Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2010:BM8194

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
17-06-2010
Datum publicatie
28-06-2010
Zaaknummer
24-002759-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft als notaris meegewerkt aan de totstandkoming van een aantal ruilverkavelingsovereenkomsten waarbij gebruik werd gemaakt van een schijnconstructie, te weten "heen en weer levering" van een of meer betrokken kavels. Hierdoor ontstond financieel voordeel, doordat – ten onrechte – door de overheid notariskosten werden vergoed, en vrijstelling werd verleend van overdrachtsbelasting.

Aldus heeft verdachte het vertrouwen dat men moet kunnen hebben in het notariaat in ernstige mate geschaad.

Volgt, wegens meermalen medeplegen van valsheid in geschrift en meermalen medeplegen van belastingfraude, oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf en een werkstraf (in plaats van de gevorderde geldboete)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 24-002759-07

Parketnummer eerste aanleg: 07-795006-06

Arrest van 17 juni 2010 van het gerechtshof te Arnhem, nevenzittingsplaats Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 25 oktober 2007 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1944] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

ter terechtzitting van 28 april 2010 verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsman mr. V. Wolting, advocaat te Zwolle. Ter terechtzitting van 3 juni 2010 zijn verdachte en zijn raadsman niet verschenen.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank Zwolle-Lelystad heeft de verdachte bij het vonnis wegens misdrijven veroordeeld tot straffen, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte wegens de feiten 1 tot en met 10 zal veroordelen tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier maanden, met een proeftijd van twee jaren, alsmede tot een geldboete van vijftienduizend euro, subsidiair honderdenvijf dagen hechtenis.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd, dat:

1.

hij in de gemeente [gemeente 1], althans in Nederland, in of omstreeks mei 1999, tezamen en in vereniging met een of meer anderen en/of met een of meer rechtspersonen, althans alleen, een toelichting behorende bij een overeenkomst van vrijwillige kavelruil van mei 1999, genaamd kavelruil "[naam]" met het opschrift: "Overzicht verbetering/nut van deze kavelruil", zijnde een geschrift bestemd om te dienen tot bewijs van het daaringestelde, althans van enig feit, valselijk heeft opgemaakt met het oogmerk om die toelichting als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, hebbende dat valselijk opmaken (telkens) hierin bestaan, dat in die toelichting:

a) bij punt 2 werd vermeld (zakelijk weergegeven) dat partij 4 ([naam]) meer gronden nodig had dan de gronden behorende bij het door partij 4 ([naam]) van partij 3 ([naam]) aangekochte bedrijf teneinde een goede bedrijfsvoering te kunnen uitoefenen, mede in verband met het melkquotum dat hij ([naam]) van zijn oude bedrijf diende mee te nemen, welke gronden hij ([naam]) kon verkrijgen van partij 10 ([naam]) en partij 16 ([naam]), terwijl in werkelijkheid partij 4 ([naam]) - naar diens toenmalig oordeel - niet meer gronden nodig had voor zijn bedrijfsvoering en/of voor dat melkquotum;

en/of

b) niet werd vermeld dat de verkrijging(en) door partij 4 ([naam]) van de percelen/het perceel, [perceelnaam], [nummer], van partij 16 ([naam]) en/of [perceelnaam], [nummer], van partij 10 ([naam]) slechts van tijdelijke aard zou(den) zijn of tijdelijk alleen op naam van partij 4 ([naam]) zou(den) komen te staan en/of dat die percelen/dat perceel in gebruik zou(den) blijven bij (respectievelijk) partij 16 ([naam]) en/of partij 10 ([naam]) of partij 11 ([naam]), althans dat die percelen/dat perceel (telkens) niet in gebruik zou(den) worden genomen door partij 4 ([naam]) of dat met de kavelruil geen wijziging in het gebruik van die percelen/dat perceel werd beoogd;

2.

hij in de gemeente [gemeente 2], althans in Nederland, op of omstreeks 17 juni 1999, tezamen en in vereniging met een of meer anderen en/of met een of meer rechtspersonen, althans alleen, als notaris opzettelijk een bij de belastingwet, als bedoeld in artikel 2 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, voorziene aangifte, als bedoeld in artikel 17 van de Wet op belastingen van rechtsverkeer, terzake van een of meer verkrijgingen, in de zin van artikel 2 van laatstgenoemde wet, van (een) in Nederland gelegen onroerende zaak/zaken of van rechten waaraan deze waren/was onderworpen, waarvan een notariële akte was opgemaakt, te weten de akte van ruilverkaveling bij overeenkomst (99a6047) betreffende kavels tezamen vormend het blok "[naam] ", verleden door hem, verdachte, op 7 juni 1999, zijnde een tijdstip van verkrijging als bedoeld in artikel 8 van de Wet op belastingen van rechtsverkeer, waarbij (onder meer) partij [naam] en [naam] en/of partij [naam] en [naam] en/of partij [naam] en/of partij [naam] en [naam] (mede) verkrijger(s) waren/was in de zin van de Wet op belastingen van rechtsverkeer, onjuist of onvolledig heeft gedaan of heeft doen doen door het aanbieden van die akte ter registratie, overeenkomstig artikel 21a Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994, bij de inspectie Registratie en Successie van de Belastingdienst te Zwolle, terwijl dat feit ertoe strekte dat te weinig belasting wordt geheven, hebbende die onjuistheid of onvolledigheid hierin bestaan, dat in die akte op bladzijde 26 ten onrechte een beroep op vrijstelling van overdrachtsbelasting als bedoeld in artikel 15 lid 1 onder 1 van de Wet op belastingen van rechtsverkeer was opgenomen voor bovenomschreven verkrijging(en) door die genoemde partijen/partij

en/of

dat in een aan de voet van die akte gestelde, door hem, verdachte, als notaris, ondertekende voetverklaring ten onrechte - onder verwijzing naar de inhoud van die akte - werd vermeld dat geen, nihil of nul gulden overdrachtsbelasting verschuldigd was;

3.

