Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2010:BM6928

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
08-06-2010
Datum publicatie
08-06-2010
Zaaknummer
21-003055-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

"Verzoek verdediging horen verdachte in Turkije".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Sector strafrecht

Parketnummer: 21-003055-08

Uitspraak d.d.: 8 juni 2010

TEGENSPRAAK

Tussenarrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Utrecht, nevenzittingsplaats Almelo, van 11 juli 2008 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers 08-963016-07 en 08-963004-08, tegen

[verdachte]

Het hoger beroep

De verdachte en de officier van justitie hebben tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van onderscheidenlijk 23 maart 2009, 6 oktober 2009, 2 november 2009, 8 april 2010 en 25 mei 2010 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van hetgeen door de advocaat-generaal en van hetgeen namens verdachte, door zijn raadsman mr J.H. van Dijk, advocaat te Amsterdam, naar voren is gebracht.

Aanwezigheid van verdachte bij de inhoudelijke behandeling van de zaak

In het tussenarrest van 22 april 2010 heeft het hof aangegeven na kennisneming van de vertaalde antwoorden van de Turkse autoriteiten op de vragen van de advocaten-generaal bij de zitting van 25 mei 2010 terug te zullen komen op het onderwerp van de aanwezigheid van verdachte bij de inhoudelijke behandeling van zijn zaak.

Op initiatief van het openbaar ministerie is door Nederland aan Turkije bij brief van

12 maart 2010 een rechtshulpverzoek gericht, waarop door de Turkse autoriteiten bij op 13

en 20 april 2010 binnengekomen brieven is geantwoord.

Het hof citeert:

“Met betrekking tot de vragen 1 en 2, kunnen wij u meedelen dat wat betreft de overbrenging van de betrokkene naar Nederland voor het bijwonen van de zittingen, in het nationale rechtstelsel geen regeling bestaat. Bovendien heeft de betrokkene beroep tegen zijn aanhouding aangetekend waarbij de rechtbank minstens een termijn van 30 dagen nodig heeft om deze zaak te behandelen. Daarom kan de overbrenging van de betrokkene naar een ander land de interne rechtsgang frustreren.“

Met betrekking tot vraag 3 aangaande de methode van audiovisuele verbinding, waarvan de bepalingen opgenomen zijn in het Europese Overeenkomst voor Wederzijdse Rechtshulp in Strafzaken, bijlage 2, waarbij ons land niet van de partij is, kan het volgende worden opgemerkt dat de technische infrastructuur nog niet is voltooid en dat deze methode door onze instantie niet wordt toegepast.”

en

“Met betrekking tot de vragen 4 en 5: de methoden en de formaliteiten van de tenuitvoerlegging van straf en veiligheidsvoorwaarden aangaande de gedetineerden en de gevangenen, die zich in een strafinrichting bevinden, worden bepaald door de wetten, de statuten en de verordeningen van ons land.

De methoden en de formaliteiten over de wijze waarop de gevangenen en de gedetineerden met hun advocaten contacten kunnen hebben, worden bepaald in artikel 59 van de wet nr. 5275 inzake de tenuitvoerlegging van straf en veiligheidsvoorwaarden. De verordeningen van de strafinrichtingen en de tenuitvoerlegging van straf en veiligheidsvoorwaarden zijn bepaald in artikel 84 van de statuten en het bezoekrecht van de gevangenen en de gedetineerden zijn bepaald in artikel 19 en 25 van de verordeningen.

De methoden en formaliteiten van telefonisch contact met de gevangenen en de gedetineerden, die zich in de strafinrichtingen bevinden, worden bepaald door de wet nr. 5275 inzake de tenuitvoerlegging van straf en veiligheidsvoorwaarden en de verordeningen van strafinstellingen en de tenuitvoerlegging van straf en veiligheidsvoorwaarden zijn bepaald volgens de statuten.

Volgens artikel 59 van de wet nr. 5275 inzake de tenuitvoerlegging van straf en veiligheidsvoorwaarden, heeft de gevangene zonder volmacht drie keer bezoekrecht van zijn advocaat. De advocaten kunnen hun bezoek bij vertoon van hun beroepskaart tijdens de werkuren, niet op feestdagen en in de daarvoor bestemde bezoeklokalen afleggen.

Inzake de verordeningen van de strafinstellingen en de tenuitvoerlegging van straf en veiligheidsvoorwaarden staat in paragraaf (o) van artikel 88 onder titel ‘recht tot telefonisch contact’ van de statuten geschreven dat ‘De gevangenen kunnen van buiten uit niet worden gebeld’.

