Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2010:BN0912

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
15-06-2010
Datum publicatie
12-07-2010
Zaaknummer
08-00620
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Algemeen.

Bezwaar tegen boetebeschikking terecht niet-ontvankelijk verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2010-1773
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector belastingrecht

nummer 08/00620

uitspraakdatum: 15 juni 2010

Uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

X te Z (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 14 november 2008, nummer AWB 08/184, in het geding tussen belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst te P(hierna: de Inspecteur)

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1 Aan belanghebbende is met dagtekening 23 mei 2007 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) voor het jaar 2003 opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 172.966. Gelijktijdig met het opleggen van de aanslag heeft de Inspecteur bij beschikking een vergrijpboete van 50 percent (€ 23.972) opgelegd vanwege het ten onrechte verrekenen van een bedrag van € 47.944 aan loonbelasting, alsmede een bedrag aan heffingsrente berekend van € 6.849.

1.2 Belanghebbende heeft bij schrijven van 26 juli 2007, bij de Belastingdienst ingekomen op 30 juli 2007, bezwaar aangetekend tegen voornoemde aanslag en verzocht de boete ongedaan te maken. De Inspecteur heeft dit schrijven opgevat als een bezwaar tegen (uitsluitend) de boetebeschikking en bij zijn uitspraak van 16 november 2007 dit bezwaar niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding als bedoeld in artikel 6:9 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb). De Inspecteur heeft daarbij geen aanleiding gevonden de boete ambtshalve te verminderen.

1.3 Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Arnhem (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 14 november 2008 voor zover gericht tegen de uitspraak op bezwaar ongegrond verklaard en voor zover gericht tegen de weigering tot ambtshalve herziening niet-ontvankelijk verklaard.

1.4 Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft in zijn verweerschrift het hoger beroep van belanghebbende beantwoord.

1.5 Tot de stukken van het geding behoren, naast de hiervoor vermelde stukken, het van de Rechtbank ontvangen dossier dat op deze zaak betrekking heeft alsmede alle stukken die nadien, al dan niet met bijlagen, door partijen in hoger beroep zijn overgelegd.

1.6 Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 april 2010 te Arnhem. Aldaar is verschenen en gehoord de Inspecteur. Belanghebbendes gemachtigde heeft voorafgaande aan de zitting bij brief van 7 april 2010 met bijlage de griffier van het Hof laten weten dat belanghebbende niet ter zitting aanwezig kan zijn en in die brief zijn eerder ingenomen standpunten herhaald. Van dit nagekomen stuk met bijlagen heeft het Hof ter zitting een exemplaar overgelegd aan de Inspecteur die daarvan voorafgaande aan de behandeling van de zaak ter zitting heeft kunnen kennisnemen. Zonder bezwaar van de Inspecteur wordt ook dit stuk tot de gedingstukken gerekend.

1.7 Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2. De vaststaande feiten

2.1 Belanghebbende was in 2003 directeur van de besloten vennootschap A B.V. (hierna: de BV) en tevens houder van 80 percent van de geplaatste aandelen in die BV. De BV is bij vonnis van 9 juli 2003 failliet verklaard.

2.2 Namens de BV is op 13 juni 2003 door de accountant van de BV, de heer B, een suppletieaangifte loonbelasting ingediend ter zake van het verlonen van de rekening-courantschuld van belanghebbende aan de BV. Het in deze aangifte opgenomen bedrag aan loonbelasting ad € 47.944 is echter niet aan de fiscus afgedragen.

2.3 In de door belanghebbende ingediende aangifte IB/PVV 2003 is voornoemd bedrag van € 47.944 aan loonbelasting als voorheffing op de inkomstenbelasting in aanmerking genomen.

2.4 Bij het beoordelen van de aangifte IB/PVV 2003 heeft de Inspecteur nadere vragen gesteld met betrekking tot de verrekening van de opgegeven loonbelasting die er toe hebben geleid dat tussen belanghebbende, de heer B en de Inspecteur in de loop van 2006 een aantal gesprekken is gevoerd en schriftelijke correspondentie heeft plaatsgevonden. Daarop heeft de Inspecteur op 7 december 2006 schriftelijk aangekondigd dat de aangegeven doch niet afgedragen loonbelasting ad € 47.944 niet zal worden verrekend met de verschuldigde IB/PVV 2003 en dat aan belanghebbende ter zake een vergrijpboete van 50% zal worden opgelegd.

