Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2010:BM7067

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
07-05-2010
Datum publicatie
08-06-2010
Zaaknummer
21-000758-09
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2012:BU3973, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2012:BU3973
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toepasselijkheid Aanmeldings-, Transactie- en Vervolgingsrichtlijnen voor fiscale delicten en douanedelicten 2006: Openbaar ministerie niet ontvankelijk verklaard in de strafvervolging terzake fiscaal delict, verweer strekkende tot niet ontvankelijkheid openbaar ministerie in de vervolging terzake niet-fiscaal delict verworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Sector strafrecht

Parketnummer: 21-000758-09

Uitspraak d.d.: 7 mei 2010

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Arnhem van 24 februari 2009 in de strafzaak tegen

[verdachte]

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 23 april 2010 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd (zie voor de inhoud van de vordering bijlage I). Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen namens verdachte door zijn raadsman, mr H. Jahae, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere beslissing omtrent de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie en tot een andere bewijsbeslissing komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

De verdediging heeft aangevoerd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard moet worden in de vervolging. Daartoe is aangevoerd dat het in de onderhavige zaak in wezen zou gaan om een fiscale zaak. Feit 2 betreft een zuiver fiscaal delict, terwijl feit 1 (het wiswasdelict) zozeer verweven is met de verdenking van belastingfraude dat een en ander als een geheel dient te worden gezien.

Van belang in deze zijn, aldus nog steeds de verdediging, de Aanwijzing fiscale fraude alsmede de Aanmeldings-, Transactie- en Vervolgingsrichtlijnen voor fiscale delicten en douandedelicten 2006 (verder: de ATV-richtlijnen). Uit de ATV-richtlijnen (die als recht gelden in de zin van artikel 79 RO) volgt dat niet tot vervolging van een particulier wordt overgegaan in het geval het fiscaal nadeel minder bedraagt dan € 6.000,00 (het zogenaamde drempelbedrag). Uit de stukken in de onderhavige zaak blijkt nu dat het geschatte fiscale nadeel een bedrag van € 3.750,00 betreft. De zaak had daarom niet aangemeld en vervolgd mogen worden. Nu het openbaar ministerie ongemotiveerd van deze ATV-richtlijnen is afgeweken dient naar de mening van de verdediging niet-ontvankelijkheid voor de beide ten laste gelegde feiten te volgen.

De advocaat-generaal heeft bepleit dat het openbaar ministerie wel ontvankelijk is in de vervolging van verdachte voor beide ten laste gelegde feiten. Daarbij is gewezen op de omstandigheid dat er sprake is van een combinatie van een fiscaal en een niet-fiscaal delict. Gelet op die combinatie is het niettegenstaande het gegeven dat het fiscale nadeel lager is dan het drempelbedrag toch mogelijk om tot vervolging van het fiscale delict over te gaan.

Het hof overweegt ten aanzien van het beroep van de verdediging op de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie als volgt.

- Allereerst is van belang vast te stellen dat in de ten laste gelegde periode de Aanwijzing fiscale fraude gold zoals vastgesteld op 12 december 2000, welke aanwijzing heeft gegolden tot en met 1 januari 2006. Deze aanwijzing en de bijbehorende ATV-richtlijnen zijn gepubliceerd en daarom te beschouwen als recht in de zin van artikel 79 RO. In de ten tijde van de ten laste gelegde periode geldende ATV-richtlijnen gold voor zaken waarbij particulieren verdacht werden van fiscale fraude een drempelbedrag aan fiscaal nadeel van € 5.500,00 (beneden welk bedrag particulieren in beginsel niet voor het fiscale delict worden vervolgd, zie paragraaf 4.4. van de ATV-richtlijnen). Uit het proces-verbaal in de onderhavige zaak blijkt dat het fiscale nadeel van de aan verdachte verweten handelingen € 3.750,00 bedraagt.