hij in de gemeente [gemeente 1], althans in Nederland, in of omstreeks juni 1999, tezamen en in vereniging met een of meer anderen en/of met een of meer rechtspersonen, althans alleen,

a) een toelichting behorende bij een overeenkomst van vrijwillige kavelruil van juni 1999, genaamd kavelruil "[naam]" met het opschrift: "Bemerkingen bij de kavelruil "[naam]"";

en/of

b) een ruilschema behorende bij die kavelruil;

en/of

c) een staat van toegedeelde kavels behorende bij die kavelruil,

(elk) zijnde een geschrift bestemd om te dienen tot bewijs van het daaringestelde, althans van enig feit, valselijk heeft opgemaakt met het oogmerk om die toelichting en/of dat ruilschema en/of die staat van toegedeelde kavels als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, hebbende dat valselijk opmaken (telkens) hierin bestaan, dat:

a) in die toelichting werd vermeld dat (onder meer) partij 7 ([naam] en [naam]) land afstond aan partij 2 ([naam]);

en/of

b) in dat ruilschema stond ingetekend (onder meer) dat partij 7 ([naam] en [naam]) land afstond aan partij 2 ([naam]);

en/of

c) in die staat van toegedeelde kavels op blad 1 niet werd vermeld dat partij 1 ([naam]) perceel [perceelnaam] [nummer] in die kavelruil inbracht en/of op blad 7 werd vermeld dat partij 7 ([naam] en [naam]) perceel [perceelnaam] [nummer] in die kavelruil inbracht,

terwijl in werkelijkheid partij 7 ([naam] en [naam]) geen land afstond of in die kavelruil inbracht en/of terwijl in werkelijkheid partij 1 ([naam]) genoemd perceel [perceelnaam] [nummer] in die kavelruil inbracht;

4.

hij in de gemeente [gemeente 1], althans in Nederland, in of omstreeks de periode december 1999 tot en met januari 2000, tezamen en in vereniging met een of meer anderen en/of met een of meer rechtspersonen, althans alleen, een toelichting behorende bij een overeenkomst van vrijwillige kavelruil van 20 januari 2000, "[naam]" met het opschrift: "Bemerkingen bij de kavelruil [naam]", zijnde een geschrift bestemd om te dienen tot bewijs van het daaringestelde, althans van enig feit, valselijk heeft opgemaakt met het oogmerk om die toelichting als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, hebbende dat valselijk opmaken (telkens) hierin bestaan, dat in die toelichting:

a) werd vermeld (zakelijk weergegeven) dat partij 9 ([naam]) de percelen die deze kon verkrijgen van partij 8 ([naam]) en partij 3 ([naam]) dichter bij zijn bedrijfsgebouwen kreeg en/of dat er voor alle partijen een dusdanige kavelverbetering ontstond, waardoor bedrijfseconomisch en bedrijfstechnisch "beter geboerd" kon worden, terwijl in werkelijkheid partij 9 ([naam]) toen een zogenaamde hobbyboer was, althans niet bedrijfsmatig boerde en/of toen geen bedrijfsgebouw(en) exploiteerde of gebruikte;

en/of

b) niet werd vermeld dat de verkrijging door partij 9 ([naam]) van het perceel, [perceelnaam], [nummer], (gedeeltelijk) van partij 3 ([naam]) slechts van tijdelijke aard zou zijn of tijdelijk alleen op naam van partij 9 ([naam]) zou komen te staan en/of dat dat perceel in gebruik zou blijven bij partij 2 ([naam]), althans niet in gebruik zou worden genomen door partij 9 ([naam]) of dat met de kavelruil geen wijziging in het gebruik van dat perceel werd beoogd;

5.

hij in de gemeente [gemeente 2], althans in Nederland, op of omstreeks 21 februari 2000, tezamen en in vereniging met een of meer anderen en/of met een of meer rechtspersonen, althans alleen, als notaris opzettelijk een bij de belastingwet, als bedoeld in artikel 2 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, voorziene aangifte, als bedoeld in artikel 17 van de Wet op belastingen van rechtsverkeer, terzake van een of meer verkrijgingen, in de zin van artikel 2 van laatstgenoemde wet, van (een) in Nederland gelegen onroerende zaak/zaken of van rechten waaraan deze waren/was onderworpen, waarvan een notariële akte was opgemaakt, te weten de akte van ruilverkaveling bij overeenkomst (199a7261) betreffende kavels tezamen vormend het blok "[naam]", verleden door hem, verdachte, op 10 februari 2000, zijnde een tijdstip van verkrijging als bedoeld in artikel 8 van de Wet op belastingen van rechtsverkeer, waarbij (onder meer) partij [naam] en [naam] en/of partij [naam] en/of partij [naam] (mede) verkrijger(s) waren/was in de zin van de Wet op belastingen van rechtsverkeer, onjuist of onvolledig heeft gedaan of heeft doen doen door het aanbieden van die akte ter registratie, overeenkomstig artikel 21a Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994, bij de inspectie Registratie en Successie van de Belastingdienst te Zwolle, terwijl dat feit ertoe strekte dat te weinig belasting wordt geheven, hebbende die onjuistheid of onvolledigheid hierin bestaan, dat in die akte op bladzijde 13 ten onrechte een beroep op vrijstelling van overdrachtsbelasting als bedoeld in artikel 15 lid 1 onder 1 van de Wet op belastingen van rechtsverkeer was opgenomen voor bovenomschreven verkrijging(en) door die genoemde partijen/partij

en/of

dat in een aan de voet van die akte gestelde, door hem, verdachte, als notaris, ondertekende voetverklaring ten onrechte - onder verwijzing naar de inhoud van die akte - werd vermeld dat geen, nihil of nul gulden overdrachtsbelasting verschuldigd was;

6.

hij in de gemeente [gemeente 1], althans in Nederland, in de periode mei 2000 tot en met juni 2000, tezamen en in vereniging met een of meer anderen en/of met een of meer rechtspersonen, althans alleen, een toelichting behorende bij een overeenkomst van vrijwillige kavelruil van mei 1999, genaamd kavelruil "[naam]" met het opschrift: "Bemerkingen bij de vrijwillige kavelruil "[naam]"", zijnde een geschrift bestemd om te dienen tot bewijs van het daaringestelde, althans van enig feit, valselijk heeft opgemaakt met het oogmerk om die toelichting als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, hebbende dat valselijk opmaken (telkens) hierin bestaan, dat in die toelichting:

a) werd vermeld (zakelijk weergegeven) dat partij 3 ([naam]) - gezien de schaalvergroting in de landbouw - ook van partij 2 ([naam]) een groot perceel grasland kon verkrijgen, terwijl in werkelijkheid partij 3 ([naam]) - naar diens toenmalig oordeel - geen belang had bij dat perceel grond van partij 2 ([naam]);

