Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2010:BM7200

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
26-05-2010
Datum publicatie
10-06-2010
Zaaknummer
09/00337
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WOZ.

Inpandige opname vóór toestandsdatum niet aannemelijk gemaakt door gemeente.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2010/972.1
FutD 2010-1466
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector belastingrecht

nummer 09/00337

uitspraakdatum: 26 mei 2010

Uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

X te Z (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 28 juli 2009, nummer AWB 08/4597,

in het geding tussen belanghebbende

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Nijmegen (hierna: de Ambtenaar).

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Bij beschikking heeft de Ambtenaar in het kader van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet Woz) de waarde van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als a-straat 1 te Q, voor het tijdvak 1 januari 2007 tot en met 31 december 2007, naar de waardepeildatum 1 januari 2005, vastgesteld op € 267.000. Voorts is aan belanghebbende met betrekking tot genoemde onroerende zaak een aanslag in de onroerendezaakbelastingen van de gemeente Nijmegen opgelegd, welke aanslag op één biljet is verenigd met genoemde WOZ-beschikking.

1.2. De vastgestelde waarde is, na daartegen door belanghebbende gemaakt bezwaar, door de Ambtenaar bij uitspraak op bezwaar verminderd tot € 244.000.

1.3. Het door belanghebbende tegen deze uitspraak op bezwaar ingestelde beroep is door de rechtbank Arnhem (hierna: de Rechtbank) ongegrond verklaard.

1.4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Ambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

1.5. Tot de stukken van het geding behoren het van de Rechtbank ontvangen dossier dat op deze zaak betrekking heeft, alsmede alle stukken die, al dan niet met bijlagen, door partijen in hoger beroep zijn overgelegd en waarvan door de griffier van het Hof afschriften zijn verzonden aan de wederpartij.

1.6. Het onderzoek ter zitting in hoger beroep heeft plaatsgehad op 15 april 2010 te Arnhem. Aldaar zijn verschenen en gehoord: belanghebbende alsmede de Ambtenaar bijgestaan door Woz-taxateur A.

1.7. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt. Een afschrift hiervan is aan deze uitspraak gehecht.

2. Feiten

2.1. Belanghebbende is bij het begin van het onderhavige tijdvak (1 januari 2007 tot en met 31 december 2007) eigenaar van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als a-straat 1 te Q (hierna: het object). Het object betreft een in 1953 gebouwde hoekwoning met een inhoud van 333 m3 en een perceeloppervlakte van 275 m2. Tot het object behoren voorts een garage en een berging.

2.2. De Ambtenaar heeft de waarde van het object per waardepeildatum 1 januari 2005, naar de toestand van het object per 1 januari 2007, bij beschikking van 28 april 2007 vastgesteld op € 267.000. Hiertegen heeft belanghebbende op 5 juni 2007 bezwaar aangetekend. Bij brief van 7 juni 2008 heeft de Ambtenaar de vastgestelde waarde van het object per 1 januari 2005 ambtshalve verminderd tot € 244.000. Op 30 augustus 2008 heeft de Ambtenaar uitspraak op bezwaar gedaan, waarbij de vastgestelde waarde van het object per 1 januari 2005 is bepaald op € 244.000.

2.3. Het object is ingrijpend verbouwd door belanghebbende. De badkamer is omgebouwd tot sauna en een slaapkamer is verbouwd tot badkamer. Voorts is een cv-ketel geplaatst alsmede een andere – tweedehands – keuken. Daarnaast zijn er nieuwe plafonds geplaatst en is de elektrische bedrading vervangen. Voorts zijn nieuwe vloeren gelegd. De cv-ketel en keuken zijn in 2006 geplaatst. De hiermee gepaard gaande investeringskosten hebben ongeveer een bedrag van € 4.250 belopen.

