Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2010:BM8243

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
08-06-2010
Datum publicatie
18-06-2010
Zaaknummer
200.013.934/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Art. 332 Rv appellabiliteit vonnis kantonrechter.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2010/332
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrest d.d. 8 juni 2010

Zaaknummer 200.013.934/01

HET GERECHTSHOF TE ARNHEM

Nevenzittingsplaats Leeuwarden

Arrest van de vierde kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna te noemen: [appellant],

advocaat: mr. C.A. Madern, kantoorhoudende te Amsterdam,

tegen

Clingendael International Publicit Planning B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna te noemen: Clingendael,

advocaat: mr. M. Teekens, kantoorhoudende te Leiden.

Het geding in eerste instantie

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de vonnissen uitgesproken op 12 maart 2008 en 11 juni 2008 door de rechtbank Zwolle-Lelystad, sector kanton, locatie Lelystad (hierna: de kantonrechter).

Het geding in hoger beroep

Bij exploot van 8 september 2008 is door [appellant] hoger beroep ingesteld van het vonnis d.d. 11 juni 2008 met dagvaarding van Clingendael tegen de zitting van 23 september 2008.

De conclusie van de memorie van grieven luidt:

"I. Dat het aan het Gerechtshof moge behagen te vernietigen het vonnis van de Rechtbank Zwolle-Lelystad, sector Kanton, Locatie Lelystad, d.d. 11 juni 2008, en opnieuw rechtdoende;

II. Geïntimeerde in haar vorderingen jegens appellant niet ontvankelijk te verklaren, althans die aan geïntimeerde te doen ontzeggen, althans haar vorderingen af te wijzen;

III. Met veroordeling van geïntimeerde in de kosten van beide instanties en voorts met uitvoerbaar verklaring van dit arrest bij voorraad."

Bij memorie van antwoord is door Clingendael verweer gevoerd met als conclusie:

"het Gerechtshof Arnhem onbevoegd te verklaren, dan wel opnieuw rechtdoende bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, het vonnis van de Rechtbank Zwolle-Lelystad, sector kanton, locatie Lelystad d.d. 11 juni 2008 te bekrachtigen en [appellant] niet ontvankelijk te verklaren in appel, althans deze aan hem te ontzeggen, zulks met veroordeling van [appellant] in de kosten van de procedures in eerste aanleg en appel."

Vervolgens heeft [appellant] een akte uitlating bevoegdheid genomen en Clingendael een akte.

Tenslotte hebben partijen de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.

De grieven

[appellant] heeft zes grieven opgeworpen.

De beoordeling

Het geding in eerste aanleg

1. Clingendael heeft [appellant] gedagvaard voor de kantonrechter te Lelystad en gevorderd [appellant] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 1.379,74 te vermeerderen met de wettelijke rente over een bedrag van € 1.190,-- vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening, kosten rechtens.

Clingendael heeft aan haar vordering de stelling ten grondslag gelegd dat zij met [appellant] op 6 oktober 2006 een overeenkomst had gesloten, welke inhield dat zij gedurende een vijftal jaren in opdracht en voor rekening van [appellant] een reclame-uiting zou verzorgen tegen een jaarlijks te indexeren vergoeding, een en ander als omschreven in genoemde overeenkomst.

2. [appellant] heeft betwist een overeenkomst met Clingendael te hebben gesloten. Hij heeft aangevoerd dat de handtekening onder die overeenkomst niet van hem afkomstig is.

3. De kantonrechter heeft Clingendael bij tussenvonnis van 12 maart 2008 in de gelegenheid gesteld te bewijzen dat zij de overeenkomst van 6 oktober 2006 met [appellant] heeft gesloten. Clingendael heeft daartoe een tweetal getuigen voorgebracht. [appellant] heeft zichzelf in de contra-enquête als getuige doen horen.

De kantonrechter heeft Clingendael geslaagd geacht in het haar opgedragen bewijs en heeft de vordering van Clingendael toegewezen met veroordeling van [appellant] in de kosten van het geding.

De (niet-)ontvankelijkheid van het hoger beroep

4. Clingendael heeft zich bij memorie van antwoord beroepen op de absolute onbevoegdheid van het hof op grond van artikel 332 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), omdat de vordering waarover de kantonrechter had te beslissen niet meer dan € 1.750,-- beloopt.

