Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2010:BN2067

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
01-06-2010
Datum publicatie
22-07-2010
Zaaknummer
200.036.816/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontvankelijkheid in appel. Duurzame ontwrichting betwist. Geloofsovertuiging verzet zich tegen echtscheiding. Alimentatieverzoeken afgewezen bij gebrek aan informatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking d.d. 1 juni 2010

Zaaknummer 200.036.816

HET GERECHTSHOF ARNHEM

Nevenzittingsplaats Leeuwarden

Beschikking in de zaak van

[verzoekster],

wonende te [woonplaats],

appellante in het principaal appel,

geïntimeerde in het incidenteel appel,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. A.C.M. Montessori, kantoorhoudende te Almere,

tegen

[verweerder],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde in het principaal appel,

appellant in het incidenteel appel,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. M.E. Van de Voort, kantoorhoudende te Badhoevedorp.

Het geding in eerste aanleg

Bij beschikking van 18 maart 2009 heeft de rechtbank Zwolle-Lelystad, locatie Lelystad, de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en bepaald dat -voor zover hier van belang- de vrouw de woning dient te verlaten en te ontruimen indien de woning wordt verkocht. Voorts heeft de rechtbank een co-ouderschapsregeling vastgesteld met betrekking tot de minderjarigen [kind 1] (hierna: [kind 1]), geboren [in 1993] te [woonplaats], en [kind 2] (hierna: [kind 2]), geboren [in 2002] te [woonplaats]. Daarnaast heeft de rechtbank met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking een door de man te betalen bedrag van € 205,- per maand aan partneralimentatie vastgesteld.

Het geding in hoger beroep

Bij beroepschrift, binnengekomen op de griffie op 18 juni 2009, heeft de vrouw verzocht de beschikking van 18 maart 2009 te vernietigen en opnieuw beslissende de bestreden beschikking te vernietigen en het verzoek tot echtscheiding alsnog af te wijzen. Subsidiair heeft de vrouw verzocht te bepalen dat de kinderen hun hoofdverblijfplaats bij de moeder zullen hebben en dat de man € 600,- per maand aan partneralimentatie zal voldoen. Meer subsidiair, voor zover het verzoek om partneralimentatie geheel of gedeeltelijk mocht worden afgewezen, heeft de vrouw verzocht te bepalen dat de man € 300,- per kind per maand aan kinderalimentatie dient te voldoen.

Bij verweerschrift, binnengekomen op de griffie op 12 augustus 2009, heeft de man het verzoek bestreden en verzocht de vrouw in haar beroep niet-ontvankelijk te verklaren, althans de beschikking waarvan beroep te bekrachtigen voor zover het de grieven van de vrouw betreft.

Tevens heeft de man bij voormeld verweerschrift incidenteel beroep ingesteld en daarin verzocht de beschikking van 18 maart 2009 te vernietigen voor zover het de partneralimentatie betreft en opnieuw beslissende deze op nihil te stellen. Bij zelfstandig verzoek heeft de man verzocht de vrouw te veroordelen mee te werken aan de verkoop en levering van de echtelijke woning, zoals vermeld in zijn verweerschrift tevens inhoudende incidenteel appel.

Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 23 september 2009, heeft de vrouw het verzoek in het incidenteel beroep en het zelfstandige verzoek van de man bestreden.

Het hof heeft kennisgenomen van de overige stukken, waaronder een brief van

4 maart 2010 van de Raad voor de Kinderbescherming, een brief van 10 maart 2010 met bijlagen en een brief van 18 maart 2010 met bijlagen van mr. Montessori en een brief van 19 maart 2010 met bijlagen van mr. Vande Voort.

Ter zitting van 29 maart 2010 is de zaak behandeld. Verschenen zijn beide partijen, bijgestaan door hun advocaten.

De beoordeling

Inleiding

1. Partijen zijn op [datum huwelijk] in [plaats] gehuwd. Uit het huwelijk van partijen zijn [kind 1] en [kind 2] geboren. Partijen en de kinderen wonen nog gezamenlijk in de echtelijke woning te [woonplaats].

