Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2010:BN0770

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
13-07-2010
Datum publicatie
16-07-2010
Zaaknummer
200.045.110
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Appelgrens, Begroting liquidatietarief geen recht in de zin van artikel 79 Wet RO

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2010/299
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.045.110

(zaaknummer rechtbank 355188)

arrest van de vijfde civiele kamer van 13 juli 2010

inzake

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

advocaat: mr. L.J. Krijgsman,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Belmij “Ugchelen” B.V.,

gevestigd te Apeldoorn,

geïntimeerde,

advocaat: mr. L. Paulus.

1. Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van

11 februari 2009, 13 mei 2009 en 10 juni 2009 die de kantonrechter (rechtbank Zutphen, sector kanton, locatie Apeldoorn) tussen appellant (hierna ook te noemen: [appellant]) als eiser en geïntimeerde (hierna ook te noemen: Belmij) als gedaagde heeft gewezen; van de vonnissen van 13 mei 2009 en 10 juni 2009 is een fotokopie aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in hoger beroep

2.1 [appellant] heeft bij exploot van 10 augustus 2009, hersteld bij exploot van 28 september 2009, Belmij aangezegd van de tussen partijen gewezen vonnissen van 13 mei 2009 en

10 juni 2009 in hoger beroep te komen, met dagvaarding van Belmij voor dit hof.

2.2 Bij memorie van grieven heeft [appellant] een grief aangevoerd en toegelicht tegen het vonnis van 13 mei 2009. Hij heeft gevorderd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en, opnieuw recht doende, bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard arrest, het salaris van de gemachtigde zal begroten op € 300,00, met veroordeling van Belmij in de kosten van het hoger beroep.

2.3 Bij memorie van antwoord heeft Belmij de grief bestreden. Zij heeft geconcludeerd dat het hof bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren arrest, [appellant] niet-ontvankelijk zal verklaren in zijn vordering, althans de vordering van [appellant] zal afwijzen, met veroordeling van [appellant] in de kosten van (bedoeld zal zijn:) het hoger beroep, waaronder begrepen het verschuldigde griffierecht en het tot aan de uitspraak begrote bedrag aan salaris van de advocaat, te voldoen binnen 14 dagen na dagtekening van het arrest, en indien voldoening niet binnen deze termijn plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente, te rekenen vanaf de datum van het arrest, althans van de veertiende dag na datum van het arrest tot aan de dag van de algehele voldoening.

2.4 Daarna heeft [appellant] akte verzocht van een schriftelijke verklaring, waarna Belmij antwoordakte heeft verzocht.

2.5 Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

3. De grieven

[appellant] heeft de volgende grief aangevoerd:

Ten onrechte, althans ongemotiveerd, althans op onbegrijpelijke gronden, heeft de kantonrechter de kosten van de procedure tot de uitspraak aan de zijde van Belmij begroot op € 1.000,- aan salaris gemachtigde.

4. De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1 In eerste aanleg heeft [appellant] verklaring voor recht gevorderd dat Belmij onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld en aansprakelijk is voor de dientengevolge door [appellant] geleden schade. De kantonrechter heeft de vordering van [appellant] afgewezen, onder veroordeling van [appellant] in de proceskosten, aan de zijde van Belmij begroot op € 1.000,-.

4.2 In hoger beroep heeft [appellant] slechts een grief gericht tegen zijn veroordeling in de proceskosten. De afwijzing door de kantonrechter van de vordering van [appellant] is daarmee onherroepelijk geworden.

4.3 Nu geen grieven zijn gericht tegen het tussen partijen gewezen verbetervonnis van

10 juni 2009, zal [appellant] in zoverre niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn hoger beroep.

Ontvankelijkheid

4.4 Het hof zal allereerst de ontvankelijkheid van [appellant] in hoger beroep beoordelen, gelet op het bepaalde in artikel 332 lid 1 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv): Partijen kunnen van een in eerste aanleg gewezen vonnis in hoger beroep komen, tenzij de vordering waarover de rechter in eerste aanleg had te beslissen niet meer beloopt dan

€ 1.750,- of, in geval van een vordering van onbepaalde waarde, er duidelijke aanwijzingen bestaan dat de vordering geen hogere waarde vertegenwoordigt dan € 1.750,-.

