Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2010:BN2113

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
29-06-2010
Datum publicatie
22-07-2010
Zaaknummer
200.001.754
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Omvang van de percelen in het referentiejaar. Partijen wisten over de omvang en in het verlengde daarvan hoewel melkquotum met het gepachte is gaan samenhangen. Meitellinggegevens zijn niet doorslaggevend voor de omvang van het bedrijfsareaal in het referentiejaar maar de grond die destijds daadwerkelijk ten behoeve van de melkproductie werd gebruikt (Hof Arnhem 23 december 1997, AR 1999/4961). Ook gronden die mondeling gepacht zijn tellen mee. Het hof oordeelt dat de pachter stukken in het geding moet brengen. Daarna zal hem (eventueel) nader bewijs worden opgedragen van zijn stellingen dat hij destijds percelen mondeling pachtte en dat deze dienstbaar waren aan de melkproductie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.001.754

(zaaknummer rechtbank 392368)

arrest van de pachtkamer van 29 juni 2010

inzake

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant in het principaal hoger beroep,

geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. P.J.L.J. Duijsens,

tegen:

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde in het principaal hoger beroep,

appellant in het incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. R.J. Verweij.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van 13 juni 2005, 8 mei 2006, 9 oktober 2006 en 10 december 2007 die de pachtkamer van de rechtbank Arnhem, sector kanton, locatie Nijmegen, tussen principaal appellant (hierna: [appellant]) als eiser en principaal geïntimeerde (hierna: [geïntimeerde]) als gedaagde heeft gewezen. Van de vonnissen van 8 mei 2006, 9 oktober 2006 en 10 december 2007 is een fotokopie aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in hoger beroep

2.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep van 8 januari 2008,

- de memorie van grieven,

- de memorie van antwoord, tevens van incidenteel hoger beroep,

- de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep.

2.2 Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

3 De vaststaande feiten

Op grond van hetgeen enerzijds is gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende weersproken en op grond van de in zoverre niet bestreden inhoud van overgelegde producties, staan vast de feiten die de pachtkamer in zijn vonnis van 9 oktober 2006 onder 2.3 a tot en met c heeft vermeld.

4 De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1 Het gaat in dit geding - kort samengevat - om het volgende. [appellant] heeft aan [geïntimeerde] een perceel weiland te [plaats] verpacht, kadastraal bekend [.....], groot 8.03.75 ha. Met dit perceel is melkquotum gaan samenhangen. Met instemming van [appellant] heeft [geïntimeerde] in januari 2005 zijn gehele melkquotum aan derden verkocht. Het ging om een quotum van 301.423 kg en een vetpercentage van 3,89%.

4.2 Partijen twisten over de totale oppervlakte van het bedrijfsareaal van [geïntimeerde] in 1983, het referentiejaar. In eerste aanleg heeft [appellant] betaling gevorderd van € 54.822,16, te weten de helft van de opbrengst van het met het volgens [appellant] met het gepachte samenhangende melkquotum. [geïntimeerde] heeft de vordering gemotiveerd betwist. Hij heeft onder meer aangevoerd dat hij in het jaar 1983 percelen in mondelinge pacht had van [persoon A], [persoon B] en [persoon C], waardoor het gedeelte van het aan zijn bedrijven toegekende melkquotum dat met het gepachte samenhing (veel) minder was dan [appellant] aanneemt.

4.3 De pachtkamer heeft het standpunt van [geïntimeerde] relevant geacht voor de vaststelling van het met het gepachte samenhangende melkquotum en [geïntimeerde] toegelaten tot bewijs van de mondelinge pacht. Na bewijslevering heeft de pachtkamer [geïntimeerde] geslaagd geacht in het bewijs dat hij de percelen van [persoon B] en [persoon C] in 1983 pachtte, maar niet dat hij ook het perceel van [persoon A] aan de [straatnaam] pachtte. Voorts heeft de pachtkamer correcties aangebracht op een overzicht van [geïntimeerde] bij conclusie van antwoord van alle door hem gebruikte percelen. De pachtkamer heeft berekend dat aan [appellant] een bedrag van

€ 56.466,16 toekomt waarvan [geïntimeerde] reeds een bedrag van € 54.822,16 had betaald. De pachtkamer heeft [geïntimeerde] vervolgens veroordeeld aan [appellant] een bedrag van € 1.644 te betalen, vermeerderd met rente vanaf 15 april 2005, en [appellant] in de proceskosten veroordeeld.

4.4 Tijdens de procedure in eerste aanleg heeft [appellant] een incidentele conclusie als bedoeld in artikel 843a Rv genomen om [geïntimeerde] te laten veroordelen afschriften te verstrekken van landbouwtellingsgegevens 1982, 1983 en 1984 alsmede de jaarstukken over de jaren 1982 tot en met 2000. Daarop heeft [geïntimeerde] gereageerd. In het vonnis in incident van 8 mei 2006 heeft de pachtkamer de vordering afgewezen.

4.5 In zijn dagvaarding in hoger beroep vordert [appellant] vernietiging van de vonnissen van 13 juni 2005, 8 mei 2006, 9 oktober 2006 en 10 december 2007 en dat het hof zijn vorderingen alsnog zal toewijzen met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties. [geïntimeerde] concludeert tot ongegrondverklaring van het principaal hoger beroep en vordert in het incidenteel hoger beroep vernietiging van het vonnis van 10 december 2007 en dat het hof de omvang van het bedrijfsareaal vaststelt met mederekening van het derde perceel [van [persoon A]], met veroordeling van [appellant] in de kosten van [begrepen wordt] het principaal en incidenteel hoger beroep.