2. De man heeft op 7 januari 2008 de rechtbank Zwolle-Lelystad verzocht om de echtscheiding tussen partijen uit te spreken en een omgangsregeling met de kinderen vast te stellen. Daarnaast heeft de man de rechtbank verzocht om de vrouw te veroordelen over te gaan tot de scheiding en deling van de gemeenschap van goederen. De vrouw heeft hiertegen verweer gevoerd.

3. De vrouw heeft betwist dat het huwelijk duurzaam ontwricht is. Voorts is zij, indien de echtscheiding wordt uitgesproken, het niet eens met de door de man verzochte omgangsregeling. De vrouw heeft een zelfstandig verzoek ingediend, inhoudende dat -in geval van echtscheiding- de zorg voor de kinderen bij helfte zal worden verdeeld (co-ouderschap) en dat de kinderalimentatie op een bedrag van € 247,- per kind per maand wordt vastgesteld en voorts dat zij bij verkoop van de woning gedurende zes maanden na inschrijving van de echtscheidings-beschikking in de echtelijke woning mag blijven wonen. De man heeft tegen (de hoogte van) de door de vrouw verzochte kinderalimentatie verweer gevoerd. Ter zitting bij de rechtbank heeft de vrouw haar verzoek om kinderalimentatie vast te stellen gewijzigd in een verzoek om partneralimentatie.

4. Bij de beschikking waarvan beroep heeft de rechtbank beslist zoals hiervoor vermeld onder 'Het geding in eerste aanleg'. De vrouw heeft tegen deze beslissing hoger beroep ingesteld.

Ontvankelijkheid

5. De man heeft in zijn verweerschrift gesteld dat de vrouw niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar beroepschrift, omdat dit te laat zou zijn ingediend en hij bovendien een akte van non-appel heeft ontvangen van de rechtbank.

6. De vrouw heeft dit betwist. Zij heeft een brief van de rechtbank Zwolle-Lelystad overgelegd, waaruit blijkt dat de akte van non-appel ten onrechte is afgegeven.

7. Ingevolge het bepaalde in artikel 358 lid 2 Rv dient door de verzoeker binnen drie maanden, te rekenen van de dag van de uitspraak, hoger beroep te worden ingesteld. Het beroepschrift van de vrouw is binnengekomen op de griffie op

18 juni 2009. Zij heeft naar het oordeel van het hof daarmee tijdig (binnen de in de wet gestelde termijn van drie maanden na 18 maart 2009) hoger beroep ingesteld tegen de beschikking van de rechtbank. De vrouw kan worden ontvangen in haar hoger beroep.

De overwegingen

Duurzame ontwrichting

8. De vrouw heeft in hoger beroep betwist dat er sprake is van een duurzame ontwrichting van het huwelijk. Zij stelt dat de man en zij nog steeds samenwonen, hetgeen de man overigens ter zitting ook heeft bevestigd. Bovendien is de vrouw van mening dat een echtscheiding niet in het belang van de kinderen is.

9. De man stelt zich op het standpunt dat er wel sprake is van een duurzame ontwrichting van het huwelijk.

10. Het hof overweegt dat er sprake is van duurzame ontwrichting van het huwelijk, indien de voortzetting van de samenleving ondraaglijk is geworden zonder dat er uitzicht bestaat op herstel van behoorlijke echtelijke verhoudingen.

11. Het gegeven dat de man onder aanvoering van gronden stelt en blijft stellen dat hij niet meer wil samenleven met de vrouw (vanwege bepaalde gebeurtenissen) en dat hij geen liefde meer voelt voor de vrouw, merkt het hof aan als aanwijzing dat er sprake is van duurzame ontwrichting. Ter zitting in hoger beroep is bovendien naar voren gekomen dat pogingen tot bemiddeling tussen de man en de vrouw zijn mislukt. Aldus staat voor het hof voldoende vast dat het huwelijk van partijen duurzaam is ontwricht.

