Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2010:BN3080

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
15-07-2010
Datum publicatie
03-08-2010
Zaaknummer
21-004670-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Inhoudsindicatie ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij.

De vordering tot schadevergoeding

Het hof is van oordeel dat met de indiening van een antwoordformulier, niet zijnde het formulier als bedoeld in artikel 51b, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, nog geen sprake is geweest van een voeging in de zin der wet. Nu voorts ingevolge artikel 51a, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering de erfgenamen zich alleen kunnen voegen in het strafproces indien degene die rechtstreeks schade heeft geleden door een strafbaar feit, tengevolge van dat strafbare feit is overleden, welk laatste geval zich hier niet voordoet, kan de benadeelde partij niet in haar vordering worden ontvangen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Sector strafrecht

Parketnummer: 21-004670-09

Uitspraak d.d.: 15 juli 2010

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Arnhem van 26 november 2009 in de strafzaak tegen

[NAAM VERDACHTE]

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 17 mei 2010, 1 juli 2010 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd (zie voor de inhoud van de vordering bijlage I). Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman,

mr J.W. Schouten, naar voren is gebracht.

De raadsman heeft het hof ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde verzocht een deskundige te horen ter beantwoording van de vraag of de verwondingen van aangever door het zich stoten tegen voorwerpen verklaard kunnen worden. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat:

- de als zeer gezaghebbend door de politierechter in eerste aanleg opgevatte verklaring van de huisarts ten onrechte een soort deskundigenstatus wordt toegekend. De arts heeft zich niet verdiept in de situatie in de bakkerij ter plaatse, heeft zich niet verdiept in de vraag of aangever wellicht elders verwondingen kon oplopen of opliep en aan zijn opvatting dient daarom niet het gewicht te worden toegekend dat de politierechter eraan heeft gegeven.

- de deskundige daartoe over een volledige en betrouwbare beschrijving van de verwondingen dient te beschikken en de bakkerij nader dient te onderzoeken. Verder dient hij bij zijn onderzoek te betrekken de omstandigheid dat aangever aan Parkinson leed en wellicht aan andere, nader te onderzoeken ziekten die zijn motoriek en zijn reactie op aanrakingen beïnvloedden.

Het hof is van oordeel dat een nauwkeurige omschrijving van de ernst van de ziekte waaraan aangever leed, de ziekteverschijnselen en de verwondingen niet meer te verkrijgen is nu aangever inmiddels is overleden en de feiten onder 1 zich meer dan twee jaar geleden hebben voorgedaan. Het hof acht zich dienaangaande voldoende voorgelicht door de redelijk gedetailleerde verklaring van de toenmalige huisarts, en daarnaast door de verklaring van de neuroloog [naam]. Het hof ziet geen noodzaak een andere deskundige te horen en wijst het verzoek af.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 maart 2008 tot

en met 16 juni 2008 te [plaats] gemeente [plaats], (telkens) opzettelijk

[slachtoffer] heeft mishandeld,

bestaande die mishandeling(en) van die [slachtoffer] voornoemd uit het een of

meermalen (met kracht) trekken aan de haren van die [slachtoffer] en/of het met

kracht vastpakken van die [slachtoffer] (bij zijn arm(en) en/of het (onverhoeds)

met kracht duwen tegen het lichaam van die [slachtoffer] en/of het (daarbij) tegen

een muur aan duwen van die [slachtoffer] en/of het (met kracht) schoppen tegen de

scheenbenen en/of bovenbenen en/of de enkel(s) en/of (terwijl die [slachtoffer]

gebukt stond/zat) tegen/in het kruis en/of tegen de rug/heup/bil, althans

tegen het lichaam van die [slachtoffer] en/of het (met kracht) slaan/stompen

tegen/op het oor/de oren en/of de (boven)arm(en), althans tegen het hoofd

en/of het lichaam van die [slachtoffer], waardoor deze (telkens) letsel heeft

bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

2.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 16 juni 2002 tot

en met 16 juni 2008 te [plaats], gemeente [plaats], (telkens) opzettelijk

beledigend [slachtoffer], in diens tegenwoordigheid mondeling heeft

toegevoegd de woorden "klootzak" en/of "vieze stinkerd" en/of "domme vent, je

hoort alleen maar in 'Groot Graffelt' (psychiatrische inrichting) thuis" en/of

"je bent de domste vent die hier in [plaats]rondloopt", althans woorden van

gelijke beledigende aard en/of strekking.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak

Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde doet zich een klachtvereiste voor. De klacht is ingediend op 15 juli 2008. Ingevolge artikel 66, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht kan bedoelde klacht worden ingediend gedurende drie maanden na de dag waarop de tot de klachtgerechtigde kennis heeft genomen van het gepleegde feit. Tenlaste is gelegd de periode van 16 juni 2002 tot en met 16 juni 2008. Het grootste gedeelte van de feiten heeft zich afgespeeld voorafgaande aan de drie maanden voor 15 juli 2008. Ten aanzien van die voorafgaande periode dient het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te worden verklaard. Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte een of meer beledigingen in de resterende delictsperiode heeft begaan, mede nu de klacht ten aanzien van feiten in die periode van drie maanden voorafgaande aan de klacht onvoldoende geconcretiseerd is, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Overweging met betrekking tot het bewijs van het feit onder 1

