Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2010:BN2989

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
19-07-2010
Datum publicatie
02-08-2010
Zaaknummer
21-004252-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Maximale straf voor het onttrekken van een minderjarige aan het gezag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2010/280
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Sector strafrecht

Parketnummer: 21-004252-08

Uitspraak d.d.: 19 juli 2010

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Utrecht van

10 oktober 2008 in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende te [woonplaats], [adres].

thans verblijvende in [adres].

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 18 juni 2009 en 5 juli 2010 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte ter zake van het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven jaren met aftrek van de tijd dat de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman,

mr. S. Spans, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere strafoplegging komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging in eerste aanleg en in hoger beroep – tenlastegelegd dat:

hij in of omstreeks de periode van 24 juni 2007 tot en met 18 juni 2009, althans tot en met 16 oktober 2007, te Veenendaal, althans in het arrondissement Utrecht, althans in Nederland, en/of in Egypte en/of in Soedan tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk een minderjarige, te weten [dochter] (geboren op

2003), die toen de leeftijd van 12 jaar nog niet had bereikt, heeft onttrokken en/of onttrokken gehouden aan het wettig over voornoemde minderjarige gestelde gezag en/of aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over haar uitoefende, immers heeft verdachte, op voornoemde plaats(en) toen tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, voornoemde [dochter], waarvan de moeder genaamd is: [moeder], en/of waarvan hij, verdachte, de vader is, en die beiden het ouderlijk gezag uitoefenen, opzettelijk zonder toestemming van de moeder voornoemd (vanuit Egypte) overgebracht naar en/of achter gelaten op een plaats in Soedan, die de moeder niet bekend was (en is), en die zodanig feitelijk buiten de invloedssfeer van die [moeder] lag, dat de uitoefening van dat gezag door die [moeder] onmogelijk was geworden, dat [dochter] daardoor werd onttrokken aan het wettig gezag, hetwelk de moeder van [dochter], [moeder], over [dochter] uitoefende.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Verzoek verdediging

Bij pleidooi ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman verzocht om de behandeling van de zaak aan te houden. Hiertoe heeft de raadsman aangevoerd dat de problemen zijn ontstaan op het moment dat de verdachte werd gedetineerd. Deze zaak zou buiten het strafrecht om opgelost moeten worden. Een aanhouding zou de verdachte de gelegenheid geven om de onderhavige kwestie binnen familieverband te bespreken, zodat op die manier mogelijk een oplossing kan worden bereikt.

De advocaat-generaal heeft zich verzet tegen aanhouding van de behandeling, omdat ruim tweeëneenhalf jaar nadat de verdachte werd gedetineerd nog steeds geen oplossing is bereikt. De verdachte denkt steeds ten onrechte dat hij voorwaarden kan blijven stellen, zonder dat hij zelf een wezenlijke bijdrage aan de oplossing biedt. Verder uitstel is zinloos te achten.

Het hof acht de door de verdediging verzochte aanhouding van de behandeling niet noodzakelijk en zal daarom het gedane verzoek afwijzen.

Bewijsoverweging

De verdachte heeft zich ook in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de moeder, ten tijde van hun gezamenlijk verblijf in juni 2007 in Egypte, ermee heeft ingestemd dat hun kind [dochter] bij de familie van verdachte in Soedan zou verblijven en dat verdachte het later niet meer in zijn macht heeft gehad om hun kind naar Nederland te laten komen. Om die reden zou hij moeten worden vrijgesproken.

De door de verdediging bepleite vrijspraak wordt weersproken door de bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en de betrouwbaarheid van die, van de lezing van verdachte afwijkende, bewijsmiddelen te twijfelen.