12. Hetgeen de vrouw tegen de stellingen van de man in heeft gebracht, maakt dit oordeel niet anders. Dat de vrouw uit principe en op grond van haar geloofsovertuiging niet wil scheiden, kan naar het oordeel van het hof niet aan de weg staan aan het uitspreken van de echtscheiding (HR 25-03-2005, LJN AS2048 en HR 12-7-2002, LJN AE4037). Ook de stelling dat een echtscheiding niet in het belang van de kinderen is, kan niet tot een ander oordeel leiden. De rechtbank heeft op juiste gronden de echtscheiding uitgesproken.

Wijziging zelfstandig verzoek

13. De vrouw heeft in haar beroepschrift haar zelfstandige verzoek in eerste aanleg gewijzigd in die zin dat zij niet langer een co-ouderschapsregeling wenst. Zij verzoekt de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij haar te bepalen. Voorts stelt zij zich te kunnen vinden in de door de man in zijn inleidend verzoek verzochte omgangsregeling.

14. De man heeft aangevoerd dat hij zich niet kan verenigen met de inhoud van het wijzigingsverzoek van de vrouw. Hij handhaaft zijn laatst ingenomen standpunt om de zorg over de kinderen bij helfte verdelen.

15. Ter zitting is naar het oordeel van het hof voldoende duidelijk geworden dat bij het uiteengaan van partijen een co-ouderschapsregeling niet haalbaar zal zijn in de praktijk. Zo is naar voren gekomen dat de man rond half vijf 's ochtends opstaat om naar zijn werk te gaan. Dit betekent dat hij 's ochtends niet (goed) voor de kinderen zal kunnen zorgen, waardoor de kinderen ook feitelijk niet bij hem kunnen overnachten. Bovendien is het zeer onzeker wanneer de man eigen woonruimte zal betrekken en of hij in de buurt van [woonplaats] komt te wonen. De mogelijkheid bestaat dat de man dichter bij zijn (nieuwe) werk zal gaan wonen.

16. Daarbij mede in aanmerking genomen dat de vrouw onweersproken heeft gesteld dat zij op de momenten dat zij werkt (in de weekenden) opvang kan regelen, acht het hof het in onderhavige zaak het meest in het belang van de kinderen om te bepalen dat, vanaf de datum dat de man vertrekt uit de echtelijke woning in [woonplaats], de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vrouw zal zijn en zal het hof de door de man in eerste instantie verzochte omgangsregeling vaststellen van eenmaal per veertien dagen een weekend en drie weken in de zomervakantie.

Verzoek om (partner)alimentatie

17. Ten eerste merkt het hof op dat de ingangsdatum van de eventuele kinder- of partneralimentatie niet in geschil is. Partijen zijn het erover eens dat dit de datum zal moeten zijn waarop de man uit de echtelijke woning vertrekt.

18. De vrouw heeft in haar beroepschrift aangevoerd dat zij de echtelijke woning wil en kan overnemen indien de man een partneralimentatie zou betalen van, naar het hof begrijpt, € 600,- per maand. De man zou in dat geval geen kinderalimentatie hoeven te betalen. Daarnaast heeft de vrouw aangevoerd dat de rechtbank haar behoefte aan partneralimentatie onjuist heeft vastgesteld en dat de rechtbank ten onrechte het bedrag dat de man op grond van zijn draagkracht zou kunnen betalen aan partneralimentatie niet heeft gebruteerd. Voorts is zij het op een aantal punten niet eens met de door de rechtbank berekende draagkracht van de man (waaronder het bruto jaarinkomen van de man, de bijstandsnorm en de pensioenopbouw).

19. De man daarentegen is van mening dat de vrouw onvoldoende heeft onderbouwd (met stukken) dat zij de financiering rond kan krijgen om de echtelijke woning over te nemen en welk bedrag zij daarvoor nodig heeft. De man heeft het vermoeden uitgesproken dat de vrouw hiermee de zaak probeert te rekken.