en/of

b) werd vermeld (zakelijk weergegeven) dat voor partij 6 ([naam] en [naam]) de mogelijkheid bestond, doordat partij 3 ([naam]) zijn bedrijf verplaatste, om gebouwen met daaraan liggend grasland te verkrijgen voor zijn veehouderijbedrijf (vetweiden etc.), aangezien partij 6 ([naam] en [naam]) op de (toenmalige) huidige locatie op geen enkele wijze kon uitbreiden, terwijl in werkelijkheid partij 6 ([naam] en [naam]) op het (toenmalige) huidige woonadres geen veehouderijbedrijf uitoefende en/of genoemde partij 6 toen op het beoogde, toekomstige woonadres, te weten [adres] te [woonplaats], niet voornemens was een veehouderijbedrijf uit te oefenen;

en/of

c) niet werd vermeld dat de verkrijging door partij 3 ([naam]) van het perceel, [perceelnaam], [nummer], van partij 2 ([naam]) slechts van tijdelijke aard zou zijn of tijdelijk alleen op naam van partij 3 ([naam]) zou komen te staan en/of dat dat perceel in gebruik zou blijven bij [naam], althans niet in gebruik zou worden genomen door partij 3 ([naam]) of dat met de kavelruil geen wijzing in het gebruik van dat perceel werd beoogd;

7.

hij in de gemeente [gemeente 2], althans in Nederland, op of omstreeks 28 augustus 2000, tezamen en in vereniging met een of meer anderen en/of met een of meer rechtspersonen, althans alleen, als notaris opzettelijk een bij de belastingwet, als bedoeld in artikel 2 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, voorziene aangifte, als bedoeld in artikel 17 van de Wet op belastingen van rechtsverkeer, terzake van een of meer verkrijgingen, in de zin van artikel 2 van laatstgenoemde wet, van (een) in Nederland gelegen onroerende zaak/zaken of van rechten waaraan deze waren/was onderworpen, waarvan een notariële akte was opgemaakt, te weten de akte van ruilverkaveling bij overeenkomst (2000a7858) betreffende kavels tezamen vormend het blok "[naam]", verleden door hem, verdachte, op 16 augustus 2000, zijnde een tijdstip van verkrijging als bedoeld in artikel 8 van de Wet op belastingen van rechtsverkeer, waarbij (onder meer) partij [naam] en/of partij [naam] en/of partij [naam] en [naam] en/of [bedrijf 2] (mede) verkrijger(s) waren/was in de zin van de Wet op belastingen van rechtsverkeer, onjuist of onvolledig heeft gedaan of heeft doen doen door het aanbieden van die akte ter registratie, overeenkomstig artikel 21a Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994, bij de inspectie Registratie en Successie van de Belastingdienst te Zwolle, terwijl dat feit ertoe strekte dat te weinig belasting wordt geheven, hebbende die onjuistheid of onvolledigheid hierin bestaan, dat in die akte op bladzijde 9 ten onrechte een beroep op vrijstelling van overdrachtsbelasting als bedoeld in artikel 15 lid 1 onder 1 van de Wet op belastingen van rechtsverkeer was opgenomen door bovenomschreven verkrijging(en) door die genoemde partijen/partij

en/of

dat in een aan de voet van die akte gestelde, door hem, verdachte, als notaris, ondertekende voetverklaring ten onrechte - onder verwijzing naar de inhoud van die akte - werd vermeld dat geen, nihil of nul gulden overdrachtsbelasting verschuldigd was;

8.

hij in de gemeente [gemeente 1], althans in Nederland, in of omstreeks de maand april 2001, tezamen en in vereniging met een of meer anderen en/of met een of meer rechtspersonen, althans alleen, een toelichting behorende bij een overeenkomst van vrijwillige kavelruil van april 2001, genaamd kavelruil "[naam]" met het opschrift: "Toelichting op de kavelruil "[naam]"", zijnde een geschrift bestemd om te dienen tot bewijs van het daaringestelde, althans van enig feit, valselijk heeft opgemaakt met het oogmerk om die toelichting als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, hebbende dat valselijk opmaken (telkens) hierin bestaan, dat in die toelichting:

a) werd vermeld (zakelijk weergegeven) dat partij 2 ([naam]) percelen grond inbracht, die op afstand lagen van zijn bedrijf, terwijl in werkelijkheid partij 2 ([naam]) (onder meer) een (deel van een) zogenaamd huiskavel, te weten perceel [perceelnaam], sectie H 553, (gedeeltelijk) van ongeveer een hectare, inbracht, althans lag een der door partij 2 ([naam]) in te brengen percelen dichtbij diens bedrijfsgebouw(en);

en/of

b) niet werd vermeld dat de verkrijging door partij 8 ([naam]) van het perceel, [perceelnaam], H 553, (gedeeltelijk) van partij 2 ([naam]) slechts van tijdelijk aard zou zijn of tijdelijk alleen op naam van partij 8 ( [naam]) zou komen te staan en/of dat dat perceel in gebruik zou blijven bij partij 2 ([naam]), althans niet in gebruik zou worden genomen door partij 8 ([naam]) of dat met de kavelruil geen wijziging in het gebruik van dat perceel werd beoogd;

9.

hij in de gemeente [gemeente 2], althans in Nederland, op of omstreeks 28 mei 2001, tezamen en in vereniging met een of meer anderen en/of met een of meer rechtspersonen, althans alleen, als notaris opzettelijk een bij de belastingwet, als bedoeld in artikel 2 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, voorziene aangifte, als bedoeld in artikel 17 van de Wet op belastingen van rechtsverkeer, terzake van een of meer verkrijgingen, in de zin van artikel 2 van laatstgenoemde wet, van (een) in Nederland gelegen onroerende zaak/zaken of van rechten waaraan deze waren/was onderworpen, waarvan een notariële akte was opgemaakt, te weten de akte van ruilverkaveling bij overeenkomst (2001a8991) betreffende kavels tezamen vormend het blok "[naam]", verleden door hem, verdachte, op 16 mei 2001, zijnde een tijdstip van verkrijging als bedoeld in artikel 8 van de Wet op belastingen van rechtsverkeer, waarbij (onder meer) partij [naam] (mede) verkrijger was in de zin van de Wet op belastingen van rechtsverkeer, onjuist of onvolledig heeft gedaan of heeft doen doen door het aanbieden van die akte ter registratie, overeenkomstig artikel 21a Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994, bij de inspectie Registratie en Successie van de Belastingdienst te Zwolle, terwijl dat feit ertoe strekte dat te weinig belasting wordt geheven, hebbende die onjuistheid of onvolledigheid hierin bestaan, dat in die akte op bladzijde 13 ten onrechte een beroep op vrijstelling van overdrachtsbelasting als bedoeld in artikel 15 lid 1 onder 1 van de Wet op belastingen van rechtsverkeer was opgenomen voor bovenomschreven verkrijging(en) door die genoemde partij

en/of

dat in een aan de voet van die akte gestelde, door hem, verdachte, als notaris, ondertekende voetverklaring ten onrechte - onder verwijzing naar de inhoud van die akte - werd vermeld dat geen, nihil of nul gulden overdrachtsbelasting verschuldigd was;

