Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2010:BM8229

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
08-06-2010
Datum publicatie
18-06-2010
Zaaknummer
107.002.011/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Betekening aan filiaal/bijkantoor in de zin van art. 1:14 BW van buitenlandse vennootschap?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrest d.d. 8 juni 2010

Zaaknummer 107.002.011/01

HET GERECHTSHOF TE ARNHEM

Nevenzittingsplaats Leeuwarden

Arrest van de vierde kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

in eerste aanleg: eiser,

hierna te noemen: [appellant],

advocaat: mr. W.Y. Hofstra, kantoorhoudende te Hilversum,

tegen

Hansa Trésor GmbH,

gevestigd te [vestigingsplaats], Duitsland,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna te noemen: Hansa,

advocaat: voorheen mr. K. Meijer, kantoorhoudende te Alkmaar (onttrokken).

De inhoud van het tussenarrest d.d. 20 oktober 2009 wordt hier overgenomen.

Het verdere procesverloop

[appellant] heeft ter rolle van 7 december 2009 laten weten af te zien van de door het hof bevolen comparitie.

Vervolgens heeft [appellant] (niet opnieuw pleidooi aangevraagd doch) de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.

De verdere beoordeling

1. Het gaat in deze zaak in hoger beroep in de eerste plaats om de vraag of de inleidende dagvaarding d.d. 10 november 2000 op grond van het toepasselijke artikel 91 Rv (oud) nietig is, omdat [appellant] de dagvaarding in strijd met artikel 4 onder 3 Rv (oud) op een verkeerd adres heeft laten uitbrengen. Het hoger beroep van [appellant] is met name gericht tegen:

? het oordeel van de rechtbank dat [appellant] niet heeft aangetoond dat Hansa op het adres [adres] kantoor had in de zin van artikel 4 onder 3 Rv (oud) en dat de inleidende dagvaarding daarom nietig is (grieven I t/m III);

? het oordeel van de rechtbank dat niet aannemelijk is geworden dat [appellant] de op zijn kantooradres betekende dagvaarding aan Hansa heeft uitgereikt (grieven IV en V);

? het oordeel van de rechtbank dat Hansa door de onjuiste betekening in haar verdediging is geschaad, ondanks het feit dat zij alsnog (in verzet) in deze procedure is verschenen (grieven VI en VII).

Betekening

2. Het hof stelt voorop het in deze toepasselijke artikel 4 sub 3 Rv (oud), op grond waarvan de dagvaarding ten aanzien van een rechtspersoon niet alleen ter woonplaatse van één van de bestuurders, maar ook aan haar zetel of kantoor betekend kan worden. Overeenkomstig artikel 1:14 BW is onder kantoor begrepen het bijkantoor of filiaal van de betreffende rechtspersoon, doch slechts indien en voorzover het handelingen betreft welke vanuit dat bijkantoor of filiaal plegen te worden verricht.

3. [appellant] stelt zich op het standpunt dat op het adres [adres] een bijkantoor van Hansa gevestigd was. Het hof zal de argumenten die [appellant] hiertoe aanvoert aan de hand van de grieven I t/m III behandelen. Vertrekpunt hierbij is het volgende niet door [appellant] bestreden oordeel van de rechtbank, zoals geformuleerd in het tussenvonnis d.d. 26 juli 2006 (r.o. 2.7):

"Anders dan [appellant] lijkt te veronderstellen, volgt uit deze gegevens niet zonder meer dat Hansa een kantoor, in de hierboven omschreven betekenis, had aan het adres [adres]. [appellant] miskent dat blijkens artikel 9 lid 2 Handelsregisterbesluit 1996 van iedere onderneming met een hoofdvestiging buiten Nederland wordt ingeschreven welke nevenvestiging als hoofdvestiging wordt aangemerkt. Wanneer de onderneming in Nederland alleen door een gevolmachtigd handelsagent wordt vertegenwoordigd, wordt diens adres als het adres van de hoofdnederzetting aangemerkt.

De in het uittreksel uit het handelsregister betreffende Hansa vermelde gegevens laten de mogelijkheid open dat Hansa geen als "kantoor"aan te merken nevenvestiging of filiaal in Nederland had aan het adres [adres], maar slechts opereerde via een gevolmachtigde in de persoon van [appellant], wiens kantoor niet als het "kantoor" van Hansa kan worden aangemerkt. Bovendien kan, gelet op de stellingen van Hansa, niet worden uitgesloten dat de informatie in het handelsregister onjuist was. Wanneer [appellant] van die onjuistheid op de hoogte was, kan hij zich niet op de gegevens uit het handelsregister beroepen."

