Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2010:BM6774

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
11-05-2010
Datum publicatie
04-06-2010
Zaaknummer
09-00088
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2011:BP7993, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2011:BP7993
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vennootschapsbelasting.

Vorming passiefpost voor verplichting terugbetaling entreegelden door golfclub toegestaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2010, 1747 met annotatie van Bruins Slot
V-N 2010/41.2.2
FutD 2010-1392
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector belastingrecht

nummer 09/00088

uitspraakdatum: 11 mei 2010

Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

X B.V. te Z (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 29 januari 2009, nummer AWB 07/2453, in het geding tussen belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst/P (hierna: de Inspecteur).

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1 Aan belanghebbende is een aanslag vennootschapsbelasting voor het jaar 2003 (hierna: de aanslag) opgelegd, berekend naar een belastbaar bedrag van € 2.505.654, alsmede bij beschikking een verzuimboete van € 113. Aan heffingsrente is een bedrag van € 71.586 in rekening gebracht.

1.2 Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de Inspecteur bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 14 juli 2007 de aanslag verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar bedrag van € 2.501.580 en de boete gehandhaafd.

1.3 Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Arnhem (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft bij uitspraak van 29 januari 2009 het beroep inzake de aanslag gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd, de aanslag verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar bedrag van € 2.469.419 en het beroep inzake de boete ongegrond verklaard.

1.4 Belanghebbende heeft bij brief van 9 maart 2009, ingekomen bij het Hof op 10 maart 2009, tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift in hoger beroep ingediend.

1.5 Tot de stukken van het geding behoren, naast de hiervoor vermelde stukken, het van de Rechtbank ontvangen dossier dat op deze zaak betrekking heeft. Belanghebbende heeft een nader stuk ingediend. Dit stuk is gedagtekend 11 februari 2010 en op 12 februari 2010 ingekomen bij het Hof. Het Hof heeft een kopie van dit stuk naar de Inspecteur gestuurd.

1.6 Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 februari 2010 te Arnhem. Namens belanghebbende is verschenen zijn gemachtigde. De Inspecteur is eveneens verschenen.

1.7 De Inspecteur heeft voorafgaand aan het onderzoek ter zitting een pleitnota toegezonden aan het Hof en aan de wederpartij. Omdat de wederpartij – naar eigen zeggen – geen kennis heeft kunnen nemen van de inhoud van de pleitnota heeft de Inspecteur de pleitnota voorgedragen en alsnog exemplaren daarvan overgelegd aan de wederpartij. Ook belanghebbende heeft bij de mondelinge behandeling een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij. Deze pleitnota’s worden, zonder bezwaar van de wederpartij met bijlagen, door het Hof tot de stukken van het geding gerekend.

1.8 Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2. Feiten

2.1 Belanghebbende vormt met ingang van 1 januari 2001 met onder meer A B.V. een fiscale eenheid als bedoeld in artikel 15 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. Laatstgenoemde besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid exploiteert een golfbaan.

2.2 De golfbaan wordt bespeeld door diverse categorieën spelers, te weten (aspirant) jeugdleden, bedrijfsleden, bedrijfsleden die door de week mogen spelen, jaarleden en gewone leden. Alleen de gewone leden betalen een zogenoemd entreegeld; hieromtrent is in een in het jaar 2000 tussen A B.V. en de vereniging Golfclub B gesloten ‘Gebruiks-/speelrechtovereenkomst Golfclub B’ (hierna: de speelrechtovereenkomst) onder meer het volgende bepaald:

‘(…)

Financiële verplichtingen van de speler

Artikel 11.

(…)

4. Bij het accepteren (…) van een speler, is deze (…) een (…) entreegeld verschuldigd (…)

(…)

6. Van het betaalde entreegeld wordt minimaal 70% gerestitueerd indien er bij het einde van de overeenkomst ten aanzien van een individuele speler een wachtlijst van tien of meer potentiële spelers is.

Voorts wordt het entreegeld volledig gerestitueerd indien de overeenkomst ten opzichte van een individuele speler eindigt vanwege een oorzaak die voor rekening of risico komt van de vennootschap.

In alle andere gevallen dan de hier genoemde gevallen vindt geen restitutie plaats.

(...)

9. Indien een speler de betaling van speelrechtvergoeding/entreegeld niet tijdig heeft verricht, is de ven nootschap bevoegd hem te allen tijde de toegang tot het complex te ontzeggen resp. het recht tot uitoefening van het speelrecht op te schorten of de speler het speelrecht te ontnemen zonder dat een ingebrekestelling en/of rechterlijke tussenkomst is vereist. (…)

(…)

Einde overeenkomst ten opzichte van individuele spelers

Artikel 14

1 De overeenkomst eindigt ten opzichte van een individuele speler indien deze de overeenkomst opzegt. De speler kan de overeenkomst te allen tijde opzeggen tegen 1 april van enig jaar mits die opzegging geschiedt vóór 1 februari van dat jaar.

