Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2010:BM9134

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
01-06-2010
Datum publicatie
24-06-2010
Zaaknummer
09-00221
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verontreinigingsheffing.

Visfileerbedrijf is terecht aangeslagen voor de lozing van arseen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2010/1090
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector belastingrecht

nummer 09/00221

uitspraakdatum: 1 juni 2010

Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

X te Z (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 27 mei 2009, nummer 08/469 VORHEF, in het geding tussen belanghebbende

en

de heffingsambtenaar van Tricijn Belastingen te Harderwijk, te dezen optredende als heffingsambtenaar van het waterschap Zuiderzeeland (hierna: de Ambtenaar)

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. De Ambtenaar heeft uit naam van het waterschap Zuiderzeeland (hierna: het water-schap) aan de rechtsvoorganger van belanghebbende voor het jaar 2005 een aanslag verontreini-gingsheffing opgelegd ten bedrage van (867,4 vervuilingseenheden x € 58,78 =) € 50.985,77.

1.2. Tegen deze aanslag heeft belanghebbende bezwaar gemaakt. De Ambtenaar heeft het bezwaar gegrond verklaard en de aanslag verontreinigingsheffing verminderd tot een bedrag van (840,4 vervuilingseenheden x € 58,78 =) € 49.398,71.

1.3. Belanghebbende is tegen de uitspraak van de Ambtenaar in beroep gekomen bij de rechtbank Zutphen (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 27 mei 2009 ongegrond verklaard.

1.4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Ambtenaar heeft een verweerschrift in hoger beroep ingediend.

1.5. Tot de stukken van het geding behoren, naast de hiervoor vermelde stukken, het van de Rechtbank ontvangen dossier dat op deze zaak betrekking heeft, alsmede alle stukken die nadien, al dan niet met bijlagen, door partijen in hoger beroep zijn overgelegd.

1.6. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 april 2010 te Arnhem. Daarbij zijn verschenen en gehoord de gemachtigde van belanghebbende, A, alsmede namens de Ambtenaar B, fiscaal-juridisch beleidsmedewerker van Tricijn Belastingen te Harderwijk, bijgestaan door zijn kantoor¬genoot C.

1.7. De gemachtigde van belang¬hebbende heeft bij deze mondelinge behandeling een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij. Deze pleitnota wordt door het Hof tot de stukken van het geding gerekend.

1.8. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2. De vaststaande feiten

2.1. Belanghebbende is gebruiker van een tot visfileerbedrijf dienende bedrijfsruimte van waaruit afvalstoffen op een zuiveringstechnisch werk in beheer bij het waterschap worden gebracht.

2.2. Belanghebbende heeft in haar aangifte over het jaar 2005 een hoeveelheid van het waterleidingbedrijf ingenomen water van 14.162 m³ aangegeven en een aantal vervuilingseenheden van 791 voor zuurstofbindende stoffen.

2.3. Op 1 januari 2001 is artikel 22 van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (tekst 2005) (hierna: de Wet) in werking getreden. In artikel 22, derde lid, van de Wet wordt per klasse een afvalwatercoëfficiënt vastgesteld. Voor de indeling in de klasse wordt in het Besluit vervuilingswaarde ingenomen water (besluit van 30 november 2000, Stb. 2000, 534) (hierna: het Besluit) per bedrijfscategorie de vervuilingswaarde per m3 ingenomen water vastgesteld. De bedrijfsruimte van belanghebbende valt onder de bedrijfscategorie "Visverwerkende bedrijven: Overige en/of gecombineerde activiteiten". Teneinde vast te stellen of de in het Besluit opgenomen vervuilingswaarde juist is, heeft het waterschap in de jaren 2003, 2004, 2006 en 2007 metingen gedaan bij belanghebbende. Naast de vaststelling van de vervuilingswaarde voor zuurstofbindende stoffen heeft het waterschap bij de metingen geconstateerd, dat het afvalwater van belanghebbende arseen bevat. De resultaten van de metingen zijn aan belanghebbende medegedeeld.

2.4. Op 6 oktober 2005 heeft de Ambtenaar een steekmonster getrokken in het afvalwater van de bedrijfsruimte van belanghebbende. Daarin is arseen aangetroffen. Het aantal vervuilingseenheden dat de hoeveelheid arseen vertegenwoordigt die op jaarbasis wordt geloosd is, na vermindering met de franchise, berekend op 47,41 vervuilingseenheden.

