Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2010:BM8226

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
06-04-2010
Datum publicatie
18-06-2010
Zaaknummer
21-004051-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling ter zake van artikel 6 WVW.

Schuld in de zin van artikel 6 WVW dient beoordeelt te worden aan de hand van de zorgplichten die op een verdachte rusten en of de schending van deze plichten wordt bestreken door geschreven of ongeschreven (grond)normen in het verkeersrecht.

Verdachte is afgeslagen en heeft daarbij de naast hem gelegen fietser niet gezien waardoor een ongeval is veroorzaakt en de fietser zwaar lichamelijk letsel heeft bekomen.

De verdachte heeft de veiligheidsnormen niet in acht genomen en de veiligheid van andere weggebruikers niet gegarandeerd. De zorgplicht van de afslaande bestuurder houdt in dat hij zich ervan moet vergewissen dat er geen verkeer dicht naast hem bevindt, aangezien hij dit voor moet laten gaan. Daarbij komt dat op de weg waar verdachte reed, men zonder meer beducht moest zijn op gebruikers van het fietspad. Het achterwege laten van elke redelijkerwijze te vergen handeling levert aanmerkelijke schuld op.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Sector strafrecht

Parketnummer: 21-004051-09

Uitspraak d.d.: 6 april 2010

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Arnhem van 9 oktober 2009 in de strafzaak tegen

verdachte.

Het hoger beroep

De officier van justitie heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 23 maart 2010 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd (zie voor de inhoud van de vordering bijlage I). Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing en strafoplegging komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd, zoals deze tenlastelegging in hoger beroep is gewijzigd, dat:

hij op of omstreeks 08 april 2008, te Lunteren, gemeente Ede, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto) daarmede heeft gereden over de Barneveldseweg in de richting van Lunteren, zeer, althans aanmerkelijk onoplettend, onvoorzichtig en/of onachtzaam, terwijl het uitzicht ter plaatse op generlei wijze werd belemmerd, beperkt en/of gehinderd, een op het naast die weg gelegen fiets/bromfietspad rijdende bestuurster van een bromfiets heeft ingehaald, en/of ter hoogte van een aan die weg gelegen inrit naar rechts heeft gestuurd en/of naar rechts is afgeslagen, en/of (daarbij) niet, althans niet voldoende naar rechts heeft gekeken en/of is blijven kijken, en/of (daarbij) in strijd met artikel 18 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 de bestuurster van die bromfiets, die (op het fiets/bromfietspad) op dezelfde weg zich naast, dan wel rechts dicht achter hem bevond, niet voor heeft laten gaan, en/of (vervolgens) is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met die bromfiets en/of die bestuurster van die bromfiets, tengevolge waarvan die bestuurster van die bromfiets ten val is gekomen en/of in een naast die weg gelegen sloot is terecht gekomen en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan verdachtes schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel, althans zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, werd toegebracht;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

hij op of omstreeks 08 april 2008 te Lunteren, gemeente Ede, als bestuurder van een voertuig(personenauto), heeft gereden op de weg, de Barneveldseweg, in de richting van Lunteren, ter hoogte van een die weg naar rechts heeft gestuurd en/of naar rechts is afgeslagen, en/of (daarbij) niet, althans niet voldoende naar rechts heeft gekeken en/of is blijven kijken en/of (daarbij) in strijd met artikel 18 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 de bestuurster van een bromfiets, die op dezelfde weg zich naast, dan wel rechts dicht achter hem bevond, niet voorheeft laten gaan en/of (vervolgens) is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met die bromfiets en/of die bestuurster van die bromfiets, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overweging met betrekking tot het bewijs

De verdachte is primair ten laste gelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW).

In het algemeen geldt dat voor een bewezenverklaring van artikel 6 WVW dient te worden vastgesteld dat verdachte zich zodanig heeft gedragen dat het aan zijn schuld is te wijten dat een verkeersongeval heeft plaatsgevonden met als gevolg dat iemand is overleden, danwel zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. Het juridische begrip ‘schuld’ in het kader van artikel 6 WVW houdt in, dat voor strafbaarheid tenminste sprake moet zijn van een aanmerkelijke onvoorzichtigheid of onoplettendheid. Onvoorzichtig of onoplettend handelen op zichzelf is niet voldoende om tot een bewezenverklaring van ‘schuld’ te kunnen komen.