10.

hij in de gemeente [gemeente 2], althans in Nederland, op of omstreeks 07 januari 2002, tezamen en in vereniging met een of meer anderen en/of met een of meer rechtspersonen, althans alleen, als notaris opzettelijk een bij de belastingwet, als bedoeld in artikel 2 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, voorziene aangifte, als bedoeld in artikel 17 van de Wet op belastingen van rechtsverkeer, terzake van een of meer verkrijgingen, in de zin van artikel 2 van laatstgenoemde wet, van (een) in Nederland gelegen onroerende zaak/zaken of van rechten waaraan deze waren/was onderworpen, waarvan een notariële akte was opgemaakt, te weten de akte van ruilverkaveling bij overeenkomst (2001a9445) betreffende kavels tezamen vormend het blok "[naam]", verleden door hem, verdachte, op 27 december 2001, zijnde een tijdstip van verkrijging als bedoeld in artikel 8 van de Wet op belastingen van rechtsverkeer, waarbij (onder meer) partij [bedrijf 3] (mede) verkrijger was in de zin van de Wet op belastingen van rechtsverkeer, onjuist of onvolledig heeft gedaan of heeft doen doen door het aanbieden van die akte ter registratie, overeenkomstig artikel 21a Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994, bij de inspectie Registratie en Successie van de Belastingdienst te Zwolle, terwijl dat feit ertoe strekte dat te weinig belasting wordt geheven, hebbende die onjuistheid of onvolledigheid hierin bestaan, dat in die akte op bladzijde 20 ten onrechte een beroep op vrijstelling van overdrachtsbelasting als bedoeld in artikel 15 lid 1 onder 1 van de Wet op belastingen van rechtsverkeer was opgenomen voor bovenomschreven verkrijging(en) door die genoemde partij

en/of

dat in een aan de voet van die akte gestelde, door hem, verdachte, als notaris, ondertekende voetverklaring een te laag bedrag aan verschuldigde overdrachtsbelasting werd vermeld.

Overwegingen ten aanzien van het bewijs.

Verdachte was notaris te [plaats] met een sterk agrarische praktijk. In de praktijk van verdachte werd gedurende de jaren 1999 tot en met 2001 gemiddeld vijf keer per jaar een akte verleden op grond van een zogenoemde 'Overeenkomst van vrijwillige kavelruil', kortweg ook wel genoemd kavelruil. Deze akten werden in de praktijk voorbereid door de bij de notaris in dienst zijnde medeverdachte [medeverdachte], notarisklerk van het kantoor van verdachte. Aan verdachte wordt in de kern verweten dat hij het ten onrechte heeft doen voorkomen dat de in de tenlastelegging genoemde, voor hem verleden akten van kavelruil voldeden aan de eisen die de Landinrichtingswet daaraan stelt.

Artikel 17 van de toenmalige Landinrichtingswet luidt:

Ruilverkaveling bij overeenkomst is de vorm van landinrichting, waarbij drie of meer eigenaren zich verbinden bepaalde, hun toebehorende onroerende zaken samen te voegen, de verkregen massa op bepaalde wijze te verkavelen en onder elkaar bij notariële akte te verdelen.

Artikel 4 van de toenmalige Landinrichtingswet luidt:

Landinrichting strekt tot verbetering van de inrichting van het landelijk gebied overeenkomstig de functies van dat gebied, zoals deze in het kader van de ruimtelijke ordening zijn aangegeven.

Daaruit wordt afgeleid dat met betrekking tot elk van de in te brengen en toe te delen percelen sprake moet zijn van wat in de praktijk wordt genoemd "kavelnut".

Indien een ruilverkavelingsovereenkomst voldoet aan de definitie uit de Landinrichtingswet, zijn daaraan voor partijen voordelen verbonden. Het eerste voordeel is dat de notariskosten inclusief de kadasterkosten gedeclareerd kunnen worden bij het ministerie van LNV. Daartoe diende de overeenkomst voorgelegd te worden aan de Dienst Landelijke Gebieden (DLG), die de overeenkomst toetste aan de Landinrichtingswet en deze al dan niet (gedeeltelijk) goedkeurde. De (concept)akte werd te dien einde toegezonden aan de DLG, voorzien van een toelichting waarin voor alle in de akte opgenomen percelen het met de kavelruil beoogde kavelnut werd beschreven.

Een tweede voordeel van het voldoen aan de eisen van de Landinrichtingswet, is gelegen in de mogelijkheid een beroep te doen op vrijstelling van overdrachtsbelasting. Dat beroep op vrijstelling is gebaseerd op artikel 15, eerste lid, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer. Het beroep op die vrijstelling wordt in de praktijk namens partijen gedaan door de notaris door middel van een verklaring gesteld onder de voor hem verleden akte (de zogenaamde voetverklaring) waarin de percelen worden ingebracht en toegedeeld.

Op grond van de verklaringen van verdachte en notarisklerk [medeverdachte] staat vast dat beiden omstreeks februari 1999 in verband met een op handen zijnde kavelruil de mogelijkheid van een zogenaamde "heen en weer levering" hebben besproken. Bij een dergelijke levering wordt door een partij bij een kavelruil een perceel ingebracht en aan een andere partij toegedeeld. Het betreffende perceel wordt echter, overeenkomstig het reeds bij de inbreng bij de betrokken partijen bestaand voornemen, na een bepaalde tijd door de verkrijgende partij weer teruggeleverd aan de inbrengende partij. Met de inbreng van het betreffende perceel in de kavelruil werd beoogd een overeenkomst van vrijwillige kavelruil te laten voldoen aan de eisen van de Landinrichtingswet. Daarmee wordt ook het motief duidelijk voor de "heen en weer leveringen", namelijk het besparen van notariskosten (in de literatuur ook wel genoemd de "troostprijs") en van overdrachtsbelasting (de zogenoemde "hoofdprijs"). Gelet op het feit dat slechts een tijdelijke verandering in de eigendomssituatie beoogd is, moet het er - behoudens aanwijzingen voor het tegendeel - in beginsel voor worden gehouden dat met de inbreng van een dergelijk perceel geen kavelnut wordt beoogd laat staan gerealiseerd, maar slechts besparing van notariskosten en overdrachtsbelasting voor (één of meer) bij de kavelruil betrokken partijen. Ten aanzien van de hieronder bewezen verklaarde feiten waarbij sprake is geweest van "heen en weer leveringen" is komen vast te staan dat geen sprake was van kavelnut. In die gevallen is desondanks ten onrechte in de toelichting vermeld dat wel sprake is van kavelnut dan wel is ten onrechte om vrijstelling van de overdrachtsbelasting verzocht.