2.5. In de loop van 2005 heeft belanghebbende een aanslag verontreinigingsheffing over het jaar 2003 ontvangen, waarin zij ook is aangeslagen voor het in haar afvalwater aanwezige arseen.

2.6. In de Verordening verontreinigingsheffing Waterschap Zuiderzeeland 2001 (hierna: de Verordening) is onder meer het volgende bepaald:

“Meting, bemonstering en analyse

Artikel 7

1. Het aantal vervuilingseenheden van zuurstofbindende en andere stoffen wordt berekend met behulp van door meting, bemonstering en analyse verkregen gegevens. De meting, bemonstering, analyse en berekening geschieden met in achtneming van de in bijlage I opgenomen voorschriften.

2. De in het eerste lid bedoelde meting, bemonstering en analyse geschieden ieder etmaal van het heffingsjaar, behoudens het bepaalde in artikel 8.

3. (…)

Beperkte meting, bemonstering en analyse

Artikel 8

Op aanvraag van de heffingsplichtige, die aannemelijk maakt dat voor de berekening van het aantal vervuilingseenheden kan worden volstaan met gegevens welke met behulp van meting, bemonstering en analyse in een beperkt aantal etmalen zijn verkregen, besluit de ambtenaar belast met de heffing dat meting en bemonstering geschieden in afwijking van het bepaalde in artikel 7, tweede lid. Het besluit op aanvraag wordt genomen bij een voor bezwaar vatbare beschikking. (…)

Franchise

Artikel 12

1. (…)

2. Voor de berekening van het aantal vervuilingseenheden in het heffingsjaar voor de groep van stoffen arseen, cadmium en kwik wordt een aftrek toegepast, met dien verstande dat het aantal vervuilingseenheden niet lager dan op nihil kan worden gesteld. De aftrek wordt bepaald door het totaal aantal vervuilingseenheden van de zuurstofbindende stoffen, als berekend op grond van de artikelen 7 tot en met 11, te vermenigvuldigen met 0,0027.

Drempel en meetverplichting

Artikel 13

1. Indien de vervuilingswaarde met betrekking tot de zuurstofbindende stoffen van een bedrijfsruimte minder bedraagt dan 1.000 vervuilingseenheden wordt, in afwijking van het bepaalde in artikel 7:

a. (…);

b. het aantal vervuilingseenheden van de groep van stoffen arseen, cadmium en kwik op nihil gesteld, tenzij de ambtenaar belast met de heffing aannemelijk maakt dat het aantal vervuilingseenheden met betrekking tot deze stoffen de in artikel 12, tweede lid, bedoelde aftrek te boven gaat.

2. (…)

Schatting

Artikel 17

De ambtenaar belast met de heffing kan het aantal vervuilingseenheden in een kalenderjaar geheel of gedeeltelijk door middel van schatting vaststellen, indien door de heffingsplichtige:

a. zonder de in artikel 8 genoemde toestemming niet is voldaan aan de in artikel 7, tweede lid, opgenomen verplichting;

b. (…)”

2.7. In de toelichting op artikel 13 van de Verordening staat vermeld, dat dit artikel als doel heeft duidelijk te maken welke bedrijven onderzoek dienen te verrichten naar de samenstelling van de lozing van bepaalde niet-zuurstofbindende stoffen.

2.8. Voor het jaar 2005 is belanghebbende een aanslag opgelegd naar een heffingsmaatstaf van 793,07 vervuilingseenheden voor zuurstofbindende stoffen en 74,3 vervuilings¬eenheden voor overige stoffen, te weten arseen. In de bezwaarfase heeft de Ambtenaar de vervuilingswaarde van arseen herberekend op 47,41 vervuilingseenheden.

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1. In geschil is of de Ambtenaar terecht de lozing van arseen in de aanslag heeft betrokken. Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend, de Ambtenaar beantwoordt deze bevestigend.

3.2. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat zij geen meetverplichting heeft voor de aanwezigheid van arseen in haar afvalwater. De vervuilingswaarde met betrekking tot de zuurstofbindende stoffen van haar bedrijfsruimte bedraagt minder dan 1000 vervuilingseenheden. Het aantal vervuilingseenheden van arseen wordt dan op grond van artikel 13, eerste lid, onderdeel b van de Verordering op nihil gesteld. Of de Ambtenaar aannemelijk kan maken dat het aantal vervuilingseenheden met betrekking tot deze stoffen de franchise te boven zal gaan, heeft belanghebbende, zo stelt zij, niet op voorhand kunnen beoordelen en daartoe was zij evenmin verplicht. Zij wist dus in 2005 niet dat zij meetplichtig zou zijn. Belanghebbende is daarom van mening dat de Ambtenaar de hoeveelheid geloosd arseen niet mag schatten. Daarnaast stelt belanghebbende dat een schatting niet mogelijk is, omdat de in artikel 7, tweede lid, van de Verordening (artikel 20, achtste lid, van de Wet) opgesomde omstandigheden geen van allen aan de orde zijn.

