Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2010:BN0735

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
04-05-2010
Datum publicatie
08-07-2010
Zaaknummer
200.059.000
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Rechtens relevant belang bij hoger beroep

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.059.000

(zaaknummer rechtbank 110638 / JE RK 10-151)

beschikking van de familiekamer van 4 mei 2010

inzake

de Raad voor de Kinderbescherming,

gevestigd te Zutphen,

verzoeker in hoger beroep,

verder te noemen "de raad",

en

[verweerder sub 1] en [verweerster sub 2],

beiden wonende te [woonplaats],

verweerders in hoger beroep,

verder te noemen respectievelijk "de vader" en "de moeder",

samen te noemen "de ouders",

advocaat: mr. G.F.M.G. Heutink te Apeldoorn.

Als overige belanghebbende is aangemerkt:

De stichting Bureau Jeugdzorg Gelderland,

gevestigd te Apeldoorn,

verder te noemen “de stichting”.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Zutphen van 1 maart 2010, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2. Het geding in hoger beroep

2.1 Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 2 maart 2010, is de raad in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking. De raad verzoekt het hof die beschikking te vernietigen en alsnog een machtiging uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg te verlenen.

2.2 Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 29 maart 2010, hebben de ouders het verzoek in hoger beroep van de raad bestreden. De ouders verzoeken het hof het hoger beroep van de raad ongegrond te verklaren.

2.3 Ter griffie van het hof zijn binnengekomen:

- op 17 maart 2010 een brief van de stichting van 16 maart 2010 met bijlagen;

- op 24 maart 2010 een brief van de raad van 22 maart 2010;

- op 13 april 2010 een brief van mr. Heutink van 12 april 2010 met bijlagen.

2.4 De mondelinge behandeling heeft op 16 april 2010 plaatsgevonden. De ouders zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaat. Namens de Raad voor de Kinderbescherming (verder: de raad) is [...] verschenen. Namens de stichting zijn verschenen [...], gezinsvoogd en [...], teamleider. Tevens is verschenen [...], ambulant gezinsbegeleider van Pactum jeugdzorg. Ook is verschenen [...], beëdigd tolk, die het verhandelde ter mondelinge behandeling heeft vertaald ten behoeve van de moeder.

2.5 Het hof heeft kennisgenomen van de stukken eerste aanleg, waaronder rapporten van de raad gedateerd op 4 februari 2010, 5 februari 2010 en 15 februari 2010.

2.6 Artikel 1.4.3 van het Procesreglement verzoekschriftprocedures familiezaken gerechtshoven luidt: “Een belanghebbende legt de stukken waarop hij zich wenst te beroepen, zo spoedig mogelijk over. Uiterlijk op de tiende kalenderdag voorafgaand aan de mondelinge behandeling kunnen nog stukken worden overgelegd, mits in vijfvoud en met toezending in kopie aan iedere overige belanghebbende. Op stukken die nadien worden overgelegd en op stukken waarvan tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat zij niet door iedere overige belanghebbende zijn ontvangen en tegen overlegging waarvan bezwaar is gemaakt, wordt geen acht geslagen, tenzij het hof anders beslist. Omvangrijke stukken die zonder noodzaak op of vlak voor de tiende kalenderdag voorafgaande aan de mondelinge behandeling worden overgelegd, kunnen als in strijd met de goede procesorde buiten beschouwing worden gelaten.”

2.7 Desgevraagd heeft de raad ter mondelinge behandeling meegedeeld dat hij voldoende heeft kennisgenomen van de brief met bijlagen van mr. Heutink, dat hij zich voldoende heeft kunnen voorbereiden op een verweer daartegen en dat hij instemt met overlegging van die bijlagen zonder nadere maatregel van het hof. Het hof slaat daarom ook acht op die bijlagen.

3. De vaststaande feiten

3.1 De vader en de moeder zijn op 30 juni 2008 te Tanger, Marokko, gehuwd. Beiden hebben de Marokkaanse nationaliteit.

3.2 Uit het huwelijk van partijen is geboren [het kind], op [geboortedatum] 2010.

3.3 Bij verzoekschrift, ingekomen bij de rechtbank Zutphen op 5 februari 2010, heeft de raad verzocht [het kind] onder toezicht te stellen van de stichting voor de duur van één jaar. Bij beschikking van 5 februari 2010 heeft de rechtbank Zutphen het verzoek om [het kind] aanstonds onder toezicht te stellen omdat een mondelinge behandeling niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor de minderjarige, afgewezen en de behandeling van het verzoek voor het overige aangehouden tot de zitting op 11 februari 2010.

3.4 Bij beschikking van 15 februari 2010 heeft de kinderrechter in de rechtbank Zutphen, op verzoek van de raad, [het kind] onder toezicht gesteld van de stichting voor de duur van een jaar.