Bij de beoordeling van schuld in de zin van artikel 6 WVW komt het aan op het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Dat brengt mee dat niet in zijn algemeenheid gesteld kan worden dat één verkeersovertreding voldoende is voor de bewezenverklaring van schuld in de zin van bedoelde bepaling. Daarvoor zijn immers verschillende factoren van belang, zoals de aard en de concrete ernst van de verkeersovertreding en de omstandigheden waaronder die overtreding is begaan. Voor culpa is derhalve meer nodig dan het veronachtzamen van de voorzichtigheid en onoplettendheid die van een normaal oplettende bestuurder mag worden verwacht. Voorts kan niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is gehandeld met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin (vergelijk HR 1 juni 2004, NJ 2005, 252).

In de voorliggende zaak dient dus te worden beoordeeld of kan worden bewezen dat verdachte ‘aanmerkelijk onvoorzichtig of onoplettend’ heeft gehandeld. Het komt daarbij aan op het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval.

Beoordeling van de zaak

De rechtbank heeft verdachte vrijgesproken omdat onvoldoende feitelijk zou zijn tenlastegelegd waaruit het aanmerkelijk onoplettende, onvoorzichtige en/of onachtzame van de gedraging zou bestaan. De rechtbank sluit niet uit dat door die omissie de oorzaak van het rijgedrag gelegen is in een kort moment van onoplettendheid, hetgeen geen schuld oplevert in de zin van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994.

Zowel de officier van justitie in de appelmemorie als de advocaat-generaal ter terechtzitting in hoger beroep hebben de stelling betrokken dat het gewraakte verkeersgedrag voldoende schuld oplevert in de zin van evenbedoelde bepaling.

De rechtbank heeft op onjuiste gronden tot een vrijspraak besloten.

De stelling dat één moment van onoplettendheid onvoldoende is om de schuld van artikel 6 WVW te schragen, vindt geen steun in het recht. Een en ander hangt immers af van de omstandigheden waaronder de onoplettendheid heeft plaatsgevonden en de aard en de ernst van de onoplettendheid.

Voorts heeft de officier van justitie de vereiste schuldgraden voldoende feitelijk tenlastegelegd. Deze vaststelling laat onverlet dat het hof de gevorderde wijziging tenlastelegging, waarin de verdachte nader wordt verweten dat hij zich niet heeft vergewist van de afwezigheid van voorrangsgerechtigd verkeer door naar rechts te (blijven) kijken, heeft toegewezen.

Verdachte reed op 8 april 2008 over de Barneveldseweg te Lunteren, alwaar hij een op het naast die weg gelegen fietspad rijdende bromfietster inhaalde en naar rechts een inrit inreed, waarbij hij voornoemde bromfietster geen voorrang verleende ten gevolge waarvan zij zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen.

In deze zaak heeft de verdachte zowel ter terechtzitting van de rechtbank als van het hof op 23 maart 2010 verklaard dat hij tijdens en na het inhalen niet heeft opgelet en de bromfietster niet heeft gezien. Verder heeft hij verklaard dat hij bij het afslaan naar de rechts gelegen inrit noch over zijn rechterschouder noch in zijn spiegel heeft gekeken teneinde zich te vergewissen van de afwezigheid van verkeer dat hij voorrang zou moeten verlenen. De zichtbaarheid van het slachtoffer en de weg waren optimaal nu het om een rechte en een overzichtelijke weg ging, er sprake was van droog en helder weer en ten slotte van onbelemmerd zicht op de kruising en het fietspad ter plaatse.

Tegen deze achtergrond gaat het niet langer om de vraag of en in welke mate de verdachte de in artikel 54 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens neergelegde voorrangsverplichting heeft geschonden en over de vraag of de enkele overtreding of het enkele niet zien van een voorrangsgerechtigde weggebruiker dragend is voor de vereiste mate van schuld in artikel 6 WVW.

De rechtens juiste maatstaf is welke zorgplichten op een verdachte rusten en of de schending van deze plichten wordt bestreken door geschreven of ongeschreven (grond)normen in het verkeersrecht.

De toedracht van het ongeval is te wijten aan meerdere momenten van onoplettendheid van de verdachte en aan een ernstige voorrangsovertreding. De verdachte had de veiligheidsnormen in acht moeten nemen en de veiligheid van andere weggebruikers moeten garanderen. De veiligheidsregeling in het verkeer steunt tenslotte op het vertrouwensprincipe dat andere weggebruikers hun verkeersgedrag mogen en in veel gevallen zelfs moeten afstemmen op het vertrouwen dat de overige verkeersdeelnemers zich houden aan de voor hen geldende veiligheidsregels. In casu bezat het slachtoffer het legitieme vertrouwen dat zij ongehinderd haar weg mocht vervolgen en voorrang zou krijgen van de verdachte.

