Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2010:BN0276

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
05-07-2010
Datum publicatie
05-07-2010
Zaaknummer
21-004998-09
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2011:BR2329, (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2011:BR2329
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schietpartij in Klarendal. Wel noodweersituatie, maar verwerping beroep op noodweer-exces.

Niet aannemelijk geworden dat de hevige gemoedsbeweging van de verdachte door de aanranding is veroorzaakt, nu deze in overwegende mate moet worden toegeschreven aan de zeer sterke en snelle escalatie van het conflict, de daarbij optredende opwinding en de aan verdachte toegebrachte polsverwonding, die alle door verdachtes eigen onevenredige reacties zijn veroorzaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Sector strafrecht

Parketnummer: 21-004998-09

Uitspraak d.d.: 5 juli 2010

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank te Arnhem van 28 december 2009 in de strafzaak tegen

VERDACHTE,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

thans verblijvende in [Penitentiaire Inrichting].

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 21 juni 2010 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd (zie voor de inhoud van de vordering bijlage I). Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman,

mr J.P.A. van Schaik, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep om proceseconomische redenen vernietigen en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd, zoals de tenlastelegging in eerste aanleg is gewijzigd, dat:

1. primair

hij op of omstreeks 09 november 2008 te [gemeente A],

ter uitvoering van het voornemen en het misdrijf om tezamen en in vereniging

met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade

[het slachtoffer] van het leven te beroven, tezamen met verdachtes mededader(s),

althans alleen, opzettelijk na kalm beraad en rustig overleg, althans na een

(kort) tevoren genomen besluit, met een vuurwapen die [het slachtoffer] in de nek

en/of de keel heeft geschoten en/of met dat vuurwapen meermalen, althans

eenmaal een aantal kogels/projectielen heeft afgevuurd op/naar en/of in de

richting van die [het slachtoffer] en/of (met een hard voorwerp) die [het slachtoffer] meermalen, althans eenmaal (met kracht) tegen het hoofd heeft geslagen

en/of met een hard voorwerp tegen diens hoofd heeft gegooid,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

1. subsidiair

hij op of omstreeks 09 november 2008 te [gemeente A],

tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, aan

een persoon genaamd [het slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (een

schotwond in de hals/nek/keel en/of een hoofdwond), heeft toegebracht, door

deze opzettelijk met een vuurwapen die [het slachtoffer] in de nek en/of keel te

schieten en/of (met een hard voorwerp) die [het slachtoffer] meermalen, althans

eenmaal (met kracht) tegen het hoofd te slaan en/of met een hard voorwerp

tegen diens hoofd te gooien.

2.

hij op of omstreeks 09 november 2008 te [gemeente A],

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een

of meer wapens van categorie III, te weten een pistool (Walther P99), en/of

munitie van categorie III, te weten een aantal patronen en/of een

patroonhouder, voorhanden heeft gehad.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Verzoek van de verdediging

De raadsman heeft ter terechtzitting van het hof als primair standpunt verzocht om deskundigen van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) onderzoek te laten doen naar de haalbaarheid van het door de advocaat-generaal bij requisitoir gepresenteerde scenario omtrent de gebeurtenissen in de woning van medeverdachte [B] op 9 november 2008. Volgens de raadsman heeft de advocaat-generaal een nieuw scenario gepresenteerd waarop de verdediging zich niet heeft kunnen voorbereiden.

De raadsman heeft het hof verzocht hiertoe het onderzoek ter terechtzitting te schorsen en de zaak te verwijzen naar de raadsheer-commissaris of de rechter-commissaris opdat de verdediging de gelegenheid krijgt haar onderzoekswensen te formuleren.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek nu het volgens de advocaat-generaal geen nieuw scenario betreft dat nader onderzoek behoeft. Volgens de advocaat-generaal zijn in het opsporingsonderzoek diverse scenario’s uitvoerig onderzocht, waaronder dit. Voorts heeft de advocaat-generaal met haar requisitoir niet beoogd het scenario te presenteren als het meest waarschijnlijke, maar slechts als een mogelijkheid. Zij heeft in het midden willen laten wat er daadwerkelijk is gebeurd, vooral nu het door verdachte geschetste scenario op een groot aantal onderdelen onverenigbaar is met het voorhanden zijnde technische bewijs.