4. [appellant] betoogt in de eerste plaats dat uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel blijkt dat Hansa een nevenvestiging had ter plaatse van genoemd adres te Zeewolde, waar hij de inleidende dagvaarding heeft laten uitbrengen. De betreffende mutaties van het handelsregister (inschrijving d.d. 10 juli 1997 en uitschrijving d.d. 29 januari 2001) zijn volgens [appellant] gedaan op verzoek van een bestuurder van Hansa. [appellant] verwijst met name naar het wijzigingsformulier inhoudende een verzoek tot uitschrijving dat volgens hem - blijkens de hierop vermelde handtekening - door bestuurder [bestuurder] is ondertekend. Grief I komt op tegen het oordeel van de rechtbank dat niet kan worden vastgesteld dat de in deze wijzigingsformulieren vermelde gegevens van (een bestuurder van) Hansa afkomstig zijn.

5. Het hof overweegt dienaangaande als volgt. [appellant] heeft zijn stelling dat een bestuurder van Hansa het wijzigingsformulier d.d. 10 juli 1997 (inschrijving in het handelsregister) heeft ondertekend, niet, althans niet voldoende onderbouwd. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat dit formulier onvoldoende aanknopingspunten bevat om de conclusie te rechtvaardigen dat de daarin vermelde gegevens zijn verstrekt door (een bestuurder van) Hansa, omdat de naam van de aangever ontbreekt en het formulier ook niet door een aangever is ondertekend.

6. [appellant] betoogt voorts dat uit het wijzigingformulier d.d. 29 januari 2001, inhoudende een verzoek tot opheffing, volgt dat Hansa in de periode daarvoor een nevenvestiging in Nederland te Zeewolde heeft gehad. Volgens Hansa is opheffing van een nevenvestiging niet mogelijk, indien er geen nevenvestiging is geweest. [appellant] stelt dat het wijzigingsformulier d.d. 29 januari 2001 door bestuurder [bestuurder] van Hansa is ondertekend.

7. Nu Hansa gemotiveerd betwist dat de op het formulier geplaatste handtekening van [bestuurder] afkomstig is, rust de bewijslast hiervan op [appellant]. Omdat [appellant] echter niet een hierop toegespitst bewijsaanbod heeft gedaan, wat wel op zijn weg had gelegen, zal het hof hem niet tot dit bewijs toelaten. Aldus staat niet vast dat de beide wijzigingsformulieren door (een bestuurder van) Hansa zijn ondertekend en ingediend.

8. Derhalve mist de grief feitelijke grondslag en faalt deze.

9. Grief II is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat uit de door [appellant] overgelegde visitekaartjes, alsmede uit de door hem overgelegde "huur abonnement voorwaarden" niet afgeleid kan worden dat Hansa ten tijde van het uitbrengen van de dagvaarding een kantoor had aan het [adres]. [appellant] beaamt dat uit de visitekaartjes c.q. de voorwaarden afzonderlijk bezien niet afgeleid kan worden dat Hansa op het betreffende adres te Zeewolde gevestigd was, doch hij stelt dat deze producties in samenhang met de andere door [appellant] overgelegde producties moeten worden bezien en dat zij een begin van bewijs opleveren.

10. Het hof acht deze stelling van [appellant] zonder nadere toelichting die ontbreekt, onbegrijpelijk. Zo vermag het hof niet in te zien, hoe uit de visitekaartjes en de betreffende voorwaarden afgeleid kan worden dat Hansa kantoor hield aan het [adres] te Almere, althans daaraan een begin van bewijs kan worden ontleend.

11. Ook grief II treft geen doel.

12. Met grief III poneert [appellant] nadere stellingen c.q. produceert nadere stukken ter onderbouwing van zijn betoog dat het adres te Zeewolde als kantoor van Hansa te Nederland diende te worden beschouwd. [appellant] onderbouwt dit naar het hof begrijpt met name met de stelling dat de verhouding tussen hem en Hansa meer inhield dan alleen vertegenwoordiging.

13. Het hof kan [appellant] niet volgen. Het door hem gestelde is niet voldoende (concreet) onderbouwd om de conclusie te wettigen dat Hansa kantoor hield te Zeewolde. Dit kan ook niet worden afgeleid uit de door hem overgelegde correspondentie en declaraties terzake van bureau- en onkosten.

