin de dader door onverhoeds handelen weet te voorkomen dat slachtoffer zich daartegen verzet.

Door het kleedhokje af te sluiten, maakte aangeefster duidelijk zich in afzondering en buiten het gezichtsveld van derden te willen aan- en uitkleden. Aangeefster kon zich in het afgesloten kleedhokje niet tegen de handelingen van verdachte verzetten, gelet op het onverhoedse en heimelijke karakter van die handelingen. Aldus is aangeefster gedwongen de ontuchtige handelingen van verdachte te ondergaan.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging gekregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het onder primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op of omstreeks 24 augustus 2008 te Utrecht, althans in het arrondissement Utrecht, door (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [slachtoffer] heeft gedwongen tot het dulden van een of meer ontuchtige handelingen, bestaande uit het fotograferen en/of het filmen van die (naakte) [slachtoffer] en bestaande die feitelijkhe(i)d(en) uit het onverhoeds en heimelijk steken van zijn, verdachtes, hand met daarin een camera onder het afgesloten omkleedhokje leggen/brengen en vervolgens het filmen met die camera van onder meer naakte lichaamsdelen van die [slachtoffer].

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezene levert op het misdrijf:

ten aanzien van het onder primair bewezenverklaarde:

Feitelijke aanranding van de eerbaarheid.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder in aanmerking genomen hetgeen omtrent de persoon van verdachte is gebleken, is het hof van oordeel dat oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf en een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, beide van de hierna aan te geven duur, passend en geboden is.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan feitelijke aanranding van de eerbaarheid van aangeefster. Verdachte heeft hiermee de seksuele integriteit van aangeefster geschonden en een grove inbreuk gemaakt op haar privacy.

De advocaat-generaal heeft geëist dat verdachte ter zake van het primair tenlastelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. Daarnaast heeft de advocaat-generaal gevorderd dat aan verdachte een taakstaf zal worden opgelegd van 60 uur.

De raadsman heeft verzocht om aan te sluiten bij het reclasseringsadvies, inhoudende een meldingsgebod en een behandelverplichting. Subsidiair heeft de raadsman verzocht om een geheel voorwaardelijke straf op te leggen.

Gelet op de ernst van het feit is het hof van oordeel dat slechts een gevangenisstraf een passende strafmodaliteit is. Om te bevorderen dat verdachte zich in de toekomst niet opnieuw schuldig zal maken aan het plegen van strafbare feiten, en mede gelet op de omstandigheid dat uit het Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 9 juni 2010 blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld ter zake van enig strafbaar feit, zal het hof de gevangenisstraf van na te melden duur geheel voorwaardelijk opleggen. Nu verdachte kort geleden naar [plaats B] is vertrokken voor de periode van ten minste een jaar, is het hof van oordeel dat het opleggen van een bijzondere voorwaarde niet wenselijk is.

Naast het opleggen van de voorwaardelijke gevangenisstraf acht het hof het noodzakelijk om aan verdachte een taakstraf in de vorm van een werkstraf van 40 uur op te leggen. De raadsman heeft gemeld dat verdachte die straf zal kunnen verrichten.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 246 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat verdachte het onder primair tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart verdachte strafbaar.

ten aanzien van het onder primair bewezenverklaarde

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) maand.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat verdachte zich vóór het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van 40 (veertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 20 (twintig) dagen hechtenis.

Bepaalt dat bij de uitvoering van de taakstraf 2 (twee) uren in mindering worden gebracht wegens de tijd door verdachte in verzekering doorgebracht, te weten totaal 1 (één) dag.

Aldus gewezen door

mr A.E. Harteveld, voorzitter,

mr M.L.H.E. Roessingh-Bakels en mr P.R. Wery, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr L.J.J.G. Verhaeg, griffier,

en op 9 juli 2010 ter openbare terechtzitting uitgesproken.