In het bijzonder is het hof van oordeel dat de genoemde stellingname van verdachte ongeloofwaardig is. Het is niet aannemelijk dat de moeder in juni 2007 haar toen vierjarig kind vrijwillig zou hebben achtergelaten in een vreemd land bij voor het kind onbekende familieleden, die haar taal niet spreken, en zonder dat zij als moeder op de hoogte was van de exacte verblijfplaats van haar kind.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging gekregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij in of omstreeks de periode van 24 juni 2007 tot en met 18 juni 2009, althans tot en met 16 oktober 2007, te Veenendaal, althans in het arrondissement Utrecht, althans in Nederland, en/of in Egypte en/of in Soedan tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk een minderjarige, te weten [dochter] (geboren op 2003), die toen de leeftijd van 12 jaar nog niet had bereikt, heeft onttrokken en/of onttrokken gehouden aan het wettig over voornoemde minderjarige gestelde gezag en/of aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over haar uitoefende, immers heeft verdachte, op voornoemde plaats(en) toen tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, voornoemde [dochter], waarvan de moeder genaamd is: [moeder], en/of waarvan hij, verdachte, de vader is, en die beiden het ouderlijk gezag uitoefenen, opzettelijk zonder toestemming van de moeder, voornoemd, (vanuit Egypte) overgebracht naar en/of achter gelaten op een plaats in Soedan, die de moeder niet bekend was (en is), en die zodanig feitelijk buiten de invloedssfeer van die [moeder] lag, dat de uitoefening van dat gezag door die [moeder] onmogelijk was geworden, dat [dochter] daardoor werd onttrokken aan het wettig gezag, hetwelk de moeder van [dochter], [moeder], over [docht4er] uitoefende.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezene levert op het misdrijf:

Opzettelijk een minderjarige onttrekken aan het wettig over haar gesteld gezag, terwijl de minderjarige beneden de twaalf jaren oud is.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Het hof is van oordeel dat verdachtes handelen, waardoor een jong kind en haar moeder duurzaam van elkaar worden gescheiden – men zou kunnen spreken van kinderroof –, een rechtsschending van uitzonderlijke zwaarte oplevert. De gevolgen hiervan zijn evident. De moeder is haar dochter, haar enig kind, kwijt. Van haar dochter is haar al tweeëneenhalf jaar niets bekend. De moeder kan zich op geen enkele wijze ontfermen over haar eigen dochter. Zij voelt zich volkomen machteloos. Vanwege de jonge leeftijd van het kind is het van groot belang dat de moeder bij de opvoeding van het kind wordt betrokken. Het kind zal daarnaast elke dag meer van haar eigen moeder vervreemden.

Het feit wordt nog in aanzienlijke mate verergerd doordat de verdachte inmiddels jarenlang, ondanks een kort geding, ondanks een strafvervolging en ondanks oplegging door de rechtbank van een gevangenisstraf van niet te verwaarlozen zwaarte, de oplossing van de situatie heeft gestagneerd en heeft gesaboteerd. Een treurig dieptepunt ziet het hof in de wijze waarop de verdachte heeft getracht de deskundige A. Al-Alim te betrekken bij bedrog van alle betrokkenen en van het hof. De verdachte wilde immers een verklaring opstellen en ondertekenen die schijnbaar tot een uitweg uit de impasse zou leiden, welke verklaring dan aan de ambassade zou moeten worden aangeboden met de (uiteraard volkomen valse) mededeling dat die verklaring onder dwang was getekend. Gelijktijdig zou mondeling de boodschap moeten worden overgebracht dat de verdachte de terugkeer van zijn dochter naar Nederland of naar de moeder in werkelijkheid niet wenste.

Daar komt bij dat het delict nog voortduurt en dat de zaak elke maand zwaarder wordt in zijn gevolgen voor de rechtstreeks betrokkenen, die al jaren tussen hoop en vrees balanceren en al meermalen vreselijke teleurstellingen hebben moeten incasseren.

De rechtbank heeft in eerste aanleg een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaar opgelegd. Het hof is van oordeel dat bestraffing met de zwaarst mogelijke sanctie op zijn plaats is en zal een nog zwaardere straf opleggen dan de zeven jaar die in hoger beroep door de advocaat-generaal is gevorderd, namelijk de voor dit feit maximale gevangenisstraf.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op artikel 279 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Wijst af het verzoek tot aanhouding van de zaak.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart verdachte strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 (negen) jaren.

Bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Aldus gewezen door

mr. M.H.M. Boekhorst Carrillo, voorzitter,

mr. J.M.J. Denie en mr. J.H.M. Zwinkels, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. K. van Laarhoven, griffier,

en op 19 juli 2010 ter openbare terechtzitting uitgesproken.