- Anders dan de advocaat-generaal heeft bepleit blijkt uit voormelde ATV-richtlijnen niet dat ingeval van een combinatie van een commuun delict met een fiscaal delict waarbij het drempelbedrag niet wordt gehaald toch vervolging mogelijk is. In de richtlijnen wordt weliswaar melding gemaakt van zogenaamde indicatoren, waarbij één van de indicatoren de combinatie van een fiscaal delict met een niet-fiscaal delict betreft, maar uit de richtlijn blijkt dat die indicatoren slechts van belang zijn voor het bepalen van de prioriteit in vervolging van die zaken, waarbij het drempelbedrag wèl wordt gehaald. Er wordt in de richtlijnen geen algemene uitzondering gemaakt voor de situatie dat er een combinatie is van een fiscaal delict (met een fiscaal nadeel lager dan het drempelbedrag) met een niet-fiscaal delict.

- In de toelichting bij de Aanwijzing en de ATV-richtlijnen wordt onder meer overwogen:

“(…) Voor een strafrechtelijke afdoening moet worden gekozen, indien een bestuurlijke boete, gelet op de ernst van het feit en/of de persoon van de dader, niet meer als adequate reactie kan worden aangemerkt. Daarnaast kan voor een strafrechtelijke afdoening worden gekozen, indien deze nodig wordt geacht ter ondersteuning van de bestuurlijke handhaving. Dit laatste kan bijvoorbeeld het geval zijn bij (tijdelijke) acties, gericht op specifieke doelgroepen (bedrijfstakken, regio’s etc.). In die gevallen kan er aanleiding zijn ook bij de in principe minder ernstige zaken tot strafrechtelijke vervolging over te gaan (…)”

en:

“(…) De aard van de richtlijnen sluit niet uit dat in individuele gevallen van de richtlijnen kan worden afgeweken. Zo kan van de richtlijnen worden afgeweken in geval van bestuursondersteunende inzet van het strafrecht. Hierbij valt te denken aan bijzondere acties van de Belastingdienst, doelgroepacties en specifieke acties met betrekking tot omissiedelicten (…)”

Het hof stelt allereerst vast dat er in deze geen sprake is van een zogenaamd omissiedelict noch van een specifieke actie met betrekking tot omissiedelicten. Verder stelt het hof vast dat geen sprake is geweest van bijzondere omstandigheden op grond waarvan geoordeeld zou moeten worden dat een bestuurlijke boete niet meer als adequate reactie kan worden aangemerkt. Evenmin is gebleken van (noodzaak tot) bestuursondersteunende inzet van het strafrecht. Het openbaar ministerie heeft hierop ook geen beroep gedaan.

- Het voorgaande leidt tot het oordeel dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk is in de vervolging van verdachte voor het onder 2 ten laste gelegde fiscale delict. Dit is anders ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde niet-fiscale delict. Anders dan door de verdediging bepleit gaat het hier om een commuun delict waarvoor voormelde Aanwijzing en Richtlijnen niet gelden. Het openbaar ministerie is daarom wel ontvankelijk in de vervolging van verdachte voor het onder 1 ten laste gelegde feit.

De tenlastelegging

Aan verdachte is – voor zover thans van belang - tenlastegelegd dat:

(zie voor de inhoud van de dagvaarding bijlage II)

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bespreking van verweer

Door de raadsman is aangevoerd dat verdachte niet wist dat de betalingen van A. feitelijk van misdrijf afkomstig waren. Van (voorwaardelijke) opzet op het witwassen van crimineel drugsgeld was geen sprake. Ook hebben de verdenkingen tegen A. betrekking op de periode vanaf 2005 terwijl het tenlastegelegde onder 1 betrekking heeft op het jaar 2003. De verklaring van verdachte waarin hij aangeeft dat A. waarschijnlijk inkomen had afkomstig uit het illegale circuit, is eerst in 2006 afgelegd. Dit is een veronderstelling achteraf en slaat niet op de betalingen waar het hier om gaat. Derhalve dient verdachte te worden vrijgesproken, aldus de raadsman.