2.5. Bij diezelfde brief is belanghebbende in de gelegenheid gesteld binnen een termijn van 21 dagen op de door de Inspecteur aangekondigde correctie en vergrijpboete te reageren. Belanghebbende heeft de Inspecteur per brief van 22 december 2006 verzocht om nader uitstel voor een inhoudelijke reactie met als redengeving dat, hij niet over de benodigde stukken beschikte om zich te kunnen verweren aangezien zijn administratie en die van de BV in beslag waren genomen in verband met een lopend strafrechtelijk onderzoek naar mogelijke faillissementsfraude. In reactie daarop heeft de Inspecteur belanghebbende nog twee maal uitstel verleend, uiteindelijk eindigend op 1 mei 2007, onder het aanbod aan belanghebbende van inzage van de in beslag genomen gegevens.

2.6 Bij brief van 24 april 2007, ingekomen bij de Inspecteur op 1 mei 2007 heeft belanghebbende de Inspecteur medegedeeld onder protest in te stemmen met de aangekondigde correctie met daarbij het verzoek om de aanslag zonder boete op te leggen.

2.7 De aanslag IB/PVV 2003 en de boetebeschikking zijn vervolgens met dagtekening 23 mei 2007 aan belanghebbende opgelegd.

2.8 Aan belanghebbende is vervolgens een betalingsmededeling met dagtekening 16 juni 2007 gezonden waarin onder verwijzing naar de eerder verzonden aanslag is aangegeven dat het verschuldigde bedrag uiterlijk op de vervaldatum op de rekening van de Belastingdienst moet staan.

2.9 Op 30 juli 2007 heeft de Inspecteur het op 26 juli 2007 gedagtekende bezwaarschrift van belanghebbende tegen de aanslag IB/PVV 2003 ontvangen.

2.10 De uitspraak van de Inspecteur waarin belanghebbende wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk is verklaard in zijn bezwaar, betreft uitsluitend diens bezwaar tegen de boetebeschikking. In zijn vervolgens ambtshalve genomen beschikking heeft de Inspecteur zowel de aanslag als de boetebeschikking gehandhaafd.

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1 In geschil is de vraag of belanghebbende terecht niet-ontvankelijk is verklaard in zijn bezwaar.

3.2 Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend en voert aan dat in zijn geval sprake is van verschoonbare termijnoverschrijding.

3.3 De Inspecteur beantwoordt deze vraag bevestigend.

3.4 Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Daaraan hebben zij ter zitting toegevoegd hetgeen is vermeld in het aan deze uitspraak gehechte proces-verbaal van de zitting.

3.5 Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, tot vernietiging van de uitspraak van de Inspecteur en naar het Hof begrijpt tot terugwijzing van de zaak naar de Inspecteur als bedoeld in artikel 8:72, lid 4, van de Awb.

3.6 De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4. Beoordeling van het geschil

de omvang van het ingestelde bezwaar (ambtshalve bijgebrachte grond)

4.1. Blijkens zijn uitspraak op bezwaar van 16 november 2007 heeft de Inspecteur het bezwaar van belanghebbende uitsluitend aangemerkt als een bezwaar tegen de boetebeschikking die hem bij het opleggen van de aanslag IB/PVV 2003 is opgelegd. De uitspraak op bezwaar inhoudende dat het bezwaar wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk is verklaard ziet derhalve slechts op het tegen de boetebeschikking gerichte bezwaar van belanghebbende en niet op zijn bezwaar tegen de aanslag.

4.2. Het op 30 juli 2007 bij de Belastingdienst ingekomen bezwaarschrift van belanghebbende is evenwel gericht tegen ‘de aanslag inkomstenbelasting 2003 onder nummer 739.03.772.H.36’. De omstandigheid dat belanghebbende in dat bezwaarschrift vermeldt dat hij onder zwaar protest het ingenomen standpunt van de heer C (van de Belastingdienst) moest accepteren en dat hij (slechts) verzoekt om het ongedaan maken van de opgelegde verhogingen en om een ruime betalingsregeling, rechtvaardigen niet de door de Inspecteur getrokken conclusie dat belanghebbende zijn bezwaar tegen de aanslag zelf uitdrukkelijk zou hebben ingetrokken. Dit geldt te meer nu uit de inhoud van voornoemd bezwaarschrift naar voren komt dat belanghebbende met betrekking tot de enkelvoudige belasting van mening is dat zijn schuldpositie tegenover de fiscus bij een juist handelen van de curator verwaarloosbaar klein is.