Opzet

Verdachte is met de constructie van "heen en weer leveringen" niet zonder meer akkoord gegaan. Hij heeft zijn notarisklerk [medeverdachte] gevraagd in den lande te informeren of een dergelijke constructie elders ook werd toegepast. Verdachte heeft verklaard enige tijd later van [medeverdachte] vernomen te hebben dat een dergelijke constructie ook elders werd toegepast. Verdachte stelt in 2000 omtrent de "heen en weer levering" advies te hebben ingewonnen via zijn beroepsorganisatie. Dat heeft volgens verdachte geresulteerd in een telefoongesprek met de adviseur van die organisatie die aan verdachte zou hebben meegedeeld dat de praktijk zich met die constructie "wel redt". Verdachte heeft noch bij de DLG, noch bij de belastingdienst geïnformeerd naar de visie van die diensten op een dergelijke constructie.

[medeverdachte] heeft verklaard dat hij diverse gevallen van "heen en weer leveringen" concreet met verdachte heeft besproken. Verdachte ontkent zulks. Verdachte doet het voorkomen dat de bedoeling was om in voorkomende gevallen de "heen en weer leveringen" gewoon in de overeenkomsten en toelichting op te nemen, kortom gewoon open kaart te spelen tegenover de DLG en de belastingdienst. Het hof acht dat standpunt moeilijk verenigbaar met de reactie van verdachte op de "heen en weer leveringen" in het opsporingsonderzoek. Geconfronteerd met de "heen en weer leveringen" stelt verdachte1: "Voor zover de verklaringen juist zouden zijn kan gesteld worden dat het beroep op de vrijstelling overdrachtsbelasting ex artikel 15 lid 1 letter I ten onrechte is gedaan. Als de verklaringen juist zouden zijn is het verzoek om goedkeuring richting DLG ten onrechte geweest. Als de verklaringen juist zijn dan werd niet voldaan aan de wettelijke eisen welke aan kavelruil bij overeenkomst worden gesteld."

Ook op grond van het volgende feit acht het hof verdachtes lezing dat hij niet op de hoogte was onwaarschijnlijk. In de akte van kavelruil "[naam]" is opgenomen de inbreng van een perceel met de kadastrale aanduiding [perceelnaam] [nummer]. Op 28 december 2000 is bij akte verleden voor verdachte het betreffende perceel door degene aan wie het in de kavelruil was toegedeeld, geleverd aan de partij die het bij kavelruil had ingebracht. In het licht van het gesprek met [medeverdachte] over de "heen en weer leveringen" en het ingewonnen advies over die leveringen moet het op dat moment aan verdachte duidelijk zijn geweest dat "heen en weer leveringen" plaats vonden. Niettemin heeft verdachte niet ingegrepen.

Verdachte heeft verklaard dat de betreffende akte in een zeer drukke periode is verleden en het bovendien een zogenoemde "interne" akte betrof, dat wil zeggen een akte waarbij partijen worden vertegenwoordigd door medewerkers van het notariskantoor en waarbij geen prijs wordt gesteld op (gedeeltelijke) voorlezing van de akte. Hem zou ontgaan zijn dat de betreffende levering een "teruglevering" betrof.

Het hof verwerpt dit verweer als hoogst onwaarschijnlijk. Ook bij oppervlakkig lezen van de betreffende akte wordt duidelijk dat de leverende partij het perceel heeft verkregen ten titel van een overeenkomst van kavelruil. Een dergelijke verkrijging komt dermate weinig voor dat het voor verdachte duidelijk moet zijn geweest dat het hier een teruglevering betrof zoals die eerder door hem met [medeverdachte] was besproken.

Voor zover het verweer van verdachte erop is gericht dat niet hijzelf maar uitsluitend [medeverdachte] verantwoordelijk kan worden gehouden voor diens, door [medeverdachte] toegegeven, strafbare handelen, verwerpt het hof in het licht van het vorenstaande dit verweer.

Bij beoordeling van het opzet tot het doen van onjuiste aangifte neemt het hof tot uitgangspunt de vraag of het verdachte duidelijk was dat het beroep op vrijstelling in de gevallen waarin de constructie werd gehanteerd van de "heen en weer leveringen" ten onrechte werd gedaan. Met andere woorden, de aangifte moet niet alleen onjuist zijn geweest, er dient ook sprake te zijn van een niet pleitbaar standpunt ten aanzien van het beroep op vrijstelling en zulks dient voor verdachte ook kenbaar te zijn geweest.

Uit de hierboven weergegeven reactie van verdachte op de "heen en weer leveringen" blijkt dat het voor verdachte duidelijk was dat een "heen en weer levering" niet zou leiden tot kavelnut en derhalve evenmin zou kunnen leiden tot vergoeding van kosten en vrijstelling van overdrachtsbelasting.

De betekenis die in het kader van het beroep op vrijstelling mag worden toegekend aan de goedkeuring van de DLG is voor de beoordeling niet van groot belang. Het enkele feit dat aan een deel van een kavelruil goedkeuring is onthouden, brengt niet mee dat een beroep op vrijstelling te allen tijde is uitgesloten. Andersom zal een goedkeurende verklaring van de DLG er in het algemeen toe leiden dat degene die ten aanzien van die transactie een beroep op vrijstelling doet op zijn minst genomen een pleitbaar standpunt heeft. Zulks veronderstelt echter wel dat een dergelijke goedkeuring door het verschaffen van correcte gegevens is verkregen. Daaraan ontbreekt het in het geval van verdachte. Waar sprake is geweest van "heen en weer leveringen" was het voor verdachte duidelijk dat zowel de goedkeuring van de DLG ten onrechte werd aangevraagd als het beroep op vrijstelling ten onrechte werd gedaan.

