Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2010:BM7361

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
11-06-2010
Datum publicatie
11-06-2010
Zaaknummer
21-002823-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontvankelijkheid Openbaar Ministerie. Veronderstelde partijdigheid officier van justitie. Beroep op EHRM jurisprudentie inzake Ramsahai. Beginselen van behoorlijk procesrecht. Vernietiging vonnis en terugwijzing naar de rechtbank.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2010/236
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Sector strafrecht

Parketnummer: 21-002823-09

Uitspraak d.d.: 11 juni 2010

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Zutphen van 8 juli 2009 in de strafzaak tegen

[VERDACHTE],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende te [adres].

Het hoger beroep

De officier van justitie heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 28 mei 2010 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd (zie voor de inhoud van de vordering bijlage I). Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman,

mr P. Reitsma, naar voren is gebracht.

De ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft tegen het vonnis van de rechtbank, waarbij de officier van justitie niet-ontvankelijk werd verklaard in haar strafvervolging, hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft bij de behandeling in hoger beroep - kort gezegd - het volgende aangevoerd:

De rechtbank Zutphen heeft de ontvankelijkheid van de officier van justitie aan beginselen van een goede procesorde, in het bijzonder het beginsel van zorgvuldigheid en het verbod op willekeur, getoetst. Hierbij heeft de rechtbank zich gebaseerd op jurisprudentie van het EHRM inzake Ramsahai (EHRM 10 november 2005 en 15 mei 2007, NJ 2007, 618) en met name op de aan die jurisprudentie ontleende vraag of er in de zaak van verdachte sprake is geweest van een ‘close working relationship’ tussen de rechercheofficier van justitie en het politieteam Crick, waartoe verdachte behoorde in zijn functie als opsporingsambtenaar. Een verwijzing naar de Ramsahai-jurisprudentie is naar het oordeel van de advocaat-generaal niet terecht. Ten eerste kan alleen al gelet op de bijzondere context van artikel 2 EVRM, waarin het recht op bescherming van het leven is neergelegd, de Ramsahai-jurisprudentie niet zomaar worden overgeheveld naar elke andere zaak waarin een politiefunctionaris wordt verdacht van een strafbaar feit. Daarnaast speelde in de zaak Ramsahai de vraag naar de distantie van het opsporend en vervolgend Openbaar Ministerie. Ten onrechte heeft de rechtbank Zutphen in de onderhavige zaak geoordeeld dat er - in tegenstelling tot het oordeel in de zaak Ramsahai - wat betreft het Openbaar Ministerie onvoldoende onafhankelijkheid/distantie zat bij de zaaksofficier van justitie. De zaaksofficier van justitie was in casu een rechercheofficier van justitie, die niet op uitvoerend niveau betrokken is geweest bij het politieteam Crick en niet zelfstandig heeft besloten tot het instellen van een opsporingsonderzoek tegen en een vervolging van de onderhavige verdachte. Van een ‘close working relationship’ was derhalve geen sprake. De rechtbank heeft ten onrechte de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard.

Standpunt van de verdediging

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de beslissing van de rechtbank in stand moet blijven, in die zin dat de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden geacht in de strafvervolging.

De zaaksofficier van justitie is als rechercheofficier van justitie betrokken geweest bij het onderzoek door het politieteam Crick, waarvan verdachte als opsporingsambtenaar deel uitmaakte. Uit het onderzoek Crick is een onderzoek afgeleid. In dit onderzoek is verdachte het onderzoeksobject geworden en wordt hij ervan beschuldigd dat hij informatie uit het Crick onderzoek heeft gelekt.

Nu de rechercheofficier zowel bij het Crick onderzoek als het onderhavige onderzoek jegens verdachte betrokken is (geweest), kon zij niet objectief beslissen over de strafrechtelijke vervolging van verdachte. In dat kader heeft de raadsman verwezen naar de jurisprudentie van het EHRM inzake Ramsahai. Een afstandelijke en objectieve toetsing van de feiten en een evenwichtig gebruik van het opportuniteitsbeginsel kon niet worden gewaarborgd door de betreffende zaaksofficier van justitie en om die reden zijn de beginselen van een behoorlijke procesorde geschonden.

Het oordeel van het hof

Het in artikel 167 van het Wetboek van Strafvordering neergelegde opportuniteitsbeginsel heeft als uitgangspunt dat het Openbaar Ministerie naar aanleiding van het ingestelde opsporingsonderzoek tot vervolging overgaat, maar dat het bevoegd is van vervolging af te zien op gronden aan het algemeen belang ontleend. De wijze waarop - in geval van vervolging - die belangenafweging heeft plaatsgevonden staat in zijn algemeenheid niet ter beoordeling van de rechter. Dat is slechts anders indien de vervolging in strijd is met wettelijke of verdragsrechtelijke voorschriften en/of beginselen van behoorlijk strafprocesrecht.