4.3. Het vorenstaande brengt mee dat de Inspecteur alsnog gehouden is uitspraak te doen op het door belanghebbende ingediende bezwaar tegen de aanslag IB/PVV van belanghebbende voor het jaar 2003, alsmede de daarbij vastgestelde beschikking heffingsrente.

4.4. Het beroep is in zoverre gegrond.

Ontvankelijkheid van het bezwaar tegen de boetebeschikking

4.5. In aanvulling op zijn eerder bij de Rechtbank ingenomen standpunt voert belanghebbende thans aan dat de overschrijding van de bezwaartermijn hem wegens bijzondere omstandigheden niet is aan te rekenen. Het Hof verstaat dit betoog als een beroep van belanghebbende op artikel 6:11 van de Awb.

4.6. Voor de beoordeling van de ontvankelijkheid van het bezwaar tegen een boete- beschikking (hetgeen is te beschouwen als een strafvervolging in de zin van artikel 6, lid 1, EVRM) gelden uit het oogpunt van rechtsbescherming voor de belanghebbende minder strenge bewijsregels dan voor de beoordeling van de ontvankelijkheid van een bezwaar tegen de enkelvoudige belasting (in welk geval artikel 6, lid 1, EVRM toepassing mist). Indien het bezwaar zich uitsluitend richt tegen de aanslag en de belastingplichtige zich bij het te laat indienen van zijn bezwaarschrift erop beroept dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat hij in verzuim is geweest, draagt hij niet alleen de bewijslast van de aanwezigheid van bijzondere omstandigheden, doch moet hij bovendien aannemelijk maken dat niet kan worden geoordeeld dat hij in verzuim is geweest (vergelijk Hoge Raad 25 april 2008, 43 871, LJN: BD0469 en Hoge Raad 10 april 2009, nr. 08/02908, LJN: BI0550). Degene daarentegen die bezwaar maakt tegen een boetebeschikking zal voor het bewijs van de verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding kunnen volstaan met het stellen van bijzondere omstandigheden. Het ligt bij een boetebeschikking op de weg van de Inspecteur aannemelijk te maken dat van zodanige omstandigheden geen sprake is. De regel dat een na afloop van de wettelijke bezwaartermijn van zes weken gemaakt bezwaar niet-ontvankelijk is blijft bij het opleggen van een boete derhalve buiten toepassing, indien de belanghebbende bijzondere omstandigheden aanvoert die door de Inspecteur niet kunnen worden weerlegd.

4.7. Belanghebbende heeft in hoger beroep gesteld dat de termijnoverschrijding is terug te voeren op de omstandigheid dat abusievelijk niet van de dagtekening van de aanslag (23 mei 2007) maar van die van de betalingsmededeling (16 juni 2007) is uitgegaan en dat de termijnoverschrijding het gevolg is van het feit dat hij zelf niet in staat was bezwaar te maken en dit aan een derde moest overlaten c.q. dat hij door onjuiste informatieverstrekking door het Openbaar Ministerie (hierna: O.M.) aan de Rechtbank niet tijdig zelf bezwaar heeft kunnen maken.

4.8. De Inspecteur weerspreekt deze stellingen van belanghebbende. Hij voert daartoe aan, dat de door belanghebbende aangevoerde zeer speciale omstandigheden zeer summier zijn onderbouwd. Voor zover belanghebbende erop doelt dat hij zich genoodzaakt voelde na zijn vrijlating uit voorarrest in het voorjaar 2007 naar het buitenland te vertrekken, merkt de Inspecteur het volgende op. Belanghebbende dient bij een vertrek naar het buitenland ervoor zorg te dragen dat zijn fiscale zaken door een derde behartigd worden. Dat een derde hiervoor zorg zou dragen, bestrijdt hij, omdat uit de overgelegde stukken blijkt, dat belanghebbende zelf het bezwaarschrift en de beroepschriften heeft ingediend.