Vrijspraak

Bij de beoordeling van feit 3 neemt het hof in aanmerking dat de in de tenlastelegging genoemde akte niet is verleden ten overstaan van verdachte, maar ten overstaan van een bij verdachte in dienst zijnde kandidaat-notaris. Bij de beoordeling van feit 10 neemt het hof in aanmerking dat weliswaar ten onrechte een beroep op vrijstelling van overdrachtsbelasting is gedaan, doch dat bij de akte waarbij dat verzoek werd gedaan, wel bescheiden zijn meegezonden op grond waarvan de belastingdienst de feitelijke situatie relatief eenvoudig correct kon beoordelen. Om die reden heeft het hof niet de overtuiging bekomen dat het opzet van verdachte gericht was op het onjuist of onvolledig doen van aangifte. Het hof acht niet bewezen hetgeen onder 3 en 10 aan verdachte is ten laste gelegd, zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht bewezen dat:

1.

hij in de gemeente [gemeente 1], in mei 1999, tezamen en in vereniging met een ander, een toelichting behorende bij een overeenkomst van vrijwillige kavelruil van mei 1999, genaamd kavelruil "[naam]" met het opschrift: "Overzicht verbetering/nut van deze kavelruil", zijnde een geschrift bestemd om te dienen tot bewijs van het daarin gestelde, althans van enig feit, valselijk heeft opgemaakt met het oogmerk om die toelichting als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, hebbende dat valselijk opmaken hierin bestaan, dat in die toelichting:

a) bij punt 2 werd vermeld (zakelijk weergegeven) dat partij 4 ([naam]) meer gronden nodig had dan de gronden behorende bij het door partij 4 ([naam]) van partij 3 ([naam]) aangekochte bedrijf teneinde een goede bedrijfsvoering te kunnen uitoefenen, mede in verband met het melkquotum dat hij ([naam]) van zijn oude bedrijf diende mee te nemen, welke gronden hij ([naam]) kon verkrijgen van partij 10 ([naam]) en partij 16 ([naam]), terwijl in werkelijkheid partij 4 ([naam]) - naar diens toenmalig oordeel - niet meer gronden nodig had voor zijn bedrijfsvoering en/of voor dat melkquotum;

en

b) niet werd vermeld dat de verkrijging door partij 4 ([naam]) van de percelen [perceelnaam], [nummer], van partij 16 ([naam]) en [perceelnaam], [nummer], van partij 10 ([naam]) slechts van tijdelijke aard zou zijn en dat die percelen niet in gebruik zouden worden genomen door partij 4 ([naam]);

2.

hij in de gemeente [gemeente 2], op 17 juni 1999, tezamen en in vereniging met een ander, als notaris opzettelijk een bij de belastingwet, als bedoeld in artikel 2 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, voorziene aangifte, als bedoeld in artikel 17 van de Wet op belastingen van rechtsverkeer, terzake van een of meer verkrijgingen, in de zin van artikel 2 van laatstgenoemde wet, van (een) in Nederland gelegen onroerende zaak/zaken of van rechten waaraan deze waren/was onderworpen, waarvan een notariële akte was opgemaakt, te weten de akte van ruilverkaveling bij overeenkomst (99a6047) betreffende kavels tezamen vormend het blok "[naam] ", verleden door hem, verdachte, op 7 juni 1999, zijnde een tijdstip van verkrijging als bedoeld in artikel 8 van de Wet op belastingen van rechtsverkeer, waarbij (onder meer) partij [naam] en [naam] en partij [naam] en [naam] en partij [naam] en partij [naam] en [naam] (mede) verkrijger(s) waren in de zin van de Wet op belastingen van rechtsverkeer, onjuist of onvolledig heeft gedaan door het aanbieden van die akte ter registratie, overeenkomstig artikel 21a Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994, bij de inspectie Registratie en Successie van de Belastingdienst te Zwolle, terwijl dat feit ertoe strekte dat te weinig belasting wordt geheven, hebbende die onjuistheid of onvolledigheid hierin bestaan, dat in die akte op bladzijde 26 ten onrechte een beroep op vrijstelling van overdrachtsbelasting als bedoeld in artikel 15 lid 1 onder 1 van de Wet op belastingen van rechtsverkeer was opgenomen voor bovenomschreven verkrijging door die genoemde partijen

en

dat in een aan de voet van die akte gestelde, door hem, verdachte, als notaris, ondertekende voetverklaring ten onrechte - onder verwijzing naar de inhoud van die akte - werd vermeld dat geen, nihil of nul gulden overdrachtsbelasting verschuldigd was;

4.

hij in de gemeente [gemeente 1], in de periode december 1999 tot en met januari 2000, tezamen en in vereniging met een ander, een toelichting behorende bij een overeenkomst van vrijwillige kavelruil van 20 januari 2000, "[naam]" met het opschrift: "Bemerkingen bij de kavelruil [naam]", zijnde een geschrift bestemd om te dienen tot bewijs van het daarin gestelde, valselijk heeft opgemaakt met het oogmerk om die toelichting als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, hebbende dat valselijk opmaken hierin bestaan, dat in die toelichting:

a) werd vermeld (zakelijk weergegeven) dat partij 9 ([naam]) de percelen die deze kon verkrijgen van partij 8 ([naam]) en partij 3 ([naam]) dichter bij zijn bedrijfsgebouwen kreeg en dat er voor alle partijen een dusdanige kavelverbetering ontstond, waardoor bedrijfseconomisch en bedrijfstechnisch "beter geboerd" kon worden, terwijl in werkelijkheid partij 9 ([naam]) toen niet bedrijfsmatig boerde en toen geen bedrijfsgebouw(en) exploiteerde of gebruikte;

en

b) niet werd vermeld dat het perceel, [perceelnaam], [nummer], in gebruik zou blijven bij partij 2 ([naam]), althans niet in gebruik zou worden genomen door partij 9 ([naam]) of dat met de kavelruil geen wijziging in het gebruik van dat perceel werd beoogd;

5.