Voor verscheidene in deze zaak door het hof te nemen beslissingen is het nodig dat het hof zich een oordeel vormt over de feitelijke gang der gebeurtenissen, zoals voor de beslissing of bewezen is dat de verdachte het hem ten laste gelegde heeft begaan of voor de beslissing of aangenomen moet worden dat hij daarbij gehandeld heeft ter noodzakelijke verdediging. Daarbij zijn niet alle bijzonderheden of omstandigheden van de feitelijke gebeurtenissen noodzakelijkerwijs van belang. Dat worden zij ook niet door het enkele gegeven dat zij vervat zijn in een door het openbaar ministerie (of door de verdediging) geschetst "scenario", waarin immers vele niet relevante omstandigheden kunnen zijn of worden opgenomen. Een onderzoek naar een dergelijk scenario als zodanig acht het hof dan ook niet noodzakelijk. Dat geldt in het bijzonder voor het onderhavige door de advocaat-generaal geschetste "scenario" dat door haar immers niet gepresenteerd is als de naar haar mening -met een meer of mindere waarschijnlijkheid werkelijke gang van zaken, maar slechts als een voorstelling van een met het voorhanden bewijs naar haar oordeel verenigbare mogelijke gang van de gebeurtenissen. Het hof wijst het verzoek af.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging verkregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1.

hij op of omstreeks 9 november 2008 te [gemeente A],

ter uitvoering van het voornemen en het misdrijf om tezamen en in vereniging

met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade

[het slachtoffer] van het leven te beroven, tezamen met verdachtes mededader(s),

althans alleen, opzettelijk na kalm beraad en rustig overleg, althans na een

(kort) tevoren genomen besluit, met een vuurwapen die [het slachtoffer] in de nek

en/of de keel heeft geschoten en/of met dat vuurwapen meermalen, althans

eenmaal een aantal kogels/projectielen heeft afgevuurd op/naar en/of in de

richting van die [het slachtoffer] en/of (met een hard voorwerp) die [het slachtoffer] meermalen, althans eenmaal (met kracht) tegen het hoofd heeft geslagen

en/of met een hard voorwerp tegen diens hoofd heeft gegooid,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

2.

hij op of omstreeks 9 november 2008 te [gemeente A],

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een

of meer wapens van categorie III, te weten een pistool (Walther P99), en/of

munitie van categorie III, te weten een aantal patronen en/of een

patroonhouder, voorhanden heeft gehad.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken. In het bijzonder is het hof van oordeel dat uit geen enkel bewijsmiddel is gebleken dat er tussen verdachte en de medeverdachte vooraf gemaakte afspraken hebben bestaan om het slachtoffer van het leven te beroven, dan wel dat er een nauwe samenwerking bestond in de feitelijke uitvoering van dit delict. Daarbij is van belang dat de medeverdachte op het moment dat de confrontatie tussen de verdachte en het slachtoffer in de huiskamer ontstond, zich aanstonds uit die ruimte heeft verwijderd en pas uit de slaapkamer tevoorschijn is gekomen toen het slachtoffer reeds was uitgeschakeld. Het hof houdt het er daarom voor dat verdachte alleen heeft gehandeld en is niet overtuigd dat hij dat tezamen en in vereniging met een mededader gedaan heeft.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezene levert op de misdrijven:

ten aanzien van het onder 1 primair bewezenverklaarde:

Poging tot doodslag.

ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde:

Medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III

en medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd.

Beroep op noodweer(exces)

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft overeenkomstig zijn pleitnota in hoger beroep betoogd dat verdachte behoort te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, nu hij ter zake van het onder 1 tenlastegelegde heeft gehandeld ter noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf en hij derhalve uit noodweer handelde. Daartoe heeft de raadsman, zakelijk weergegeven, de volgende omstandigheden aangevoerd.