14. Ook grief III kan niet tot vernietiging van (enig deel van) het bestreden vonnis leiden.

Uitreiking dagvaarding door [appellant] aan Hansa

15. Het hof zal de grieven IV en V gezamenlijk behandelen. Het hof leidt uit de stellingen van [appellant] af dat hij zich op het standpunt stelt dat - ook indien de betekening van de inleidende dagvaarding aan het adres [adres] niet zou voldoen, omdat hier geen kantoor van Hansa gevestigd was - de dagvaarding toch rechtsgeldig is uitgebracht, omdat [appellant] de dagvaarding aan Hansa heeft uitgereikt.

16. De stellingen van [appellant] op dit punt komen er aldus op neer dat een dagvaarding rechtsgeldig kan worden uitgebracht, doordat de eisende partij deze in persoon aan de gedaagde partij uitreikt. [appellant] miskent hiermee dat een dagvaarding op straffe van nietigheid volgens het toepasselijke artikel 1 Rv (oud) bij wijze van exploot op de in artikel 2 e.v. Rv (oud) voorgeschreven wijze door de deurwaarder dient te worden uitgebracht.

17. Overigens is het in dit verband door [appellant] gestelde onvoldoende onderbouwd, nu hij niet concreet genoeg heeft aangegeven hoe één en ander in zijn werk is gegaan.

18. Ook de grieven IV en V zijn vergeefs voorgedragen.

Benadeling in verdediging van Hansa

19. Grief VI komt op tegen het oordeel van de rechtbank dat Hansa, doordat de dagvaarding niet op de juiste wijze aan haar is betekend, in haar belangen is geschaad.

20. [appellant] brengt in de eerste plaats naar voren dat het verstekvonnis niet bij de gelegenheid van de comparitie van partijen in een kantongerechtsprocedure tussen partijen ter kennis van Hansa is gekomen, doch dat hij dit vonnis bij de conclusie van antwoord van 17 augustus 2005 in die procedure ter kennis van Hansa heeft gebracht. Dit wordt door Hansa beaamd. Naar het oordeel van het hof doet het feit dat het verstekvonnis op 17 augustus 2005 niet ter gelegenheid van de comparitie van partijen, maar bij de conclusie van antwoord ter kennis van Hansa is gebracht, niet af aan het oordeel van de rechtbank dat het verstekvonnis eerst geruime tijd, nadat het was gewezen, ter kennis van Hansa is gekomen. Het hof gaat aan deze stelling van [appellant] daarom verder voorbij.

21. Nu [appellant] - gezien zijn toelichting op grief VI - het oordeel van de rechtbank dat Hansa in haar verdediging is geschaad, omdat haar voormalig directeur [bestuurder] op het moment dat Hansa kennis nam van het verstekvonnis, overigens niet, althans onvoldoende gemotiveerd heeft bestreden, neemt ook het hof aan dat Hansa hierdoor in haar verdediging is geschaad. Dit leidt het hof tot het oordeel dat de rechtbank de inleidende dagvaarding terecht nietig heeft verklaard.

22. Grief VII is gericht tegen de overweging van de rechtbank dat het tijdsverloop tussen het wijzen van het verstekvonnis en de kennisneming van dit vonnis door Hansa aan [appellant] is toe te rekenen.

23. Het hof stelt vast dat de toelichting op de grief tekortschiet nu [appellant] slechts een verklaring geeft waarom de "verdere executie" enige tijd heeft stil gelegen en hij voorts stelt dat hij Hansa op de hoogte heeft gesteld "van de vordering". Dat hij Hansa eerder in kennis heeft gesteld van het verstekvonnis heeft hij echter niet gesteld; hij heeft zich (dan ook) nimmer op niet-ontvankelijkheid van het verzet beroepen. Evenmin heeft hij een verklaring gegeven waarom hij niet eerder het verstekvonnis ter kennis van Hansa heeft gebracht.

24. Ook grief VII kan niet tot vernietiging van enig deel van de bestreden vonnissen leiden.

25. Uit het voorgaande volgt dat ook grief VIII die geen zelfstandige betekenis heeft, geen doel treft.

De slotsom.

26. Het vonnis waarvan beroep dient te worden bekrachtigd met veroordeling van [appellant] als de in het ongelijk te stellen partij in de kosten van het geding in hoger beroep (tarief III, 1 punt).

De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep en begroot die aan de zijde van Hansa tot aan deze uitspraak op € 660,-- aan verschotten en € 1.158,-- aan geliquideerd salaris voor de advocaat;

verklaart dit arrest wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen door mrs. Janse, voorzitter, Wind en Tjallema, raden, en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van dinsdag 8 juni 2010 in bijzijn van de griffier.