hij in de gemeente [gemeente 2], op 21 februari 2000, tezamen en in vereniging met een ander, als notaris opzettelijk een bij de belastingwet, als bedoeld in artikel 2 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, voorziene aangifte, als bedoeld in artikel 17 van de Wet op belastingen van rechtsverkeer, terzake van een of meer verkrijgingen, in de zin van artikel 2 van laatstgenoemde wet, van (een) in Nederland gelegen onroerende zaak/zaken of van rechten waaraan deze waren/was onderworpen, waarvan een notariële akte was opgemaakt, te weten de akte van ruilverkaveling bij overeenkomst (199a7261) betreffende kavels tezamen vormend het blok "[naam]", verleden door hem, verdachte, op 10 februari 2000, zijnde een tijdstip van verkrijging als bedoeld in artikel 8 van de Wet op belastingen van rechtsverkeer, waarbij (onder meer) partij [naam] en [naam] en partij [naam] en partij [naam] (mede) verkrijger(s) waren in de zin van de Wet op belastingen van rechtsverkeer, onjuist of onvolledig heeft gedaan door het aanbieden van die akte ter registratie, overeenkomstig artikel 21a Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994, bij de inspectie Registratie en Successie van de Belastingdienst te Zwolle, terwijl dat feit ertoe strekte dat te weinig belasting wordt geheven, hebbende die onjuistheid of onvolledigheid hierin bestaan, dat in die akte op bladzijde 13 ten onrechte een beroep op vrijstelling van overdrachtsbelasting als bedoeld in artikel 15 lid 1 onder 1 van de Wet op belastingen van rechtsverkeer was opgenomen voor bovenomschreven verkrijging(en) door die genoemde partijen

en

dat in een aan de voet van die akte gestelde, door hem, verdachte, als notaris, ondertekende voetverklaring ten onrechte - onder verwijzing naar de inhoud van die akte - werd vermeld dat geen, nihil of nul gulden overdrachtbelasting verschuldigd was;

6.

hij in de gemeente [gemeente 1], in de periode mei 2000 tot en met juni 2000, tezamen en in vereniging met een ander, een toelichting behorende bij een overeenkomst van vrijwillige kavelruil van mei 1999, genaamd kavelruil "[naam]" met het opschrift: "Bemerkingen bij de vrijwillige kavelruil "[naam]"", zijnde een geschrift bestemd om te dienen tot bewijs van het daarin gestelde, valselijk heeft opgemaakt met het oogmerk om die toelichting als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, hebbende dat valselijk opmaken hierin bestaan, dat in die toelichting:

b) werd vermeld (zakelijk weergegeven) dat voor partij 6 ([naam] en [naam]) de mogelijkheid bestond, doordat partij 3 ([naam]) zijn bedrijf verplaatste, om gebouwen met daaraan liggend grasland te verkrijgen voor zijn veehouderijbedrijf (vetweiden etc.), aangezien partij 6 ([naam] en [naam]) op de (toenmalige) huidige locatie op geen enkele wijze kon uitbreiden, terwijl in werkelijkheid partij 6 ([naam] en [naam]) op het (toenmalige) huidige woonadres geen veehouderijbedrijf uitoefende en/of genoemde partij 6 toen op het beoogde, toekomstige woonadres, te weten [adres] te [woonplaats], niet voornemens was een veehouderijbedrijf uit te oefenen;

en/of

c) niet werd vermeld dat het perceel, [perceelnaam], [nummer], van partij 2 ([naam]) tijdelijk alleen op naam van partij 3 ([naam]) zou komen te staan en niet in gebruik zou worden genomen door partij 3 ([naam]) of dat met de kavelruil geen wijzing in het gebruik van dat perceel werd beoogd;

7.

hij in de gemeente [gemeente 2], op 28 augustus 2000, tezamen en in vereniging met een ander, als notaris opzettelijk een bij de belastingwet, als bedoeld in artikel 2 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, voorziene aangifte, als bedoeld in artikel 17 van de Wet op belastingen van rechtsverkeer, terzake van een of meer verkrijgingen, in de zin van artikel 2 van laatstgenoemde wet, van (een) in Nederland gelegen onroerende zaak/zaken of van rechten waaraan deze waren/was onderworpen, waarvan een notariële akte was opgemaakt, te weten de akte van ruilverkaveling bij overeenkomst (2000a7858) betreffende kavels tezamen vormend het blok "[naam]", verleden door hem, verdachte, op 16 augustus 2000, zijnde een tijdstip van verkrijging als bedoeld in artikel 8 van de Wet op belastingen van rechtsverkeer, waarbij (onder meer) partij [naam] en partij [naam] en partij [naam] en [naam] en [bedrijf 2] (mede) verkrijger(s) waren/was in de zin van de Wet op belastingen van rechtsverkeer, onjuist of onvolledig heeft gedaan door het aanbieden van die akte ter registratie, overeenkomstig artikel 21a Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994, bij de inspectie Registratie en Successie van de Belastingdienst te Zwolle, terwijl dat feit ertoe strekte dat te weinig belasting wordt geheven, hebbende die onjuistheid of onvolledigheid hierin bestaan, dat in die akte op bladzijde 9 ten onrechte een beroep op vrijstelling van overdrachtsbelasting als bedoeld in artikel 15 lid 1 onder 1 van de Wet op belastingen van rechtsverkeer was opgenomen door bovenomschreven verkrijging(en) door die genoemde partijen

en

dat in een aan de voet van die akte gestelde, door hem, verdachte, als notaris, ondertekende voetverklaring ten onrechte - onder verwijzing naar de inhoud van die akte - werd vermeld dat geen, nihil of nul gulden overdrachtsbelasting verschuldigd was;

8.

hij in de gemeente [gemeente 1], in de maand april 2001, tezamen en in vereniging met een ander, een toelichting behorende bij een overeenkomst van vrijwillige kavelruil van april 2001, genaamd kavelruil "[naam]" met het opschrift: "Toelichting op de kavelruil "[naam]"", zijnde een geschrift bestemd om te dienen tot bewijs van het daarin gestelde, valselijk heeft opgemaakt met het oogmerk om die toelichting als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, hebbende dat valselijk opmaken hierin bestaan, dat in die toelichting:

b) niet werd vermeld dat het perceel, [perceelnaam], H 553, (gedeeltelijk) van partij 2 ([naam]) tijdelijk alleen op naam van partij 8 ( [naam]) zou komen te staan en niet in gebruik zou worden genomen door partij 8 ([naam]) of dat met de kavelruil geen wijziging in het gebruik van dat perceel werd beoogd;

9.