Verdachte heeft het slachtoffer gemaand de woning van medeverdachte [B] te verlaten nadat hij geconfronteerd werd met ernstige bedreigingen van het slachtoffer jegens de medeverdachte. Het slachtoffer is verdachte hierop aangevallen en heeft verdachte met een asbak op het hoofd verwond. In het hierop volgende gevecht heeft verdachte het slachtoffer een klap op zijn hoofd gegeven. Omdat het slachtoffer niet liet zien dat hij zijn aanval wilde staken, heeft verdachte zijn vuurwapen gepakt om het slachtoffer te bewegen tot het staken van de aanval en tot het verlaten van de woning. Het slachtoffer heeft echter het wapen vastgepakt en heeft de trekker afgedrukt waardoor verdachte in zijn pols werd geschoten. Verdachte is hierdoor in een zodanig bedreigende situatie terecht gekomen, dat hij nog maar een uitweg zag, namelijk het beschieten van het slachtoffer om hem buiten gevecht te stellen. Volgens de raadsman heeft verdachte voldaan aan het vereiste van subsidiariteit, omdat vluchten voor hem geen optie was zolang de medeverdachte in de woning was. Ook aan het vereiste van proportionaliteit is voldaan omdat het gelet op de omstandigheden van het geval, voor verdachte niet mogelijk was om het slachtoffer op minder vitale delen van het lichaam te raken.

Voor het geval dat het hof van mening zou zijn dat verdachte de grenzen van proportionaliteit toch heeft overschreden, is namens verdachte een beroep op noodweer exces gedaan. Volgens de raadsman is er aan de zijde van verdachte een hevige gemoedsbeweging ontstaan door de aanval van het slachtoffer en diens betrokkenheid bij het schieten door verdachtes pols. Door deze gemoedsbeweging heeft verdachte op het slachtoffer geschoten waarbij hij vitale delen van het lichaam heeft geraakt. Volgens de raadsman dient het hof dan op deze grond verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging.

De raadsman heeft er nog op gewezen dat het vaste rechtspraak is dat het illegaal voorhanden hebben van een wapen niet in de weg hoeft te staan aan een gerechtvaardigd beroep op noodweer of noodweer-exces.

Het standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat voornoemde verweren dienen te worden verworpen. Het primaire standpunt van de advocaat-generaal is dat allerminst aannemelijk is geworden dat er sprake is geweest van een noodweersituatie die ontstaan is door een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van de zijde van het slachtoffer jegens verdachte of zijn medeverdachte.

Als subsidiair standpunt heeft de advocaat-generaal aangevoerd dat, indien er wel een noodweersituatie bestond, het door verdachte toegepaste buitenproportionele geweld niet het gevolg is geweest van een hevige gemoedsbeweging die is ontstaan door de aanval. Zij heeft hierbij onder meer gewezen op een passage uit het Pro Justitia rapport van psycholoog J.A.M. Gresnigt, opgemaakt op 30 januari 2009, waaruit blijkt dat verdachte tegen de psycholoog heeft verteld dat hij wist wat hij deed.

Als meer subsidiair standpunt heeft de advocaat-generaal betoogd dat indien het hof wel aannemelijk acht dat er bij verdachte sprake was van een hevige gemoedsbeweging, deze volgens diens eigen verklaring pas kan zijn ontstaan nadat hij in zijn pols geschoten is.

Deze gedraging is volgens de advocaat-generaal te kwalificeren als een handeling uit noodweer van de zijde van het slachtoffer. Verdachtes excessieve reactie hierop kan niet met een beroep op noodweer-exces worden gerechtvaardigd.

De beoordeling van het verweer

Bij de beoordeling van het verweer neemt het hof veronderstellender wijze aan dat het slachtoffer jegens de medeverdachte een dreigende houding aangenomen heeft en dat hij dreigementen uitte. Evenzo neemt het hof aan dat het slachtoffer, toen verdachte hem de woning uit wilde zetten, deze met een asbak tegen zijn hoofd heeft geslagen. Dit heeft dan (ten hoogste) geresulteerd in een snijwond van drie centimeter op verdachtes voorhoofd, die blijkens de medische verklaring door een arts met histo-acryllijm kon worden geplakt.

Vervolgens heeft verdachte het slachtoffer met zijn rechtervuist een zeer krachtige klap gegeven. Om de middelvinger van zijn rechterhand droeg verdachte een massieve ring van drie centimeter breed en twee centimeter hoog, met een gewicht van 74 gram. Verdachte heeft verklaard dat hij de klap heeft gegeven met alle kracht die hij op dat moment in zich had. Volgens verdachte had het slachtoffer door die klap neer moeten gaan. De forensisch geneeskundige W.M.J.M. Heutz heeft in zijn rapport van 2 april 2009 vermeld dat het slachtoffer hierdoor een verbrijzelingsfractuur in de schedel met een hersenkneuzing heeft opgelopen.