De zorgplicht van de afslaande bestuurder houdt in casu in dat hij zich ervan moet vergewissen dat er geen verkeer dicht naast hem bevindt, aangezien hij dit voor moet laten gaan. Daarbij komt dat op een weg als de Barneveldseweg te Lunteren men zonder meer beducht moet zijn op gebruikers van het fietspad. Het achterwege laten van elke redelijkerwijze te vergen handeling levert aanmerkelijke schuld op. Het gaat in deze zaak daarom niet om een moment van onoplettendheid zoals de rechtbank in het vonnis heeft gesteld. De rechtbank heeft in haar vonnis een verkeerde rechtsopvatting gebezigd.

Gelet op het voorgaande komt het hof tot het oordeel dat verdachte aanmerkelijk onoplettend en onvoorzichtig heeft gehandeld hetgeen schuld oplevert in de zin van artikel 6 WVW. Er zijn voorts geen omstandigheden aannemelijk geworden die het gedrag van verdachte rechtvaardigen of zijn schuld wegnemen.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging gekregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op of omstreeks 08 april 2008, te Lunteren, gemeente Ede, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto) daarmede heeft gereden over de Barneveldseweg in de richting van Lunteren, zeer, althans aanmerkelijk onoplettend en onvoorzichtig en/of onachtzaam, terwijl het uitzicht ter plaatse op generlei wijze werd belemmerd, beperkt en/of gehinderd, een op het naast die weg gelegen fiets/bromfietspad rijdende bestuurster van

een bromfiets heeft ingehaald, en/of ter hoogte van een aan die weg gelegen inrit naar rechts heeft gestuurd en/of naar rechts is afgeslagen, en/of (daarbij) niet, althans niet voldoende naar rechts heeft gekeken en/of is blijven kijken, en/of (daarbij) in strijd met artikel 18 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 de bestuurster van die bromfiets, die (op het fiets/bromfietspad) op dezelfde weg zich naast, dan wel rechts dicht achter hem bevond, niet voor heeft laten gaan, en/of (vervolgens) is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met die bromfiets en/of die bestuurster van die bromfiets, tengevolge waarvan die bestuurster van die bromfiets ten val is gekomen en/of in een naast die weg gelegen sloot is terecht gekomen en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan verdachtes schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel, althans zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, werd toegebracht.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezene levert op het misdrijf:

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte en zijn draagkracht, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft aanmerkelijk onoplettend en onvoorzichtig gereden waardoor een ongeval is veroorzaakt en het slachtoffer [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel heeft bekomen. Het slachtoffer heeft haar linkerscheenbeen en kuitbeen gebroken, zij heeft een lange herstelperiode nodig gehad en zij heeft moeten veranderen van baan ten gevolge van het letsel.

In het voordeel van verdachte neemt het hof in aanmerking dat verdachte niet eerder met justitie in aanraking is gekomen. Voorts neemt het hof in aanmerking dat verdachte een langdurige betrokkenheid bij het slachtoffer [slachtoffer] heeft gehad, zodanig dat [slachtoffer] ter terechtzitting in eerste aanleg heeft verklaard dat verdachte wat haar betreft niet gestraft hoeft te worden. Voorts houdt het hof rekening met de leeftijd van verdachte en het feit dat hij zijn rijbewijs nodig heeft voor vrijwilligerswerk.

Het hof zal een hogere straf opleggen dan de rechtbank aangezien verdachte in hoger beroep voor een zwaarder feit is veroordeeld. Met de advocaat-generaal is het hof echter van oordeel dat verdachte de zwaardere straf niet hoeft te voelen indien hij niet opnieuw een strafbaar feit begaat. Het hof zal een forse geldboete opleggen, waarvan een groot deel voorwaardelijk. Voorts zal het hof de ontzegging van de rijbevoegdheid voor na te melden duur voorwaardelijk opleggen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24 en 24c van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart verdachte strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een geldboete van EUR 900,00 (negenhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 18 (achttien) dagen hechtenis.

Bepaalt dat een gedeelte van de geldboete, groot EUR 600,00 (zeshonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 12 (twaalf) dagen hechtenis, niet zal worden ten uitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat verdachte zich vóór het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Ontzegt verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 3 (drie) maanden.

Bepaalt dat de bijkomende straf van ontzegging niet zal worden ten uitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat verdachte zich vóór het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Aldus gewezen door

mr M. Otte, voorzitter,

mr A.W.M. Elders en mr G.C. Gillissen, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr S.M.A. Lestrade, griffier,

en op 6 april 2010 ter openbare terechtzitting uitgesproken.