Concluderend zijn de bezoeken en contacten tussen advocaten, de gevangenen en de gedetineerden, bepaald in de hierboven vermelde wetten en statuten. Dus de gevangenen en de gedetineerden kunnen niet worden opgebeld. Tevens dienen de gevangenen en de gedetineerden voor uitvoering van dit recht een formulier ‘telefonisch contact’ met vermelding van de naam van hun advocaat in te vullen. Dus er is geen wettelijk belet tot telefonisch contact.”

en

“Met betrekking tot vraag 6, is de betrokkene met het proces-verbaal nr. 2010/11170 van de procureur-generaal van Antalya veroordeeld voor ‘professioneel beroven (plunderen) en vrijheidsberoving van een persoon’ en aangehouden met het aanhoudingsmandaat nr. 2010/26, d.d. 23/2/2010 van de 5de Correctionele Rechtbank van Antalya. Tevens werd hem een verbod van landverlating opgelegd met het proces-verbaal nr. 2007/63796 van de procureur-generaal van Antalya wegens het misdrijf ‘Witwassen van waarden van bezittingen voortkomend uit een misdrijf’”.

Ter terechtzitting van het hof van 25 mei 2010 heeft de raadsman aangegeven bij zijn eerder gedane verzoek in zijn diverse geledingen te blijven.

Alvorens te beslissen op de gedane verzoeken wil het hof allereerst opmerken dat verdachte deze gehele situatie aan zichzelf te wijten heeft omdat hij zich in Nederland heeft onttrokken aan zijn berechting; verdachte is in september 2009 gevlucht naar Turkije tijdens een aan hem verleende schorsing van de voorlopige hechtenis. Vervolgens is hij ter zake van verdenking van strafbare feiten gepleegd in Turkije aldaar in voorlopige hechtenis gesteld in afwachting van de behandeling van die zaak.

- Het hof wijst het verzoek van de raadsman dat betrekking heeft op de overbrenging van verdachte af. Het hof begrijpt dat verdachte thans instemt met tijdelijke overbrenging naar Nederland. Het hof leidt uit de antwoorden van de Turkse autoriteiten echter af dat zij op diverse gronden niet instemmen met de overbrenging. De aangevoerde gronden voldoen aan de gronden die artikel 11 ERV vermeldt voor weigering van een tijdelijke overbrenging van een gedetineerde persoon.

De raadsman heeft ter zitting van het hof van 25 mei 2010 verzocht een (nader) rechtshulpverzoek aan Turkije te doen uitgaan voor de tijdelijke overbrenging van verdachte naar Nederland ten behoeve van de (inhoudelijke) behandeling van zijn zaak dat uitdrukkelijk is gebaseerd op artikel 11 ERV, nu in het antwoord van de Turkse autoriteiten alleen wordt verwezen naar het nationale Turkse recht dat aan overbrenging in de weg zou staan. Naar het oordeel van de raadsman valt onder "personen" in deze bepaling ook de verdachte te begrijpen.

Het is het hof gebleken dat noch in het antwoord van de Turkse autoriteiten noch in het rechtshulpverzoek van het openbaar ministerie aan Turkije uitdrukkelijk is verwezen naar art. 11 ERV. Naar van de kant van de advocaten-generaal is medegedeeld, houdt dit laatste verband met de omstandigheid dat volgens de Afdeling internationale rechtshulp in strafzaken van het Ministerie van Justitie deze bepaling alleen ziet op getuigen. Hoewel het hof niet kan uitsluiten dat artikel 11 ERV mede betrekking heeft op verdachten, ziet het op zich geen termen om aan de Turkse autoriteiten de vraag voor te leggen of zij de bepalingen van artikel 11 ERV in hun antwoord hebben betrokken. In de eerste plaats is duidelijk dat een beroep wordt gedaan op de uitzonderingen van artikel 11 ERV. In de tweede plaats geeft het antwoord geen aanleiding om te veronderstellen dat de status van betrokkene als getuige of verdachte verschil maakt.

Het hof merkt op dat ten tijde van doen van de vragen aan de Turkse autoriteiten door de advocaten-generaal ervan werd uitgegaan dat de inhoudelijke behandeling van de zaak in de maanden april en mei 2010 zou plaatsvinden en dat de door de Turkse autoriteiten vermelde gronden voor het standpunt dat er geen plaats is voor tijdelijke overbrenging van verdachte naar Nederland ten dele zien op feiten of omstandigheden in die periode. Het kan niet worden uitgesloten dat in die feiten en omstandigheden en het standpunt verandering is gekomen of komt voordat de thans voor oktober en november 2010 voorziene inhoudelijke behandeling plaatsvindt. Tegen deze achtergrond verzoekt het hof de advocaten-generaal hiernaar (mede onder verwijzing naar artikel 11 ERV) navraag te doen bij de Turkse autoriteiten.

