Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2010:BN2091

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
27-05-2010
Datum publicatie
22-07-2010
Zaaknummer
200.061.933/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wetsgeschiedenis artikel 350, derde lid, aanhef en onder F van Faillissementswet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Rechtsbijstand en schuldhulpverlening 2012/260 met annotatie van G.H. Lankhorst
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrest d.d. 27 mei 2010

Zaaknummer 200.061.933

HET GERECHTSHOF ARNHEM

Nevenzittingsplaats Leeuwarden

Arrest in de zaak van

[verzoekster],

wonende te Deventer,

appellante,

hierna te noemen: [verzoekster],

advocaat mr. E. Tas, kantoorhoudende te Deventer.

Het geding in eerste aanleg

Bij vonnis van 31 maart 2010 heeft de rechtbank Zwolle-Lelystad, locatie Zwolle, op voordracht van de rechter-commissaris de sinds 12 november 2009 van toepassing zijnde schuldsaneringsregeling beëindigd.

Het geding in hoger beroep

Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 7 april 2010, heeft [verzoekster] verzocht voornoemd vonnis te vernietigen en opnieuw beslissende de toepassing van de schuldsaneringsregeling voort te (laten) zetten.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de overige stukken, waaronder de brief, met bijlagen, van 20 april 2010 van de bewindvoerder, mr. J.J.G. Hartholt.

Ter zitting van 19 mei 2010 is de zaak - na afwijzing van een namens [verzoekster] gedaan verzoek tot aanhouding - behandeld. Verschenen zijn mr. Tas en de bewindvoerder. De bewindvoerder heeft ter zitting stukken overgelegd. [verzoekster] is - hoewel behoorlijk opgeroepen - niet in persoon verschenen.

De beoordeling

Inleiding

1. [verzoekster] heeft op 6 april 2009 een verzoekschrift bij de rechtbank ingediend om ten aanzien van haar de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit te spreken.

2. Bij arrest van het hof van 12 november 2009 is de toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken ten aanzien van [verzoekster].

3. De rechtbank heeft - bij voormeld vonnis van 31 maart 2010 - de toepassing van de schuldsaneringsregeling beëindigd op grond van artikel 350, derde lid, aanhef en onder f Faillissementswet (hierna: Fw). De rechtbank heeft overwogen dat [verzoekster] niet heeft gemeld dat zij een schuld heeft laten ontstaan aan het UWV. De rechtbank is van oordeel dat ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van deze schuld niet kan worden gesteld dat [verzoekster] te goeder trouw is geweest en dat deze schuld aan toelating tot de schuldsaneringsregeling in de weg had gestaan.

4. [verzoekster] kan zich met deze beslissing niet verenigen en is hiertegen in hoger beroep gekomen.

Het oordeel

5. Op grond van artikel 350, derde lid, aanhef en onder f Fw kan de schuldsaneringsregeling worden beëindigd indien feiten en omstandigheden bekend worden die op het tijdstip van de indiening van het verzoekschrift tot toelating tot de schuldsaneringsregeling reeds bestonden en die reden zouden zijn geweest het verzoek af te wijzen overeenkomstig artikel 288, eerste en tweede lid, Fw. Het hof dient te onderzoeken of ten aanzien van [verzoekster] van deze beëindigingsgrond sprake is. Het overweegt daartoe als volgt.

6. Uit de stukken is gebleken dat het UWV bij beslissing van 22 december 2009 de ten onrechte verstrekte werkloosheidsuitkering over de periode van 18 mei 2009 tot en met 23 augustus 2009 ten bedrage van € 4.711,55 van [verzoekster] heeft teruggevorderd, omdat [verzoekster] heeft nagelaten het UWV te informeren dat zij inkomsten uit arbeid ontving. Het UWV heeft [verzoekster] tevens een boete opgelegd ten bedrage van € 480,- wegens het schenden van haar mededelingsplicht.

7. [verzoekster] heeft aangevoerd dat zij te goeder trouw is geweest ten aanzien van het ontstaan van de schuld aan het UWV. Volgens haar heeft zij het UWV wel degelijk op de hoogte gesteld van haar inkomsten uit arbeid. Doordat de periode van mei 2009 tot en met augustus 2009 een hectische periode was, was [verzoekster] haar financiële overzicht geheel kwijt, zodat het volgens haar niet vreemd was dat zij zich niet realiseerde dat zij nog steeds betalingen van het UWV ontving.