In het onderhavige geval is de vraag ter discussie gesteld of de officier van justitie - als vertegenwoordiger van het Openbaar Ministerie - op voldoende onpartijdige wijze betrokken is bij de beslissing om tot vervolging over te gaan. In dit verband merkt het hof op dat de wet, anders dan ten aanzien van de rechter het geval is, geen bepalingen bevat die betrekking hebben op de (on)partijdigheid van ambtenaren van het Openbaar Ministerie. Zo schrijft artikel 271, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering voor dat noch de voorzitter, noch een der rechters op de terechtzitting blijk geeft van enige overtuiging van schuld of onschuld van de verdachte, terwijl voor het Openbaar Ministerie een dergelijke bepaling ontbreekt. In het verlengde daarvan zijn in het Wetboek van Strafvordering geen regels opgenomen die voorzien in wraking van een lid van het Openbaar Ministerie. Ook artikel 6 van het Europese Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens (EVRM) kent de verdachte het recht toe te worden berecht door een onafhankelijke en onpartijdige rechter, maar zwijgt over het Openbaar Ministerie.

De rechtbank heeft zich voor het antwoord op de vraag, of er ernstig rekening moest worden gehouden met het risico dat het Openbaar Ministerie bij zijn beslissing om tot vervolging van verdachte over te gaan onzorgvuldig en/of willekeurig heeft gehandeld, gebaseerd op de uitspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) inzake Ramsahai. De rechtbank begrijpt deze uitspraak van het EHRM aldus, dat het niet wenselijk is als het politieonderzoek naar het optreden van een politieambtenaar geschiedt onder de supervisie van de officier van justitie die verbonden is aan het politiekorps dat het politieonderzoek verricht en waarvan de politieambtenaar deel uitmaakt.

Naar het oordeel van het hof heeft de rechtbank bij de beantwoording van de hiervoor genoemde vraag ten onrechte de uitspraak van het in EHRM inzake Ramsahai gehanteerd. De strekking van de uitspraak Ramsahai wordt door het hof aldus uitgelegd, dat het EHRM waarborgen heeft willen bieden om te voorkomen dat op lichtvaardige gronden juist wordt afgezien van het vervolgen van politieambtenaren. Nu in de onderhavige zaak wél sprake is van vervolging, is het toetsingskader dat de rechtbank heeft ontleend aan de uitspraak Ramsahai niet van toepassing. Voor een analoge (of a contrario) toepassing van de uitspraak Ramsahai is naar het oordeel van het hof evenmin plaats, aangezien het toetsingskader van het EHRM is ontleend aan artikel 2 EVRM, dat betrekking heeft op het recht op het leven en de specifieke bescherming van dat recht door de overheid.

In het onderhavige geval wordt de wijze waarop de beslissing tot vervolging over te gaan is genomen, waaronder de positie van de officier van justitie ten opzichte van de verdachte, derhalve uitsluitend beheerst door beginselen van behoorlijk strafprocesrecht. Voor beantwoording van de vraag of de beslissing om verdachte te vervolgen de toetsing aan deze beginselen kan doorstaan, neemt het hof het volgende in aanmerking.

Uit de voorhanden zijnde stukken en het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat de zaaksofficier van justitie de vervolgingbeslissing niet individueel heeft genomen. Aannemelijk is geworden dat, gelet op de gevoeligheid van de beslissing, deze is genomen na overleg met en met brede instemming van de parketleiding. Aldus is de beslissing tevens onder verantwoordelijkheid van de hoofdofficier van justitie genomen en is van willekeur niet gebleken.

Voorts is niet gebleken van een persoonlijke verhouding tussen de zaaksofficier van justitie en verdachte. Verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij geen rechtstreeks contact heeft gehad met de zaaksofficier van justitie. Enig onzuiver oogmerk bij het tot stand komen van de vervolgingsbeslissing is niet aannemelijk geworden.

Het hof is al met al van oordeel dat er geen sprake is van strijd met de beginselen van een behoorlijk strafprocesrecht en acht het Openbaar Ministerie dan ook ontvankelijk in de strafvervolging. De beslissing van de rechtbank wordt dienovereenkomstig vernietigd.

Ingevolge het bepaalde in artikel 423, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering zal het hof, nu terugwijzing naar de rechtbank zowel door de verdachte als de advocaat-generaal wordt verlangd, de zaak terugwijzen naar de rechtbank Zutphen teneinde met in achtneming van dit arrest recht te doen.

Sluiting van de deuren

Gelet op de hiervoor weergegeven beslissing tot vernietiging van het vonnis en terugwijzing van de zaak naar de rechtbank, behoeven de grieven van het Openbaar Ministerie betreffende de openbaarheid van het onderzoek ter terechtzitting geen bespreking.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart het Openbaar Ministerie ontvankelijk in de strafvervolging.

Wijst de zaak terug naar de rechtbank Zutphen, teneinde met inachtneming van dit arrest recht te doen.

Aldus gewezen door

mr A.E. Harteveld, voorzitter,

mr R.W. van Zuijlen en mr P.H.A.J. Cremers, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr B.P. Snijder, griffier,

en op 11 juni 2010 ter openbare terechtzitting uitgesproken.