- Het hof wijst het verzoek om een videoverbinding/videoconferentie af, omdat blijkens het antwoord van de Turkse autoriteiten een dergelijke verbinding technisch niet mogelijk is. Het hof heeft geen aanleiding aan de opgaven van de Turkse autoriteiten te twijfelen.

- Het hof wijst, onder verwijzing naar het antwoord van de Turkse autoriteiten op dit punt, het verzoek van de raadsman om te voorzien in telefonisch contact gedurende de zitting af.

- Het hof wijst af het verzoek om de terechtzitting tijdelijk naar Turkije te verplaatsen, omdat het naar Nederlands recht niet mogelijk is de terechtzitting buiten het rechtsgebied van een rechtbank te doen plaatsvinden (vergelijk artikelen 318 en 539a Wetboek van Strafvordering en HR 12 december 2000, NJ 2001, 240).

- Het hof wijst eveneens af het verzoek om de verdachte te doen horen door een door het hof uit zijn midden aan te wijzen raadsheer-commissaris, omdat de regeling van artikel 420 Wetboek van Strafvordering niet hierin voorziet.

- Ervan uitgaande dat de Turkse autoriteiten bij het eerdere standpunt blijven, acht het hof het – ondanks de omstandigheid dat verdachte zich (lijfelijk) aan zijn berechting in hoger beroep in deze zaak heeft onttrokken – noodzakelijk dat verdachte door de rechter-commissaris als verdachte gehoord wordt in verband met de door zijn raadsman opgegeven grond dat verdachte in de gelegenheid wordt gesteld zich uit te laten over sinds de berechting in eerste aanleg afgelegde verklaringen.

Het hof merkt op dat het de periode tussen enerzijds de behandeling van de feiten en het requisitoir van de advocaten-generaal en anderzijds het pleidooi van de raadsman voldoende acht voor overleg tussen raadsman en verdachte.

Inhoudelijke behandeling van de zaak

Door het hof zijn data vastgelegd in het hofrooster waarop deze strafzaak kan worden behandeld. De planning ziet er als volgt uit:

vrijdag 1 oktober 2010 - het horen van alle verdachten in de Sneep-1 zaak en de

toelichting op de vorderingen van de benadeelde partijen;

vrijdag 19 november 2010 - requisitoir van de advocaten-generaal;

maandag 22 november 2010 - pleidooi in de zaak tegen [verdachte];

dinsdag 23 november 2010 - pleidooi in de zaken tegen [mede-verdachte 1] en [mede-

verdachte 2];

woensdag 24 november 2010 - pleidooi in de zaken tegen [mede-verdachte 3] en [mede-

verdachte 4];

vrijdag 26 november 2010 - pleidooi in de zaak tegen [mede-verdachte 5];

maandag 29 november 2010 - uitloop/reserve dag, en

maandag 6 december 2010 - repliek, dupliek en het laatste woord.

BESLISSING

Het hof:

Heropent het onderzoek.

Wijst alle door de raadsman gedane verzoeken af.

Stelt de stukken in handen van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Utrecht, nevenzittingsplaats Almelo, met het verzoek tot het horen van verdachte, zulks uitsluitend in verband met de door verdachtes raadsman opgegeven grond dat verdachte in de gelegenheid wordt gesteld zich uit te laten over sinds de berechting in eerste aanleg afgelegde verklaringen.

Stelt de stukken in handen van de advocaten-generaal om over enige maanden, doch ruim voor de voortzetting van de behandeling, mede onder verwijzing naar artikel 11 ERV, nogmaals navraag te doen bij de Turkse autoriteiten omtrent de mogelijke aanwezigheid van verdachte bij de inhoudelijke behandeling van de zaak.

Bepaalt dat het onderzoek zal worden hervat ter terechtzitting van vrijdag 1 oktober 2010 te 09.30 uur.

Beveelt de oproeping van de verdachte tegen het hiervoor genoemde tijdstip, met tijdige kennisgeving daarvan aan de raadsman van verdachte en aan de benadeelde partijen.

Aldus gewezen door

mr J.A.W. Lensing, voorzitter,

mr J.I.M.W. Bartelds en mr P.H.A.J. Cremers, raadsheren,

in tegenwoordigheid van G. Heeres, griffier,

en op 8 juni 2010 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr Cremers is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.