3.3. Uit de gang van zaken in de jaren 2003 en 2004 heeft belanghebbende het vertrouwen ontleend, dat de Ambtenaar voor 2005 middels onderzoek de vervuilingswaarde van arseen ambtshalve zou vaststellen. Door het niet informeren over de voor haar ontstane onderzoeksverplichting en de consequenties die het nalaten daarvan met zich meebrengen, heeft de Ambtenaar het zorgvuldigheidsbeginsel geschonden.

3.4. Tevens is het fair-playbeginsel geschonden, omdat de Ambtenaar eerst na het heffingsjaar, als belanghebbende dus niet meer in staat is om metingen uit te voeren, heeft gesteld dat de uitzondering van artikel 13, eerste lid, onderdeel b van de Verordening niet van toepassing is.

3.5. Tot slot stelt belanghebbende dat de Ambtenaar het legaliteitsbeginsel heeft geschonden, omdat pas na een beoordeling van de bewijslastverdeling, een belastingplicht ontstaat.

3.6. De Ambtenaar stelt dat de meetverplichting van rechtswege bij belanghebbende ligt en dat er geen rechtsregel bestaat die op de Ambtenaar verplicht belanghebbende over haar meetverplichting te informeren.

3.7. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en van de uitspraak op bezwaar en tot vermindering van de aanslag tot een aanslag berekend naar een bedrag van (793 vervuilingseenheden x € 58,78 =) € 46.612,54.

3.8. De Ambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Op grond van artikel 7, tweede lid, van de Verordening, welke bepaling zijn grondslag vindt in artikel 20, tweede lid, van de Wet, rust op belanghebbende de plicht tot meting, bemonstering en analyse.

4.2. Vervolgens maakt artikel 13, eerste lid, van de Verordening hierop een uitzondering indien, zoals in het onderhavige geval, de vervuilingswaarde met betrekking tot zuurstofbindende stoffen minder bedraagt dan 1000 vervuilingseenheden. In dat geval wordt het aantal vervuilingseenheden van onder meer arseen gesteld op nihil.

4.3. Deze uitzondering vindt op grond van artikel 13, eerste lid, onderdeel b, van de Verordening in het onderhavige geval evenwel geen toepassing nu - naar tussen partijen niet in geschil is - de Ambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat ook in 2005 het geloosde arseen de franchise overstijgt. Belanghebbende dient derhalve te voldoen aan artikel 7 van de Verordening.

4.4. Belanghebbende heeft geen meting, bemonstering of analyse heeft uitgevoerd. Zij heeft daarmee niet voldaan aan de in artikel 7, tweede lid, van de Verordening genoemde verplichting. In dat geval staat artikel 17 van de Verordening, welke zijn grondslag vindt in artikel 20, achtste lid, van de Wet, toe dat - anders dan belanghebbende betoogt - de kwaliteitsbeheerder het aantal vervuilingseenheden in een kalenderjaar geheel of gedeeltelijk door middel van schatting vaststelt. Tussen partijen is dan niet in geschil dat de Ambtenaar het aantal vervuilingseenheden terzake van de lozing van arseen in redelijkheid op 47,41 heeft geschat.

4.5. Belanghebbende betoogt dat op haar geen meetverplichting rust. Het aantal vervuilingseenheden bedraagt minder dan 1000, zodat op haar de in artikel 13, eerste lid, onderdeel b, van de Verordening vervatte uitzondering op de hoofdregel van artikel 7, tweede lid, van de Verordening van toepassing is. Dit betoog faalt. Uit de wetssystematiek en de bewoordingen van de uitzonderingsbepaling leidt het Hof af, dat de heffingsplichtige zelf een inschatting moet maken of hij in aanmerking komt voor de toepassing van de uitzonderingsbepaling. Wanneer hij op grond van deze inschatting de meting vervolgens achterwege laat en zijn inschatting blijkt onjuist te zijn, doordat de Ambtenaar aannemelijk kan maken dat het aantal vervuilingseenheden met betrekking tot het geloosde arseen de franchise te boven gaat, kan deze onjuiste inschatting de Ambtenaar niet tegengeworpen worden. Hierbij overweegt het Hof mede, dat de Ambtenaar bezwaarlijk vóór de aanvang van het heffingsjaar van alle heffingsplichtige gebruikers van bedrijfsruimten kan beoordelen of hij voor elk van hen aannemelijk kan maken dat in dat heffingsjaar het aantal vervuilingseenheden met betrekking tot bepaalde niet-zuurstofbindende stoffen de franchise te boven zal gaan.