Het hof is van oordeel dat het door de raadsman en verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het onder 1 tenlastegelegde wordt weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging gekregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij op tijdstippen in de periode van 1 maart 2008 tot

en met 16 juni 2008 te [plaats] gemeente[plaats], (telkens) opzettelijk

[slachtoffer] heeft mishandeld,

bestaande die mishandelingen van die [slachtoffer] voornoemd uit het met kracht trekken aan de haren van die [slachtoffer] en/of het met

kracht vastpakken van die [slachtoffer] (bij zijn arm(en) en/of het (onverhoeds)

met kracht duwen tegen het lichaam van die [slachtoffer] en/of het (daarbij) tegen

een muur aan duwen van die [slachtoffer] en/of het (met kracht) schoppen tegen de

scheenbenen en/of bovenbenen en/of de enkel(s) en/of (terwijl die [slachtoffer]

gebukt stond/zat) in het kruis en/of tegen de rug/heup/bil, van die [slachtoffer] en/of het (met kracht) slaan/stompen op de oren en/of de (boven)arm(en), althans tegen het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer], waardoor deze telkens letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezene levert op het misdrijf:

ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde:

Mishandeling, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft gedurende een aantal maanden aangever, die al op leeftijd was en hem kwam helpen in zijn bakkerij, mishandeld. Dit schrijnt des te meer nu verdachte daarbij op de hoogte was van de gezondheidstoestand van aangever die leed aan de ziekte van Parkinson en wiens gezondheid steeds slechter werd.

In het bijzonder in aanmerking genomen hetgeen omtrent de persoon van verdachte is gebleken, is het hof van oordeel dat oplegging van een taakstraf, bestaande uit een werkstraf van de hierna aan te geven duur, passend en geboden is.

De vordering van de benadeelde partij [naam]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 2.418,34. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet toegewezen. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

Ingevolge artikel 51a, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering kan degene die rechtstreeks schade heeft geleden door een strafbaar feit, zich ter zake van zijn vordering tot schadevergoeding als benadeelde partij voegen in het strafproces.

Ingevolge artikel 51b, eerste en tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering geschiedt voor aanvang van de terechtzitting de voeging door een opgave van de inhoud van de vordering en van de gronden waarop deze berust. Deze opgave vindt plaats door middel van een door onze minister van justitie vastgesteld formulier en bevat de naam, voornamen, geboortedatum en woon- en verblijfplaats van de benadeelde partij.

Deze opgave kan ter terechtzitting ook mondeling worden gedaan.

In het strafdossier bevindt zich een antwoordformulier ondertekend door de benadeelde partij [naam], gedateerd 23 april 2009 - dit was nog voordat hij kwam te overlijden - waaruit blijkt dat hij de schade in het strafproces wenst te verhalen. Echter dit is niet het formulier als bedoeld in artikel 51b, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering. Bovendien vermeldt het antwoordformulier niets over de schadeposten.

Uit het strafdossier blijkt dat de benadeelde partij [naam] op 21 mei 2009 is overleden.

De raadsvrouw van de benadeelde partij heeft per fax het voegingsformulier, als bedoeld in artikel 51b, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, pas op 25 november 2009 toegezonden aan de rechtbank. Dit voegingsformulier is ondertekend door de weduwe van het slachtoffer.

Namens de benadeelde partij is op 26 november 2009, ter zitting van de rechtbank, de vordering van de benadeelde partij door de raadsvrouw toegelicht.

De rechtbank heeft in het vonnis waarvan beroep de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard nu de vordering niet van zo eenvoudige aard is dat zij zich leent voor behandeling in het strafgeding.

Het hof is van oordeel dat met de indiening van eerdergenoemd antwoordformulier nog geen sprake is geweest van een voeging in de zin der wet. Nu voorts ingevolge artikel 51a, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering de erfgenamen zich alleen kunnen voegen in het strafproces indien degene die rechtstreeks schade heeft geleden door een strafbaar feit, tengevolge van dat strafbare feit is overleden, welk laatste geval zich hier niet voordoet, kan de benadeelde partij niet in haar vordering worden ontvangen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 22c, 22d, 57 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Wijst af het verzoek tot het horen van een deskundige ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde.

Verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde met betrekking tot de periode van 16 juni 2002 tot 16 april 2008.

Verklaart niet bewezen dat verdachte het onder 2 tenlastegelegde, met betrekking tot de periode van 16 april 2008 tot omstreeks 16 juni 2008 heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart verdachte strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van 60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 30 (dertig) dagen hechtenis.

De vordering van de benadeelde partij [naam]

Verklaart de benadeelde partij, [naam], in haar vordering niet-ontvankelijk

Aldus gewezen door

mr Y.A.J.M. van Kuijck, voorzitter,

mr M.J. Stolwerk en mr J.H.M. Zwinkels, raadsheren,

in tegenwoordigheid van T.M.M. van Lieshout-Witjes, griffier,

en op 15 juli 2010 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr M.J. Stolwerk is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.