Het slachtoffer heeft ondanks deze klap de aanval nog niet gestaakt en heeft verdachte nog tweemaal met de asbak geslagen. Hiervan is bij verdachte niet meer letsel geconstateerd dan de eerdergenoemde snijwond van drie centimeter, als die al niet door de eerste klap met de asbak was veroorzaakt.

Verdachte heeft verklaard dat hij met zijn rechterhand het pistool dat hij bij zich droeg heeft getrokken en doorgeladen om het slachtoffer af te schrikken en hem tot bedaren te brengen. Dit had niet het gewenste effect want het slachtoffer heeft zijn hand op het pistool gebracht en de trekker overgehaald waardoor een schot door verdachtes linkerpols is gegaan. Verdachte heeft het slachtoffer met zijn linkerarm van zich afgeduwd en heeft tweemaal vanuit de heup in de richting van het lichaam van het slachtoffer geschoten. Daarna heeft nog een worsteling plaatsgehad, maar hiervan kan verdachte zich niets meer herinneren. Het resultaat van de confrontatie is dat het slachtoffer naast de eerdergenoemde verbrijzelingsfractuur in zijn schedel ook nog door zijn hals is geschoten, met letsel aan de halsslagader als gevolg. De halsslagader heeft de verzorgende slagader van het stroomgebied in de linkerhersenhelft afgesloten waardoor daar door bloedstolsels infarcten zijn ontstaan.

Uit het voorgaande volgt dat verdachte, doordat het slachtoffer de medeverdachte bedreigde en hem, verdachte, aanviel, in een noodweersituatie is geraakt. Daarbij dient echter wel bedacht te worden dat het slachtoffer ongewapend was en zich slechts improviserend heeft bewapend met een voorwerp dat kennelijk voor de hand lag, namelijk een asbak waarmee hij verdachte niet meer dan licht letsel heeft kunnen toebrengen.

Daarop echter heeft verdachte gereageerd met een klap die met zo grote kracht werd toegebracht dat een verbrijzelingsfractuur en een hersenkneuzing werd veroorzaakt.

In een iets later stadium heeft hij gereageerd door een met scherpe patronen geladen vuurwapen te trekken en door te laden en ten slotte door daarmee, terwijl hij niet in een positie was om gericht te schieten op minder vitale lichaamsdelen van het slachtoffer, vanuit de heup een aantal schoten in de richting van het slachtoffer af te geven. Deze reacties zijn volstrekt onevenredig en worden door de wederrechtelijke aanranding door het slachtoffer dan ook niet gerechtvaardigd, zodat het beroep op noodweer moet worden verworpen. Hieraan doet niet af dat verdachte zelf in zijn pols is geraakt nu hij dat aan zijn eigen schuld heeft te wijten aangezien hij degene is geweest die een doorgeladen vuurwapen in het veld heeft gebracht.

Het hof acht aannemelijk dat verdachte door deze gebeurtenissen aan een hevige gemoedsbeweging ten prooi is geraakt. Het hof acht echter niet aannemelijk dat die door de aanranding is veroorzaakt. Ze moet in overwegende mate worden toegeschreven aan de zeer sterke en snelle escalatie van het conflict, de daarbij optredende opwinding en de aan verdachte toegebrachte polsverwonding, alle door verdachtes eigen onevenredige reacties veroorzaakt. Het hof verwerpt daarom eveneens het beroep op noodweer-exces.

Strafbaarheid van de verdachte overigens

Overigens is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. Het hof heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen -en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van de hierna aan te geven duur leiden- de navolgende omstandigheden.

Het uiteindelijke resultaat van het door verdachte toegepaste geweld, waaronder het vuurwapengebruik, is dat het thans 48-jarige slachtoffer ernstig hersenletsel heeft opgelopen ten gevolge waarvan hij, naar het zich thans laat aanzien, voor de rest van leven ernstig invalide en hulpbehoevend zal zijn.