2.4. Bij brief van 1 augustus 2005 heeft B, makelaar en taxateur, belanghebbende bericht dat de onderhandse verkoopwaarde van het object tussen € 210.000 en € 215.000 zal bedragen. Genoemde taxateur, die het object heeft bezichtigd, heeft als adviesvraagprijs voorgesteld een bedrag van € 229.000.

2.5. In juni 2008 is het object door belanghebbende te koop aangeboden voor een (vraag)prijs van € 339.000 exclusief garage.

2.6. In de procedure voor de Rechtbank heeft de Ambtenaar een op 17 februari 2009 door C (WOZ-taxateur) opgemaakt taxatierapport overgelegd, waarin een waarde aan het object per 1 januari 2005 naar de toestand van het object per 1 januari 2007 is toegekend van € 256.000. In dat rapport is uitgegaan van een goede staat van onderhoud. Genoemde taxateur heeft het object niet inpandig opgenomen.

2.7. De Rechtbank heeft geoordeeld dat de Ambtenaar erin is geslaagd de door hem verdedigde waarde van € 244.000 aannemelijk te maken. Deswege heeft de Rechtbank het beroep van belanghebbende ongegrond verklaard.

2.8. In een andere rechterlijke procedure is de waarde van het object per waardepeildatum 1 januari 2003 nader vastgesteld op € 199.900.

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1 Tussen partijen is in geschil of de (nader) vastgestelde waarde van € 244.000 per waardepeildatum 1 januari 2005 te hoog is. Belanghebbende beantwoordt deze vraag bevestigend en de Ambtenaar ontkennend.

3.2 Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de stukken. Voor hetgeen zij daaraan ter zitting hebben toegevoegd, wordt verwezen naar het proces-verbaal van de zitting. Het aanbod tot getuigenbewijs is door belanghebbende ter zitting ingetrokken.

3.3 Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, die van de Ambtenaar en tot vermindering van de vastgestelde waarde tot € 224.900.

3.4 De Ambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Belanghebbende heeft geen afzonderlijke klachten aangevoerd tegen de hem met betrekking tot het object opgelegde aanslag in de onroerendezaakbelastingen. Partijen hebben ter zitting desgevraagd verklaard dat wanneer de vastgestelde waarde van het object in hoger beroep wordt verlaagd, die aanslag dienovereenkomstig dient te worden aangepast. De aanslag in de onroerendezaakbelastingen vormt in deze procedure geen onderdeel van de rechtsstrijd van partijen.

4.2. De omstandigheid dat de Ambtenaar de wettelijke termijn voor het doen van een uitspraak op bezwaar heeft overschreden, brengt – aldus vaste jurisprudentie – niet mee dat de uitspraak op bezwaar reeds om die reden moet worden vernietigd. Indien een bestuursorgaan zich niet houdt aan de wettelijke termijn voor het doen van een uitspraak op bezwaar, kan een belastingplichtige na ommekomst van die termijn beroep aantekenen bij de belastingrechter. Hiermee is de aan een belastingplichtige toekomende rechtsbescherming gewaarborgd.

4.3. De klacht van belanghebbende dat de Ambtenaar ten onrechte ervoor heeft gekozen de vastgestelde waarde ambtshalve te verminderen kan hem niet baten, aangezien niet valt in te zien dat belanghebbende door deze handelwijze in zijn belangen kan zijn geschaad. De ambtshalve verleende vermindering van de vastgestelde waarde is immers nadien door de Ambtenaar geformaliseerd in diens uitspraak op bezwaar en tegen deze uitspraak kan, zoals is geschied, het rechtsmiddel van beroep worden aangewend.

4.4. In zoverre belanghebbende erover klaagt dat de rechter in eerste aanleg (bijgestaan door diens griffier) zich partijdig – ten gunste van de Ambtenaar – heeft opgesteld, faalt die klacht evenzeer. De door belanghebbende gestelde feiten en omstandigheden leveren immers niet een aanwijzing op dat het optreden van deze rechter – bijgestaan door diens griffier - in de onderhavige zaak niet voldoet aan de eis van rechterlijke onpartijdigheid. Uit de omstandigheid dat de rechter in eerste aanleg ten gunste van de Ambtenaar heeft beslist, kan niet worden geconcludeerd dat te dezen de eis van rechterlijke onpartijdigheid is geschonden.