hij in de gemeente [gemeente 2], op 28 mei 2001, tezamen en in vereniging met een ander, als notaris opzettelijk een bij de belastingwet, als bedoeld in artikel 2 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, voorziene aangifte, als bedoeld in artikel 17 van de Wet op belastingen van rechtsverkeer, terzake van een of meer verkrijgingen, in de zin van artikel 2 van laatstgenoemde wet, van (een) in Nederland gelegen onroerende zaak/zaken of van rechten waaraan deze waren/was onderworpen, waarvan een notariële akte was opgemaakt, te weten de akte van ruilverkaveling bij overeenkomst (2001a8991) betreffende kavels tezamen vormend het blok "[naam]", verleden door hem, verdachte, op 16 mei 2001, zijnde een tijdstip van verkrijging als bedoeld in artikel 8 van de Wet op belastingen van rechtsverkeer, waarbij (onder meer) partij [naam] (mede) verkrijger was in de zin van de Wet op belastingen van rechtsverkeer, onjuist of onvolledig heeft gedaan of heeft doen doen door het aanbieden van die akte ter registratie, overeenkomstig artikel 21a Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994, bij de inspectie Registratie en Successie van de Belastingdienst te Zwolle, terwijl dat feit ertoe strekte dat te weinig belasting wordt geheven, hebbende die onjuistheid of onvolledigheid hierin bestaan, dat in die akte op bladzijde 13 ten onrechte een beroep op vrijstelling van overdrachtsbelasting als bedoeld in artikel 15 lid 1 onder 1 van de Wet op belastingen van rechtsverkeer was opgenomen voor bovenomschreven verkrijging door die genoemde partij

en

dat in een aan de voet van die akte gestelde, door hem, verdachte, als notaris, ondertekende voetverklaring ten onrechte - onder verwijzing naar de inhoud van die akte - werd vermeld dat geen, nihil of nul gulden overdrachtsbelasting verschuldigd was.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 1, 2, 4, 5, 6, 7, 8 en 9 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert respectievelijk op de misdrijven:

feiten 1, 4, 6 en 8 telkens:

medeplegen van valsheid in geschrift;

feiten 2, 5, 7 en 9 telkens:

medeplegen van opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven.

Strafbaarheid

Het hof acht verdachte strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden niet aanwezig geacht.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de aard en ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon van verdachte. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte was in de periode vanaf 1999 tot april 2002, zijnde de periode waarin de bewezenverklaarde feiten werden gepleegd, werkzaam als notaris te [plaats]. In die hoedanigheid heeft verdachte zich bij herhaling schuldig gemaakt aan het medeplegen van belastingfraude en valsheid in geschrift.

De notaris is bij uitstek een functionaris bij wie betrouwbaarheid hoog in het vaandel moet staan, en die betrouwbaarheid heeft verdachte ernstig beschaamd. Het hof rekent dit de verdachte dan ook zwaar aan.

Overeenkomst art. 17, lid 1, van de Wet op het notarisambt oefent de notaris zijn ambt in onafhankelijkheid uit en behartigt hij de belangen van alle bij de rechtshandeling betrokken partijen op onpartijdige wijze en met de grootst mogelijke zorgvuldigheid. De belangen die hij behartigt zijn gegrond op een eigen ambtsplicht. Door de verplichte inschakeling van de notaris bij de overdracht van registergoederen komt aan de notaris op het gebied van het rechtsverkeer in registergoederen een zwaarwegende zorgplicht toe. Vanwege zijn specifieke deskundigheid staat hij immers borg voor het intreden van alle rechtsgevolgen die beoogd zijn met de in zijn notariële akte opgenomen rechtshandelingen, ook voor zover het betreft de belangen die voor de fiscus in het geding zijn. De notaris dient in zijn ambt de rechtszekerheid, biedt rechtsbescherming aan de bij voorgenomen rechtshandelingen betrokken partijen en belanghebbenden en wordt ook wel aangemerkt als hoeder van directe overheidsbelangen, waaronder ook die van de fiscus. Het hof is van oordeel dat de handelwijze zoals deze bewezen is verklaard in hoge mate laakbaar is en dat verdachte daardoor mede het vertrouwen dat men moet kunnen hebben in het notariaat in ernstige mate heeft beschaamd. Het hof stelt eveneens vast dat ter terechtzitting verdachte er geen blijk van heeft gegeven verantwoordelijkheid te nemen voor zijn gedragingen.

Het hof heeft bij de straftoemeting in aanmerking genomen dat uit een hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 11 februari 2010 niet blijkt dat verdachte zich eerder aan enig strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Anders dan de eerste rechter en de advocaat-generaal acht het hof oplegging van een relatief hoge geldboete (naast een voorwaardelijke gevangenisstraf) passend noch geboden. In een geval als het onderhavige, waarin door iemand met een bovengemiddeld inkomen grote bedragen zijn verkregen door de bewezenverklaarde feiten, is oplegging van "slechts" een geldboete - ook wanneer dat een boete van vijftienduizend euro zou zijn - gecombineerd met een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf naar het oordeel van het hof niet passend

Gelet op het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, is het hof van oordeel dat een voorwaardelijke gevangenisstraf van vier maanden en een werkstraf van tweehonderdveertig uren, subsidiair honderdtwintig dagen hechtenis een passende en noodzakelijke bestraffing is om de aard en de ernst van de bewezenverklaarde feiten tot uitdrukking te brengen. Het hof zal die straf dan ook opleggen.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 47, 57 en 225 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 69 en 72 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte onder 3 en 10 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart het verdachte onder 1, 2, 4, 5, 6, 7, 8 en 9 ten laste gelegde bewezen, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart deze feiten en verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 1, 2, 4, 5, 6, 7, 8 en 9 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot gevangenisstraf voor de duur van vier maanden;

beveelt, dat de gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd van twee jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

veroordeelt verdachte tevens tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, voor de duur van tweehonderdveertig uren, met bevel voor het geval dat de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis voor de duur van honderdtwintig dagen zal worden toegepast;

beveelt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de uitvoering van de voormelde werkstraf geheel in mindering wordt gebracht, berekend naar de maatstaf van twee uren werkstraf per dag.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. L.T. Wemes, voorzitter, mr. G. Dam en mr. W. Foppen, in tegenwoordigheid van mr. A. Meester als griffier.

1 Proces-verbaal verhoor van een verdachte met dossiernummer [nummer], d.d. 15 november 2005 in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 1] en [verbalisant 2], beiden buitengewoon opsporingsambtenaar, zoals weergegeven in bijlage Vk 70, pag. 6, van het dossier.

2 Bijlage 58 bij proces-verbaal met dossiernummer [nummer]. d.d. 21 december 2005 in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 3], [verbalisant 4], [verbalisant 2], [verbalisant 1], [verbalisant 5] en [verbalisant 6], allen opsporingsambtenaar.

?