4.6 In zijn eerste grief stelt [appellant] zijn standpunt aan de orde dat voor de berekening van het bedrijfsareaal in het referentiejaar de meitellinggegevens doorslaggevend zijn. De grief faalt. Voor de vaststelling welke grond in 1983 dienstbaar was aan de melkproductie, acht dit hof (hof Arnhem 23 december 1997, AR 1999/4961) maatgevend de grond die destijds daadwerkelijk ten behoeve van de melkproductie werd gebruikt. De conclusie van [appellant] dat uit voormeld arrest volgt dat mondelinge pachtovereenkomsten die liepen in 1983 en later niet schriftelijk zijn vastgelegd, niet mogen meetellen, berust op een onjuiste lezing. In het geval dat zou komen vast te staan dat [geïntimeerde] destijds in de jaren 1982-1984 een onjuiste opgave voor de meitelling heeft gedaan zoals [appellant] stelt, brengt deze omstandigheid in het uitgangspunt van het hof geen verandering.

4.7 Uit de toelichting op de tweede grief maakt het hof op dat [appellant] zich niet alleen tegen de bewijswaardering door de pachtkamer keert, maar ook - subsidiair - tegen de aanname van de pachtkamer dat terzake [persoon B] en [persoon C] sprake was van (mondelinge) pacht. [appellant] stelt zich op het standpunt dat de omstandigheid dat [geïntimeerde] het land gebruikte en daarvoor in contanten betaalde, niet meebrengt dat van de reguliere pacht gesproken kan worden. Het hof verwerpt dit betoog. Zowel onder het tot 1 september 2007 geldende als onder het huidige recht geldt dat voor de kwalificatie als pachtovereenkomst de inhoud van de door partijen overeengekomen rechten en verplichtingen beslissend is. Indien aan de pachter grond in gebruik is gegeven ter uitoefening van de landbouw en hij zich heeft verbonden tot een tegenprestatie, is sprake van een pachtovereenkomst. Indien deze niet (schriftelijk is vastgelegd en) aan de Grondkamer is toegezonden, geldt de overeenkomst voor onbepaalde tijd.

4.8 De tweede grief in het principaal hoger beroep leent zich verder voor gezamenlijke bespreking met de grief in het incidenteel hoger beroep. Beide grieven keren zich tegen de bewijswaardering door de pachtkamer. [appellant] betwist dat [geïntimeerde] de percelen van [persoon A], [persoon B] en [persoon C] in het referentiejaar pachtte en - kennelijk subsidiair - dat de betreffende percelen dienstbaar waren aan de melkproductie van het bedrijf van [geïntimeerde] (randnummer 16 memorie van grieven).

4.9 De pachtkamer in eerste aanleg heeft [geïntimeerde] (terecht) belast met het bewijs dat [geïntimeerde] in het referentiejaar de percelen van [persoon A], [persoon B] en [persoon C] pachtte. Nu [appellant] subsidiair betwist dat de betreffende percelen dienstbaar waren aan de melkproductie, zal het hof ook daarover dienen te oordelen. Alvorens het hof in het principaal hoger beroep het door [geïntimeerde] bijgebrachte bewijs opnieuw zal waarderen, zal zij hem op de voet van artikel 22 Rv en in het licht van Hof Arnhem 30 mei 1994, AR 1996/4833 eerst opdragen meitellinggegevens van de jaren 1982 tot en met 1984 en (voor zover nog beschikbaar) de jaarstukken uit diezelfde jaren over te leggen. Voor zover bedoelde jaarstukken niet meer beschikbaar zijn, dient [geïntimeerde] zoveel als mogelijk schriftelijke bewijsstukken over te leggen waaruit de omvang van zijn toenmalige bedrijf en de wijze van gebruik van de verschillende percelen (dienstbaar aan de melkproductie of niet) zich laat afleiden. Afhankelijk van de waardering van voormelde stukken in samenhang met de reeds afgelegde getuigenverklaringen, zal het hof [geïntimeerde] eventueel nader bewijs opdragen terzake de percelen van [persoon B] en [persoon C]. Tevens verzoekt het hof [geïntimeerde] zo mogelijk de kaart in het geding te brengen die tijdens de getuigenverhoren bij de pachtkamer in eerste aanleg is gebruikt.

4.10 In het incidenteel hoger beroep heeft [geïntimeerde] gespecificeerd nader bewijs aangeboden van zijn stelling dat hij het perceel van [persoon A] in het referentiejaar pachtte. Overeenkomstig zijn bewijsaanbod zal het hof [geïntimeerde] tot dat bewijs toelaten, echter uit proceseconomische overwegingen pas nadat het hof in het principaal hoger beroep in een volgend tussenarrest een oordeel heeft gegeven over het bewijs terzake de percelen van [persoon B] en [persoon C].

4.11 Het hof houdt verder iedere beslissing aan.

5 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

verwijst de zaak naar de roldatum 27 juli 2010 voor akte aan de zijde van [geïntimeerde] voor het in het geding brengen van meitellinggegevens van de jaren 1982 tot en met 1984, de jaarstukken uit diezelfde jaren en, zo mogelijk, de kaart die tijdens de getuigenverhoren bij de pachtkamer in eerste aanleg is gebruikt;

verstaat dat [appellant] op deze akte bij antwoordakte mag reageren;

houdt verder iedere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. W.L. Valk, M.F.J.N. van Osch en Th.C.M. Willemse en de deskundige leden baron F.J.A. van Verschuer en ir. H.K.C. Roelofsen, en is in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 29 juni 2010.