4.5. Ingevolge artikel 17, tweede lid, van de Wet Woz moet de waarde van het object worden bepaald op de waarde die aan het object dient te worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger het object in de staat waarin dat zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Naar de bedoeling van de wetgever is deze waarde de prijs welke door de meestbiedende koper besteed zou worden bij aanbieding ten verkoop op de voor de zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding. In het onderhavige geval geldt daarbij als waardepeildatum 1 januari 2005.

4.6. De Rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de bewijslast met betrekking tot de partijen verdeeld houdende vraag of de (nader) vastgestelde waarde van het object per waardepeildatum 1 januari 2005 niet te hoog is, op de Ambtenaar rust. De beantwoording van de vraag of de Ambtenaar aan deze bewijslast heeft voldaan, hangt – uiteraard – mede af van de stellingen die door belanghebbende zijn aangevoerd en van het bewijs dat hij heeft bijgebracht.

4.7. De Rechtbank is ervan uitgegaan dat, nu in de periode van 1 januari 2005 tot 1 januari 2007 verbeteringen aan het object zijn aangebracht, bij de waardering van het object moet worden uitgegaan van de staat van het object per 1 januari 2007.

4.8. Partijen strijden in hoger beroep erover of te dezen van de toestandsdatum 1 januari 2007 dient te worden uitgegaan. Volgens de Ambtenaar heeft de door hem ingeschakelde taxateur A het object in december 2006 inpandig opgenomen en geconstateerd dat de ingrijpende verbouwing van het object nagenoeg geheel was voltooid. De in onderdeel 2.3 van deze uitspraak genoemde voorzieningen waren volgens de Ambtenaar reeds in december 2006 in het object aanwezig. Belanghebbende betwist gemotiveerd dat taxateur A het object in december 2006 inpandig heeft opgenomen. De verbouwingen zijn eerst, aldus belanghebbende, in 2007 gerealiseerd. Genoemde voorzieningen waren, aldus belanghebbende, op 1 januari 2007 nog niet aangebracht.

4.9. Ingevolge artikel 18, derde lid, aanhef en onderdeel b, van de Wet Woz – de Rechtbank verwijst ten onrechte naar het vervallen artikel 19 van de Wet Woz – wordt, indien een onroerende zaak in de twee jaren voorafgaande aan het begin van het kalenderjaar waarvoor de waarde wordt vastgesteld wijzigt als gevolg van – voor zover hier van belang – verbouwing of verbetering, de waarde bepaald naar de staat van die zaak bij het begin van het kalenderjaar waarvoor de waarde wordt vastgesteld.

4.10. Voor de beantwoording van de vraag of hier van de toestandsdatum 1 januari 2007 dient te worden uitgegaan is – anders dan waarvan belanghebbende kennelijk uitgaat – niet van belang of de verbouwingen – die, naar tussen partijen niet in geschil is, in ieder geval in 2006 zijn aangevangen – op de datum 1 januari 2007 geheel waren voltooid. Het gaat erom of op die datum sprake is van een verbetering in de zin van genoemde bepaling. In aanmerking genomen dat belanghebbende in 2006 een nieuwe cv-ketel en een andere keuken heeft geplaatst in het object, is naar het oordeel van het Hof sprake van een verbetering in zo-even bedoelde zin. Mitsdien dient te worden uitgegaan van de toestandsdatum 1 januari 2007.