De forensisch geneeskundige W.M.J.M. Heutz heeft geconcludeerd dat het slachtoffer forse lichamelijke en geestelijke beperkingen heeft opgelopen door het hersentrauma, waarin weinig herstel te zien en weinig progressie verwacht wordt. Er is sprake van een gedeeltelijke verlamming van zijn rechter lichaamshelft en door een taalstoornis is het slachtoffer niet meer in staat een wederkerig gesprek te voeren. Het slachtoffer zal langdurig worden opgenomen in een verpleeghuis omdat hij bij activiteiten van het dagelijkse leven afhankelijk zal blijven van hulp van anderen. Dit moet voor hem maar zeker ook voor zijn nabije omgeving gevoelens van onmacht en groot leed hebben veroorzaakt en veroorzaken.

Deze zaak toont ook nog eens aan waartoe het voorhanden hebben van een vuurwapen kan leiden.

Het hof heeft bij de strafbepaling in aanmerking genomen de omtrent verdachte opgemaakte Pro Justitia rapportages, opgemaakt door J.A.M. Gresnigt (klinisch psycholoog) op 30 januari 2009 en J.R. Douglas Broers (psychiater) op 8 februari 2009, onder meer inhoudende als conclusie van voormelde deskundigen -zakelijk weergegeven- dat hoewel er bij betrokkene ten tijde van het ten laste gelegde sprake was van een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens in de zin van een persoonlijkheidsstoornis NAO (Niet Anders Omschreven) met narcistische en antisociale kenmerken, deze niet van invloed is geweest op het onder 1 en 2 ten laste gelegde. Verdachte wordt volledig toerekeningsvatbaar geacht voor beide ten laste gelegde feiten.

Het hof neemt voormelde conclusie over en maakt deze tot de zijne. Op grond van het bovenstaande is het hof van oordeel dat het bewezen verklaarde feit de verdachte volledig kan worden toegerekend.

Daarnaast heeft het hof bij de strafbepaling acht geslagen op het uittreksel uit de justitiële documentatie, verdachte betreffende, waaruit blijkt dat verdachte eerder onherroepelijk veroordeeld is wegens doodslag, eveneens gepleegd met een vuurwapen.

Dit alles in aanmerking nemend, acht het hof een gevangenisstraf voor de duur van negen jaren passend en geboden.

De vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt EUR 90.000,--, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 november 2008. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van EUR 50.000,--, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 november 2008. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 primair bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Het hof is van oordeel dat de hoogte van de immateriële schade niet eenvoudig is vast te stellen, doch dat deze op gronden van billijkheid kan worden begroot op in ieder geval een bedrag van € 50.000,--. Het hof heeft daarbij in aanmerking genomen dat de benadeelde partij niet meer normaal kan communiceren, deels verlamd is en voortaan in een verpleeghuis moet verblijven omdat hij gedurende de hele dag afhankelijk is van verzorging. Daarbij komt dat er geen voortgang van zijn herstel te verwachten valt. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Voor het overige is de vordering naar het oordeel van het hof niet van zo eenvoudige aard dat zij zich leent voor behandeling in het strafgeding. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in haar vordering niet worden ontvangen en kan zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 24c, 36f, 45, 47, 57 en 287 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Wijst af het verzoek tot het door deskundigen van het Nederlands Forensisch Instituut nader doen onderzoeken van de haalbaarheid van het door de advocaat-generaal bij requisitoir gepresenteerde scenario.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat verdachte het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart verdachte strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 (negen) jaren.

Bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

De vordering van de benadeelde partij:

Veroordeelt verdachte aan de benadeelde partij te betalen een bedrag van EUR 50.000,00 (vijftigduizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 november 2008

Verklaart de benadeelde partij in haar vordering voor het overige niet ontvankelijk en bepaalt dat zij in zoverre haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij een bedrag te betalen van EUR 50.000,00 (vijftigduizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 november 2008, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 285 (tweehonderdvijfentachtig) dagen hechtenis.

Bepaalt dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij inzoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Aldus gewezen door

mr M.L.H.E. Roessingh-Bakels, voorzitter,

mr H. Abbink en mr G. Mannoury, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr M.E.B. Rasing, griffier,

en op 5 juli 2010 ter openbare terechtzitting uitgesproken.