Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2010:BM9986

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
22-06-2010
Datum publicatie
01-07-2010
Zaaknummer
24-002175-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt ter zake het besturen van een auto terwijl hij onder invloed van alcohol verkeerde veroordeeld tot een geldboete van € 300,00.

Sprake van overschrijding van de redelijke termijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 24-002175-09

Parketnummer eerste aanleg: 07-605159-06

Arrest van 22 juni 2010 van het gerechtshof te Arnhem, nevenzittingsplaats Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zwolle-Lelystad van 29 augustus 2006 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1975] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

niet ter terechtzitting verschenen.

Het vonnis waartegen het beroep is gericht

De politierechter in de rechtbank Zwolle-Lelystad heeft de verdachte bij het vonnis wegens een misdrijf veroordeeld tot een straf en een bijkomende straf, zoals in dat vonnis is omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Het hof heeft verstek verleend tegen de niet verschenen verdachte.

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de politierechter zal bevestigen.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd, dat:

hij op of omstreeks 24 maart 2006 in de gemeente [gemeente] als bestuurder van een voertuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 245 microgram, in elk geval hoger dan 220 microgram, alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 24 maart 2006 in de gemeente [gemeente] als bestuurder van een voertuig, personenauto, dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 245 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

overtreding van artikel 8, tweede lid onder a, van de Wegenverkeerswet 1994.

Strafbaarheid

Het hof acht verdachte strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden niet aanwezig geacht.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de aard en ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon van verdachte. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft op 24 maart 2006 in de gemeente [gemeente] een auto bestuurd, terwijl hij onder invloed van alcoholhoudende drank verkeerde. Het alcoholgehalte van zijn adem bedroeg 245 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht. Door in die toestand aan het verkeer deel te nemen heeft verdachte niet alleen zichzelf, maar ook de veiligheid van andere weggebruikers in gevaar gebracht.

Uit een verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 18 maart 2010 is gebleken dat verdachte eerder is veroordeeld wegens rijden onder invloed van alcohol. Deze omstandigheid heeft verdachte er kennelijk niet van kunnen weerhouden opnieuw in de fout te gaan.

Gelet op het vorenstaande acht het hof de in eerste aanleg opgelegde straf, te weten een geldboete van € 300 alsmede een voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 3 maanden, in beginsel een passende bestraffing.

Het hof ziet zich ambtshalve nog gesteld voor de beantwoording van de vraag of er sprake is van overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, nu het bewezen verklaarde feit is gepleegd op 24 maart 2006, de politierechter vonnis heeft gewezen op 29 augustus 2006 en de verstekmededeling pas op 21 september 2009 aan verdachte in persoon is betekend.

Het hof zal er rekening mee houden dat er sprake is van overschrijding van de redelijke termijn, nu - in aanmerking genomen dat destijds geen GBA-adres of woon- of verblijfplaats van verdachte bekend was - de betekening van de verstekmededeling niet binnen één jaar na de uitspraak rechtsgeldig heeft plaatsgevonden door de in artikel 588, eerste lid, onder b sub 3 van het Wetboek van Strafvordering (hierna Sv) voorziene uitreiking aan de griffier en het openbaar ministerie voorts niet de nodige voortvarendheid heeft betracht bij de betekening van de verstekmededeling. Immers, niet gebleken is dat het openbaar ministerie vervolgens ten minste eenmaal per jaar heeft getracht de verstekmededeling alsnog te betekenen, hetzij aan de verdachte in persoon, hetzij overeenkomstig het bepaalde in artikel 588, tweede of derde lid Sv.

De geconstateerde schending is zodanig dat het hof aanleiding ziet om in plaats van de geldboete en de voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid die het hof voornemens was op te leggen, te volstaan met het opleggen van de geldboete.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 23, 24, 24c en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 8, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP bij verstek:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte ten laste gelegde bewezen en kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart dit feit en verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot een geldboete van driehonderd euro;

beveelt dat vervangende hechtenis voor de duur van zes dagen zal worden toegepast, indien noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. A.J. Rietveld, voorzitter, mr. S.H. Wachter en mr. J.A. Wiarda, in tegenwoordigheid van mr. L.W. van Campen als griffier. Mr. Wiarda is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.