4.6. De stelling van belanghebbende dat zij niet bekend was met haar plicht tot meten, faalt. Belanghebbende is, mede door de haar toegezonden aangifte- en aanslagbiljetten, bekend met haar belastingplicht voor de verontreinigingsheffing. De resultaten van de metingen van arseen zijn haar ook medegedeeld. In de loop van 2005 heeft belanghebbende daarnaast een aanslag verontreinigingsheffing over het jaar 2003 ontvangen, waarin zij ook is aangeslagen voor het in haar afvalwater aanwezige arseen. Nu zij bekend was met haar belastingplicht, was zij ook bekend, of diende ze er mee bekend te zijn, dat zij een meetverplichting had.

4.7. Belanghebbende stelt dat de Ambtenaar het zorgvuldigheidsbeginsel heeft geschonden, omdat hij haar in had moeten lichten over haar meetverplichting. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen en gelet op het feit dat geen rechtsregel de Ambtenaar tot het vooraf inlichten verplicht, heeft de Ambtenaar naar het oordeel van het Hof het zorgvuldigheidsbeginsel niet geschonden.

4.8. Belanghebbende beroept zich verder op schending van het vertrouwensbeginsel, omdat zij uit de gang van zaken in de jaren 2003 en 2004 het vertrouwen heeft ontleend, dat de Ambtenaar voor 2005 middels onderzoek de vervuilingswaarde van arseen ambtshalve zou vaststellen. De Ambtenaar stelt dat hij bij belanghebbende dit vertrouwen niet heeft gewekt. De door hem uitgevoerde metingen waren een uitvloeisel van de metingen voor de toetsing van de in het Besluit opgenomen vervuilingswaarden. Tegenover de gemotiveerde weerspreking van de Ambtenaar maakt belanghebbende niet aannemelijk, dat de Ambtenaar het vertrouwen heeft gewekt, dat hij ook in 2005 het arseengehalte in haar afvalwater zou meten. De enkele omstandigheid dat de Ambtenaar de metingen in de jaren 2003 en 2004 heeft gedaan, is daarvoor onvoldoende. Nu het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt, komt het Hof niet toe aan de beantwoording van de vraag of het niet meten door de Ambtenaar er toe zou moeten leiden, dat de heffing terzake van het geloosde arseen volledig achterwege zou moeten blijven.

4.9. Belanghebbende stelt voorts dat het fairplaybeginsel is geschonden, omdat de Ambtenaar eerst na het heffingsjaar, als belanghebbende dus niet meer in staat is om metingen uit te voeren, heeft gesteld dat de uitzondering van artikel 13, eerste lid, onderdeel b van de Verordering niet van toepassing is. Naar het oordeel van het Hof is van een schending van het fairplaybeginsel geen sprake, omdat belanghebbende bekend is of bekend had moeten zijn met haar meetverplichting.

4.10. Van een door belanghebbende gestelde schending van het legaliteitsbeginsel omdat pas na een beoordeling van de bewijslastverdeling een belastingplicht ontstaat, is evenmin sprake. De belastingplicht vloeit immers niet voort uit artikel 13, eerste lid, onderdeel b van de Verordening, waarvan belanghebbendes stelling uitgaat.

4.11. Van een schending van enige ander beginsel is het Hof niet gebleken, zodat de na bezwaar door de Ambtenaar vastgestelde aanslag in stand dient te blijven.

Slotsom

Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep van de belanghebbende ongegrond.

6. Kosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

7. Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.F.C. Spek, voorzitter, mr. J. van de Merwe en

mr. A.J.H. van Suilen, in tegenwoordigheid van mr. J.H. Luggenhorst als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 juni 2010.

De griffier, De voorzitter,

(J.H. Luggenhorst) (R.F.C. Spek)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

postbus 20303, 2500 EH Den Haag

(bezoekadres: Kazernestraat 52).

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.