4.9. Het Hof stelt vast dat belanghebbende niet weerspreekt dat hij de aanslag die naar zijn toenmalige huisadres a-straat 1, te Q is gezonden, daadwerkelijk heeft ontvangen en dat hem ook de daarop volgende betalingsmededeling, die eveneens is geadresseerd aan zijn toenmalige huisadres, heeft bereikt. Dat belanghebbende ook de aanslag heeft ontvangen volgt daarnaast uit het feit dat belanghebbende in zijn bezwaarschrift gegevens heeft vermeld die niet op de nadien door hem ontvangen betalingsmededeling waren vermeld. Voorts stelt het Hof vast dat het met dagtekening 26 juli 2007 ingediende bezwaarschrift niet door een derde maar door hem zelf is ingediend en dat uit het slot van zijn bezwaarschrift blijkt dat hij op dat tijdstip nog steeds woonachtig was op hetzelfde voornoemde huisadres.

4.10. Anders dan belanghebbende doet voorkomen blijkt uit het – weliswaar te laat – door hem zelf ingediende bezwaarschrift dat hij zelf feitelijk in staat is geweest een bezwaarschrift in te dienen en dat hij daarvoor niet afhankelijk was van een – niet nader genoemde – derde. Van een bijzondere omstandigheid is te dezen dan ook geen sprake.

4.11. Bovendien stelt belanghebbende in het door hem zelf ingediende hoger beroepschrift dat de overschrijding van de bezwaartermijn direct is veroorzaakt door het O.M. In dit verband voert belanghebbende aan:

“De inspecteur heeft gemeend het O.M. zelfs bij zijn bezwaarschrift te moeten betrekken (via een krantenartikel) en zo is ondergetekende in navolging hierop ook gedwongen dit te doen.

Feit is dat inmiddels door deskundigen vastgesteld is dat het O.M. op een grove wijze onjuiste informatie aan de rechtbank verstrekt heeft, en er door haar handelswijze voor gezorgd heeft dat ondergetekende het bezwaarschrift niet zelf en op tijd kon indienen.

De rechtbank heeft hier geen rekening mee willen houden. Het te late indienen van het bezwaarschrift kan dan ook niet los gezien worden van de door het O.M. veroorzaakte problemen”.

4.12. Tot de stukken van het geding behoort een op 25 januari 2008 in een regionale krant gepubliceerd krantenartikel (bijlage D bij het verweerschrift van de Inspecteur voor de Rechtbank) dat betrekking heeft op de tegen belanghebbende aangespannen strafzaak. Het Hof gaat er, met de Inspecteur, van uit dat belanghebbende met het onder 4.11 aangevoerde doelt op dit bij de Rechtbank ingebrachte krantenartikel uit 2008, maar vermag - zonder nadere invulling van de door belanghebbende ingenomen stellingen - niet in te zien dat de overlegging in beroep van een in 2008 gepubliceerd krantenartikel kan kwalificeren als een bijzondere omstandigheid op grond waarvan belanghebbende de overschrijding van de bezwaartermijn in 2007 in redelijkheid niet kan worden aangerekend.

4.13. Van andere feiten of omstandigheden die leiden tot de verschoonbaarheid van de onderhavige termijnoverschrijding is het Hof niet gebleken.

4.14. De Inspecteur en de Rechtbank hebben het bezwaar tegen de boetebeschikking terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

slotsom

De Inspecteur heeft terecht het tegen de boete gerichte bezwaar niet ontvankelijk verklaard en ten onrechte geen uitspraak gedaan op het tegen de aanslag en de heffingsrente gerichte bezwaar.

5. Kosten

Het Hof is in beroep en hoger beroep niet gebleken van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand en ook overigens niet van kosten die ingevolge artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht kunnen worden begrepen in een kostenveroordeling op de voet van artikel 8:75 van de Awb.

6. Beslissing

Het Gerechtshof:

- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank;

- bevestigt de uitspraak van de Inspecteur op het bezwaar tegen de boetebeschikking;

- wijst de zaak terug naar de Inspecteur teneinde op het bezwaar tegen de aanslag IB/PVV 2003 en de heffingsrentebeschikking te beslissen;

- gelast dat de Staat aan belanghebbende vergoedt het door hem gestorte griffierecht van

€ 39 bij de Rechtbank en € 107 bij het Gerechtshof.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.C.M. de Kroon, voorzitter, mr. R.F.C. Spek en mr. A.J. Kromhout, in tegenwoordigheid van mr. J.L.M. Egberts als griffier.

De beslissing is op 15 juni 2010 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(J.L.M. Egberts) (M.C.M. de Kroon)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.