4.11. Hiermee is evenwel nog niet gezegd dat het object op die datum een goede staat van onderhoud had, zoals door de Ambtenaar wordt verdedigd (taxateur C is in zijn taxatierapport ervan uitgegaan dat het object geheel gerenoveerd is). Gelet op de gemotiveerde weerspreking door belanghebbende rust op de Ambtenaar de last aannemelijk te maken dat – nu daarvan bij de waardering is uitgegaan – de in onderdeel 2.3 genoemde verbeteringen reeds op de toestandsdatum 1 januari 2007 waren aangebracht. Hierin is de Ambtenaar naar het oordeel van het Hof onvoldoende geslaagd. De stelling dat taxateur A het object ergens in december 2006 inpandig heeft opgenomen acht het Hof niet aannemelijk geworden. A heeft ter zitting desgevraagd verklaard geen aantekening te hebben gehouden van de door hem afgelegde bezoeken in het kader van de Wet Woz. Hij heeft ook geen agenda kunnen overleggen waaruit het beweerde bezoek in december 2006 blijkt. Foto’s zijn evenmin gemaakt. De eerst in 2009 door de Ambtenaar opgemaakte en door A voor akkoord getekende verklaring met betrekking tot de – beweerde – opname van het object door A in december 2006, acht het Hof niet voldoende voor de conclusie dat het bezoek van A aan het object – het Hof acht geloofwaardig dat dit bezoek heeft plaatsgevonden maar niet dat dit – reeds vóór 1 januari 2007 heeft plaatsgevonden. Gelet hierop dient te worden geconcludeerd dat in het kader van deze procedure ervan moet worden uitgegaan dat de onderhoudstoestand van het object op de toestandsdatum niet als goed kan worden aangemerkt.

4.12. De Ambtenaar verwijst ter onderbouwing van de door hem verdedigde waarde van € 244.000 naar het in onderdeel 2.6 van deze uitspraak genoemde taxatierapport van C. Nu in dit rapport echter ervan is uitgegaan dat de verbouwingen op de toestandsdatum waren voltooid en het object een goede staat van onderhoud had, kan aan dit rapport te dezen geen bewijskracht worden toegekend.

4.13. Gelet hierop – en in aanmerking genomen dat de Ambtenaar overigens onvoldoende bewijsmateriaal heeft aangedragen – moet worden geconcludeerd dat de Ambtenaar niet erin is geslaagd de door hem verdedigde waarde aannemelijk te maken.

4.14. Alsdan rijst de vraag of belanghebbende de door hem bepleite waarde aannemelijk heeft gemaakt. Die vraag beantwoordt het Hof bevestigend. In het licht van de in onderdeel 2.4 genoemde brief van taxateur B en rekening houdend met een waardevermeerdering ter zake van de geplaatste – tweedehands – keuken en cv-ketel, acht het Hof een waarde van het object per waardepeildatum 1 januari 2005 naar de toestand van het object per 1 januari 2007 van € 224.900 aannemelijk.

4.15. Het hoger beroep van belanghebbende is gegrond.

5. Proceskosten

Het Hof acht termen aanwezig voor een kostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. Het Hof stelt deze kosten, overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht, vast op € 91,50 ter zake van door hem voor de Rechtbank geclaimde verletkosten en € 22 voor reis- en verblijfkosten. Overige kosten die voor vergoeding op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht in aanmerking komen zijn niet aannemelijk geworden.

6. Beslissing

Het Gerechtshof:

- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vermindert de vastgestelde waarde van het onderhavige object tot € 224.900;

- veroordeelt de Ambtenaar in de proceskosten aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 113,50 en,

- gelast de gemeente Nijmegen aan belanghebbende het griffierecht ten bedrage van € 149 te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan te Arnhem door mr. R. den Ouden, voorzitter, mr. C.M. Ettema en mr. P.M. van Schie, in tegenwoordigheid van drs. S. Darwinkel als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 mei 2010.

De griffier, De voorzitter,

(S. Darwinkel) (R. den Ouden)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op: 27 mei 2010

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de

Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.