Het hof verwerpt het verweer.

Verdachte heeft bij de politie op 5 december 2006 verklaard dat hij met B., zijn medeverdachte, en A. in 1995 enkele maanden een strandtent heeft geëxploiteerd in [plaatsnaam 1]. Op het moment dat A. uit de onderneming stapte reed hij in een oud Volvootje, maar een jaar later reed hij in de dikste auto’s en woonde hij in de mooiste huizen, zo heeft verdachte verklaard. Waarmee A. dat geld allemaal verdiend moet hebben was een publiek geheim, aldus verdachte. Ook heeft verdachte verklaard dat A. in 2003 bij B. is geweest met het verzoek hem te matsen. Verdachte had begrepen dat A. geld nodig had om zijn dagelijkse uitgaven te dekken. Bovendien blijkt uit het onderliggende dossier onder meer dat A. van eind 2000 tot juni 2002 betrokken was bij een hennepkwekerij in [plaatsnaam 2].

Gelet op bovenstaande acht het hof niet aannemelijk dat verdachte pas in 2006 wist dat A. in 2003 zijn geld verdiende met hennephandel.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging gekregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van de maand

januari 2003 tot en met de maand december 2003, te [plaatsnaam 3], [plaatsnaam 4] en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen,

althans alleen, ( telkens ) van (een) voorwerp(en), te weten:

- een of meer geldbedragen (in totaal – ongeveer - een geldbedrag gelegen

tussen 24.000 euro en 36.000 euro, althans een groot geldbedrag),

de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de

verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld, althans (telkens) heeft verborgen

en/of verhuld wie de rechthebbende(n) op die/dat voorwerp(en) waren/was of wie

die/dat voorwerp(en) voorhanden had(den), terwijl hij ( telkens ) wist , althans

redelijkerwijs moest vermoeden, dat die /dat voorwerp(en) - onmiddellijk of

middellijk - afkomstig waren /was uit enig misdrijf,

en /of die /dat voorwerp(en) (telkens) heeft verworven en voorhanden heeft gehad,

heeft overgedragen en/of omgezet, althans van die/dat voorwerp(en) (telkens)

gebruik heeft gemaakt, terwijl hij ( telkens ) wist, althans redelijkerwijs

moest vermoeden, dat die /dat voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk -

afkomstig waren /was uit enig misdrijf.

Het hof acht niet bewezen hetgeen onder 1 verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 bewezene levert op het misdrijf:

Witwassen, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

Het hof heeft in hoger beroep de opgelegde straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon van verdachte en zijn draagkracht. Het hof heeft daarbij het volgende in beschouwing genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan witwassen. Door het witwassen heeft verdachte er voor gezorgd dat de opbrengsten van misdrijven aan het zicht van de belastingdienst werden onttrokken en een schijnbaar legale herkomst hebben verkregen. Deze handelwijze vormt een bedreiging van de legale economie en tast de integriteit van het financiële en economische verkeer aan. Bij de straftoemeting is mede gelet op een de verdachte betreffend uittreksel uit het justitiële documentatieregister van 7 april 2010.

Het hof acht, met de politierechter en de advocaat-generaal, een geldboete van na te melden duur op zijn plaats.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 23, 24, 24c, 57 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart het openbaar ministerie ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde niet-ontvankelijk in zijn strafvervolging.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 1 meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart

verdachte strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een geldboete van EUR 7.500,00 (zevenduizend vijfhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 65 (vijfenzestig) dagen hechtenis.

Bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de verdachte daarbij opgelegde geldboete in mindering wordt gebracht volgens de maatstaf van EUR 50,00 (vijftig) per dag.

Aldus gewezen door

mr R. van den Heuvel, voorzitter,

mr J.I.M.W. Bartelds en mr A.P. Besier, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr J.P. Fuchs-van Dis, griffier,

en op 7 mei 2010 ter openbare terechtzitting uitgesproken.