4.5 Bepalend voor appellabiliteit is, anders dan Belmij het wil doen voorkomen, niet de hoogte van de vordering zoals deze in hoger beroep wordt ingesteld (in casu: € 1.000,-), maar de hoogte van de vordering waarover de kantonrechter in eerste aanleg heeft geoordeeld. Voor zover het gaat om de beoordeling van de ontvankelijkheid van het hoger beroep is de appelrechter gebonden aan hetgeen de rechter in eerste aanleg heeft vastgesteld omtrent het beloop van de aan hem voorgelegde vordering, tenzij daartegen een grief is gericht (HR 6 februari 2004, LJN AN8069). De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis in rechtsoverweging 3.1 opgenomen dat [appellant] zijn schade heeft geschat op € 1.500,-. Anders dan [appellant] betoogt heeft de kantonrechter daarmee niet de waarde van de vordering vastgesteld, nu de kantonrechter anderzijds in rechtsoverweging 2.1 heeft weergegeven dat [appellant] een vordering heeft ingesteld tot verklaring voor recht. De kantonrechter is bij de beoordeling kennelijk uitgegaan van een vordering van onbepaalde waarde. Dit is niet onbegrijpelijk, gelet op het feit dat [appellant] een verklaring voor recht heeft gevorderd, juist omdat hij naar eigen zeggen het exacte beloop van zijn vordering nog niet kon inschatten. Bovendien heeft de kantonrechter zich, desgevraagd, in het verbetervonnis van 10 juni 2009 nog eens gebogen over de hoogte van de proceskostenveroordeling. De kantonrechter heeft toen geoordeeld dat geen sprake is van een kennelijke fout.

4.6 De omstandigheid dat een vordering van onbepaalde waarde wordt ingesteld, neemt echter niet weg dat er aanwijzingen kunnen bestaan dat de vordering de appellabiliteitsgrens niet te boven komt. [appellant] heeft in zijn inleidende dagvaarding te kennen gegeven dat hij niet wist op welk bedrag zijn schade moet worden gesteld. In de eerder aan Belmij gezonden concept-dagvaarding ging het volgens [appellant] echter om een bedrag van € 1.500,- in hoofdsom, te vermeerderen met de wettelijke rente en een bedrag van € 300,- aan buitengerechtelijke incassokosten. Ook indien van die vordering zou worden uitgegaan, zijn er geen aanwijzingen dat de vordering de appellabiliteitsgrens niet te boven komt. Eventuele toekomstige wettelijke rente wordt hierbij niet in aanmerking genomen, maar de reeds meegevorderde incassokosten worden dat wel. [appellant] is derhalve met zijn vordering in zijn hoger beroep ontvankelijk.

Proceskostenbeslissing

4.7 Met zijn grief komt [appellant] op tegen zijn door de kantonrechter uitgesproken veroordeling in de proceskosten in eerste aanleg, althans tegen de hoogte van het bedrag waarop de kantonrechter deze kosten heeft begroot.

4.8 Het hof overweegt dat de rechter ambtshalve het bedrag van de kostenveroordeling vaststelt, en daarbij niet is gehouden tot motivering daarvan. De begroting van het salaris van gemachtigde of advocaat in procedures bij de kantonrechter wordt doorgaans vastgesteld aan de hand van het liquidatietarief kantonrechters. Dit liquidatietarief is echter geen recht in de zin van artikel 79 Wet op de Rechterlijke Organisatie (hierna: RO).

4.9 [appellant] heeft betoogd dat, met het liquidatietarief in de hand, de proceskosten wellicht ook anders hadden kunnen worden begroot dan de kantonrechter heeft gedaan. Van een kennelijke misslag, zoals [appellant] heeft gesteld, is naar het oordeel van het hof echter geen sprake. De kantonrechter heeft, zoals hiervoor onder 4.5 reeds is overwogen, de vordering van [appellant] kennelijk beoordeeld als van onbepaalde waarde. Het bedrag van de proceskostenveroordeling is in dat licht niet onbegrijpelijk.

4.10 Op grond van het voorgaande slaagt de grief niet en wordt het bestreden vonnis van de kantonrechter bekrachtigd. Als de overwegend in het ongelijk gestelde partij zal [appellant] in de kosten van het hoger beroep worden veroordeeld.

5. De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

verklaart [appellant] niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep van het tussen partijen gewezen verbetervonnis van de kantonrechter (rechtbank Zutphen, sector kanton, locatie Apeldoorn) van 10 juni 2009;

bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de kantonrechter (rechtbank Zutphen, sector kanton, locatie Apeldoorn) van 13 mei 2009;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Belmij begroot op € 894,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en op € 262,- voor griffierecht, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest, en – voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening;

verklaart dit arrest voor wat de proceskostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. I.A. Katz-Soeterboek, H.C. Frankena en M.L. van der Bel en is in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van

13 juli 2010.