3.5 Bij verzoekschrift, ingekomen bij de rechtbank Zutphen op 15 februari 2010, heeft de raad verzocht op grond van artikel 1:261 BW een machtiging te verlenen, zonder een daartoe strekkend besluit in de zin van artikel 6 lid 1 van de Wet op de jeugdzorg (verder te noemen”WJZ”), om [het kind] onmiddellijk gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor crisisopvang voor de duur van drie maanden en te bepalen dat de machtiging tot uithuisplaatsing van kracht blijft indien het besluit, bedoeld in artikel 6 lid 1 WJZ strekt tot uithuisplaatsing. Bij, uitvoerbaar bij voorraad verklaarde, beschikking van 15 februari 2010 heeft de kinderrechter van de rechtbank Zutphen de raad gemachtigd [het kind] uit huis te plaatsen in een voorziening voor crisisopvang voor de duur van vier weken met ingang van 15 februari 2010 tot 15 maart 2010 en de beslissing voor het overige aangehouden tot de zitting van 23 februari 2010.

3.6 De stichting heeft op 15 februari 2010 een indicatiebesluit genomen als bedoeld in artikel 6 lid 1 WJZ.

3.7 Bij de bestreden beschikking heeft de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing in een voorziening van crisisopvang, verleend tot 15 maart 2010, ingetrokken en het verzoek tot uithuisplaatsing in een voorziening van pleegzorg afgewezen.

4. De motivering van de beslissing

4.1 Het hof is van oordeel dat de Nederlandse rechter op grond van artikel 8 van de Verordening EG nr. 2201/2003 van 22 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid bevoegd is om over het verzoek tot uithuisplaatsing van [het kind] te oordelen, aangezien [het kind] zijn gewone verblijfplaats heeft in Nederland.

Op grond van artikel 2 van het Verdrag van 5 oktober 1961 betreffende de bevoegdheid der autoriteiten en de toepasselijke wet inzake de bescherming van minderjarigen (Trb. 1968, 101) dient daarbij Nederlands recht te worden toegepast.

4.2 Ingevolge artikel 1:261 lid 1 BW kan de kinderrechter de stichting op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.

4.3 Het hof is van oordeel dat er geen gronden zijn voor de uithuisplaatsing van [het kind]. Ter mondelinge behandeling hebben zowel de raad als de stichting aangegeven dat er op dit moment geen reden is om [het kind] uit huis te plaatsen, zijn veiligheid is gewaarborgd. De stichting heeft aangegeven dat de ouders hulp krijgen van de ambulant gezinsbegeleider en dat de vader een traject met de reclassering is aangegaan. De gezinsvoogd en de ambulant gezinsbegeleider zijn samen intensief aan de slag gegaan en hebben onderzocht hoe de familie de ouders kan ondersteunen en wat er nodig is voor de ouders om goed voor [het kind] te kunnen zorgen. De familie speelt nu een rol op allerlei gebieden en de moeder wordt ondersteund bij het leren van Nederlands. Het gaat goed in het gezin. Het contact met de ambulant gezinsbegeleider is afgebouwd tot twee keer per week. De vader heeft laten zien dat hij stabiel is en ook gemotiveerd om het contact met de reclassering voort te zetten. De hulpverlening moet naar de mening van de stichting zeker doorgezet worden, maar de veiligheid van [het kind] is op dit moment gewaarborgd.

4.4 Op grond van de stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling naar voren is gekomen, is het hof van oordeel dat de ouders op dit moment in staat zijn [het kind] een opvoedingsklimaat te bieden waarin de continuïteit van en veiligheid in zijn dagelijkse verzorging en opvoeding is gewaarborgd, zodat een uithuisplaatsing niet noodzakelijk is in het belang van de opvoeding en verzorging van [het kind].

4.5 Ter zitting heeft de raad het hof verzocht om de situatie ten tijde van de bestreden beschikking te toetsen ten behoeve van het door hem te handhaven beleid. Om die reden is het beroep gehandhaafd, ondanks dat ook de raad van mening is dat er op dit moment geen reden is voor uithuisplaatsing van [het kind]. Het hof is van oordeel dat de raad hierbij geen rechtens te respecteren belang heeft. Hoewel de keuze van de raad om een machtiging uithuisplaatsing te verzoeken, gelet op de destijds bestaande situatie, te begrijpen is, gaat het er bij de beoordeling in hoger beroep om in hoeverre in deze zaak de gronden voor een uithuisplaatsing thans aanwezig zijn.

4.6 Uit het voorgaande volgt dat het hof de beschikking dient te bekrachtigen.

5. De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Zutphen van 1 maart 2010 .

Deze beschikking is gegeven door mrs. A.E.F. Hillen, H. van Loo en R. Prakke-Nieuwenhuizen, bijgestaan door mr. C. Nijhuis als griffier, en is op 4 mei 2010 uitgesproken ter openbare terechtzitting in tegenwoordigheid van de griffier.