Naar het oordeel van het hof dient aan dit verweer te worden voorbijgegaan. [verzoekster] heeft immers noch tegen de terugvorderingsbeslissing van het UWV van 22 december 2009, waaruit valt af te leiden dat de feitelijke grond voor terugvordering is gelegen in het verzwijgen van de inkomsten uit arbeid over de periode van 18 mei 2009 tot en met 23 augustus 2009, noch tegen de beslissing van het UWV om haar een boete op te leggen wegens schending van de mededelingsplicht bezwaar ingesteld, zodat deze beslissingen onherroepelijk zijn geworden. Er dient om die reden vanuit te worden gegaan dat zij haar inkomsten uit arbeid heeft verzwegen. Naar het oordeel van het hof had [verzoekster] ervan op de hoogte behoren te zijn dat zij nog steeds uitkeringen ontving van het UWV. De door [verzoekster] aangevoerde persoonlijke omstandigheden doen hieraan niet af. Het hof is dan ook van oordeel dat [verzoekster] niet te goeder trouw is geweest ten aanzien van het ontstaan van de schuld aan het UWV.

8. Hoewel het UWV de schuld pas bij beslissing van 22 december 2009 formeel heeft vastgesteld, was er op het moment van de toelating tot de schuldsaneringsregeling (12 november 2009) reeds sprake van een (niet te goeder trouw ontstane) schuld in materiële zin, aangezien de ten onrechte verstrekte uitkering de periode van 18 mei 2009 tot en met 23 augustus 2009 betreft.

Het hof gaat voorbij aan het verweer van [verzoekster] dat op het moment van het indienen van het inleidend verzoekschrift, te weten op 6 april 2009, nog geen sprake was van een schuld aan het UWV, zodat niet kan worden gezegd dat er feiten en omstandigheden bekend zijn geworden die op het tijdstip van de indiening van het verzoekschrift tot toelating tot de schuldsaneringsregeling reeds bestonden en die reden zouden zijn geweest het verzoek af te wijzen overeenkomstig artikel 288, eerste en tweede lid, Fw. Weliswaar duidt de tekst van artikel 350, derde lid, aanhef en onder f Fw erop dat het tijdstip van indiening van het verzoekschrift doorslaggevend is voor de bij deze beëindigingsgrond in aanmerking te nemen feiten en omstandigheden, maar naar het oordeel van het hof is uit de wetsgeschiedenis af te leiden dat de beëindigingsgrond van artikel 350, derde lid, aanhef en onder f is bedoeld voor feiten en omstandigheden die op het moment van de toelating tot de regeling - en derhalve niet slechts ten tijde van de indiening van het verzoekschrift - al bestonden, maar die pas tijdens de schuldsaneringsregeling bekend worden en die bij de beoordeling van een verzoek tot toelating reden zouden zijn geweest het verzoek af te wijzen als bedoeld in artikel 288, eerste en tweede lid (Vgl. Kamerstukken Tweede Kamer, vergaderjaar 2004-2005, 29 942, nr. 3, blz. 35).

9. Naar het oordeel van het hof staat op grond van de stukken vast dat [verzoekster] zowel tijdens de toelatingszitting bij de rechtbank als tijdens de toelatingszitting in hoger beroep bij het hof heeft nagelaten de schuld aan het UWV te melden. Indien de schuld aan het UWV, die niet te goeder trouw is ontstaan, bekend was geweest op het moment dat het verzoek tot toelating werd beoordeeld, was het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling afgewezen.

10. Gelet op het voorgaande dient, nu niet is gebleken van omstandigheden die tot een ander oordeel moeten leiden, de toepassing van de schuldsaneringsregeling te worden beëindigd op grond van artikel 350, derde lid, aanhef en onder f Fw.

Slotsom

11. Op grond van het voorgaande dient het vonnis waarvan beroep te worden bekrachtigd.

De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep.

Aldus gewezen door mrs. Rowel-Van der Linde, voorzitter, Fikkers en De Hek, raden, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van donderdag 27 mei 2010 in bijzijn van de griffier.