5. [appellant] heeft daar bij akte uitlating bevoegdheid tegen ingebracht dat het oordeel van de kantonrechter dat bewezen is dat tussen Clingendael en [appellant] op 6 oktober 2006 een overeenkomst tot stand is gekomen veel verder reikt dan alleen de vordering van Clingendael tot betaling van de huur van de reclame-uiting voor slechts één jaar. De overeenkomst heeft immers betrekking op een periode van 5 jaar en vertegenwoordigt aldus een financieel belang van

5 x € 1.190,-- = € 5.950,--. Dat bedrag ligt boven de appelgrens.

6. Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 5 januari 1996 (NJ 1996, 333) dat werd gewezen onder het oude recht, overwogen dat het stelsel van art. 38 aanhef en onder 2o RO meebracht dat het beloop van het door eiser gevorderde bedrag niet uitsluitend bepalend is voor de bevoegdheid van de kantonrechter - aangezien die mede wordt bepaald door het door de gedaagde gevoerde verweer - doch wèl voor de appellabiliteit van diens vonnis, nu deze immers enkel moet worden beoordeeld aan de hand van de vordering waarover door hem moest worden gevonnist.

In zijn arrest van 19 april 2002 (NJ 2002, 299) heeft de Hoge Raad opnieuw bevestigd dat de rechtstitel niet van belang is in het kader van de appelgrens.

7. Onder het huidige recht is de bevoegdheid van de sector kanton geregeld in art. 93 Rv en de appellabiliteit van een vonnis in art. 332 Rv.

De aanhef van art. 93 en het bepaalde sub a houdt in dat de kantonrechter zaken betreffende vorderingen met een beloop van ten hoogste € 5.000,-- behandelt, de tot aan de dag van dagvaarding verschenen rente daarbij inbegrepen, tenzij de rechtstitel dat bedrag te boven gaat en die rechtstitel wordt betwist (cursivering door het hof).

Volgens art. 332 lid 1 Rv kunnen partijen van een in eerste aanleg gewezen vonnis in hoger beroep komen tenzij de vordering waarover de rechter in eerste aanleg had te beslissen niet meer beloopt dan € 1.750,--.

[appellant] heeft benadrukt dat de rechtstitel dat bedrag wel te boven gaat en dat die rechtstitel wordt betwist.

[appellant] miskent daarmee evenwel dat art 332 lid 1 Rv - anders dan art. 93 aanhef en sub a Rv - niet de toevoeging inhoudt 'tenzij de rechtstitel dat bedrag te boven gaat en die rechtstitel wordt betwist'.

De wetgever was ten tijde van de herziening van het burgerlijk procesrecht in 2002 bekend met het arrest van de Hoge Raad uit 1996, dat was gewezen op basis van art. 38 RO, maar heeft daarin kennelijk geen aanleiding gezien om de formulering van art. 332 Rv op dit punt aan te laten sluiten bij die van art. 93 Rv.

Om die reden moet er naar het oordeel van het hof ook naar huidig recht van uit worden gegaan dat voor de beoordeling van de appellabilieit van een vonnis niet de rechtstitel, maar uitsluitend de vordering waarover de kantonrechter had te oordelen van belang is.

8. De kantonrechter had in de onderhavige zaak te oordelen over een vordering van € 1.379,94. Die vordering beloopt niet meer dan € 1.750,--.

[appellant] is mitsdien niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep. [appellant] zal als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de kosten van dit hoger beroep. Het hof begroot die kosten wat het salaris voor de advocaat betreft tot aan deze uitspraak op € 632,-- (1 punt, tarief I).

De beslissing

Het gerechtshof:

verklaart [appellant] niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep;

veroordeelt [appellant] in de kosten van de procedure in hoger beroep en begroot die tot aan deze uitspraak op € 254,-- aan verschotten en € 632,-- aan salaris voor de advocaat;

verklaart dit arrest ten aanzien van de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Aldus gewezen door mrs. Wind, voorzitter, Van Rijssen en Tjallema, raden, en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van dinsdag 8 juni 2010 in bijzijn van de griffier.