20. De man bestrijdt hetgeen de vrouw heeft aangevoerd over haar behoefte aan partneralimentatie en over zijn draagkracht. De man stelt dat de rechtbank de behoefte van de vrouw juist heeft berekend, maar dat hij geen draagkracht heeft om partneralimentatie te betalen. Hij wenst een co-ouderschapsregeling, waarbij beide partijen de kosten van één kind dragen.

21. In zijn incidenteel appel tegen de beschikking van de rechtbank heeft de man aangevoerd geen draagkracht te hebben om partneralimentatie te betalen. Hij is van mening dat rekening dient te worden gehouden met toekomstige woonlasten die hij zal moeten betalen (ongeveer € 600,- per maand). Voorts heeft de rechtbank, volgens de man, ten onrechte geen rekening gehouden met de door hem opgevoerde reiskosten woon-werkverkeer van € 110,-.

22. Tot slot heeft de man in zijn verweerschrift nog een aanvullend zelfstandig verzoek gedaan om de vrouw te veroordelen om mee te werken aan de verkoop en levering van de echtelijke woning van partijen.

23. De vrouw heeft hiertegen verweer gevoerd. Zij heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van een rechtsgeldige ontbinding van het huwelijk en dat daarom verkoop van de woning prematuur is. Bovendien heeft zij haar eerdere stelling herhaald dat zij de echtelijke woning wenst over te nemen.

24. Het hof is van oordeel dat de vrouw tot op heden onvoldoende onderbouwd heeft dat zij in staat is, dan wel zal zijn, om de echtelijke woning over te nemen. Het hof merkt voorts op dat, indien er een concreet bod zou zijn uitgebracht op de echtelijke woning en de vrouw op dat moment niet mee zou willen werken aan de verkoop van de woning, een door de man op te starten kort geding-procedure tot de mogelijkheden behoort.

25. Nu in onderhavige zaak thans sprake is van zoveel onzekere factoren, is het hof

-alles overwegende- van oordeel dat op basis van het door partijen gestelde en betwiste geen betrouwbare vaststelling van eventueel te betalen partneralimentatie (dan wel kinderalimentatie), kan worden gemaakt. Zo valt bijvoorbeeld niet te voorzien wanneer en tegen welke prijs de echtelijke woning zal worden verkocht, per welke datum de man zal vertrekken uit de echtelijke woning, waar hij in dat geval zal gaan wonen, wat zijn woonlast dan zal zijn, en voorts wat de omgangskosten zullen zijn en of de reiskostenvergoeding door de werkgever dan nog wel aan de orde is. Partijen zullen, zodra hierover duidelijkheid bestaat, onderling alsnog tot een regeling hieromtrent moeten komen, dan wel, wanneer dat niet tot resultaat leidt, een verzoek aan de rechtbank moeten doen. Het hof zal de verzoeken met betrekking tot alimentatie vaststelling thans afwijzen.

Slotsom

26. Gelet op het voorgaande zal het hof de beschikking vernietigen voor zover het de co-ouderschapsregeling en de partneralimentatie betreft. Het hof zal in zoverre opnieuw beslissen zoals hieronder vermeld. Het hof zal de beschikking bekrachtigen voor zover het de echtscheiding betreft.

De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beschikking waarvan beroep voor zover het de co-ouderschaps-regeling en de partneralimentatie betreft;

en opnieuw beslissende:

bepaalt de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vrouw en stelt een omgangsregeling vast van eenmaal per veertien dagen een weekend en drie weken gedurende de zomervakantie, met ingang van de datum waarop de man vertrekt uit de echtelijke woning in [woonplaats];

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte;

bekrachtigt de beschikking voor het overige.

Aldus gegeven door mrs. Idsardi, voorzitter, Dijkstra, en Bosch, raden, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van dinsdag 1 juni 2010 in bijzijn van de griffier.