(...)

3. (… ) kan de vennootschap de overeenkomst ten opzichte van een individuele speler niet opzeggen vóór 1 april 2020.

Met ingang van 1 april 2020 is de vennootschap bevoegd de overeenkomst op te zeggen mits met inachtneming van een opzegtermijn van tenminste drie jaar en volledige restitutie van het betaalde entreegeld bij het einde van de overeenkomst.

Met ingang van 1 april 2025 is de vennootschap bevoegd de overeenkomst op te zeggen mits met inachtneming van een termijn van één jaar en volledige restitutie van het betaalde entreegeld bij het einde van de overeenkomst.

(…)’

2.3 Krachtens artikel 10a van de speelrechtovereenkomst mogen er niet meer dan 900 leden zijn die op alle dagen van de week toegang tot de 18-holesbaan hebben. Daarboven mogen nog maximaal 200 leden worden geaccepteerd die alleen van maandag tot en met vrijdag toegang tot de 18-holesbaan hebben.

2.4 Het speelseizoen loopt van 1 april tot en met 31 maart van het daarop volgende jaar. Gedurende het speelseizoen wordt de speelrechtovereenkomst door leden opgezegd. In bijna alle gevallen bestaat op het moment van opzegging een wachtlijst van 10 of meer potentiële spelers, met als gevolg dat door middel van een creditfactuur 70 percent van het betaalde entreegeld wordt gerestitueerd.

2.5 Jaarlijks zegt ongeveer 10 percent van het totale ledenaantal het lidmaatschap op.

2.6 Op 31 december 2003 bestaat een wachtlijst van 129 potentiële spelers.

2.7 Belanghebbende heeft op de balans per 31 december 2003 een passiefpost gevormd van € 1.365.602 – onder de naam ‘Lening Leden’ – voor de verplichting tot terugbetaling van de entreegelden.

2.8 Over de jaren 2004 tot en met 2009 is in totaal € 500.980 gerestitueerd, derhalve gemiddeld per jaar € 83.497.

2.9 In verband met de aanleg van de golfbaan en de driving range zijn aan belanghebbende weilanden in erfpacht gegeven. Er zijn twee aktes van erfpacht, namelijk een van 23 maart 1995 en een van 27 juni 1995 (hierna: de aktes). De inhoud van de aktes luidt – voor zover van belang:

‘(…)

Artikel 1.1 Duur van het recht

De uitgifte in erfpacht is geschied voor een periode van achttien jaar, ingaande op een januari negentienhonderdvijfennegentig en eindigende op een januari tweeduizenddertien, behoudens eventuele verlenging van de duur overeenkomstig artikel 1.2.

Artikel 1.2 Verlenging

a. Uiterlijk zes maanden voor het verstrijken van de in lid 1 vermelde duur zal erfpachter aan de grondeigenaar meedelen of hij gebruik wenst te maken om het erfpachtsrecht te verlengen met een periode van zes jaar.

b. Mocht de erfpachter van deze mogelijkheid gebruik hebben gemaakt, dan heeft hij wederom de mogelijkheid om zes maanden voor het verstrijken van de verlengde duur wederom te verlengen met een periode van zes jaar.

c. Heeft de erfpachter ook van deze tweede verlengingsmogelijkheid gebruik gemaakt, dan verleent de grondeigenaar bij deze aan de erfpachter het recht om in onderling overleg te komen tot verlenging na het verstrijken van de termijn van dertig jaar. Uiterlijk een jaar voordien zal erfpachter aan de grondeigenaar meedelen of van deze mogelijkheid gebruik gemaakt zal worden, waarbij partijen alsdan in onderling overleg naar redelijkheid en billijkheid overeenstemming dienen te bereiken over de hoogte van de canon en de verdere voorwaarden. (…).

Artikel 8 Verbeteringswerken

(…)

2. Erfpachter kan na verkregen toestemming van de eigenaar voor eigen rekening verbeteringswerken op het erfpachtsgoed uitvoeren. (…). Eigenaar is niet gehouden tot het betalen van een vergoeding voor deze verbeteringswerken aan erfpachter, tenzij dit in de toestemming wordt vastgelegd en zo ja op welke wijze een vergoeding dan wordt verleend.’

Artikel 10 Recht van aankoop door erfpachter

1. De erfpachter en zijn rechtsopvolger(s) is/zijn gerechtigd tot aankoop van het registergoed: indien de eigenaar tot vervreemding van het registergoed of een gedeelte daarvan wil overgaan, voor het deel dat de eigenaar wil vervreemden …

(…).

3. De koopprijs wordt berekend door drie deskundigen. (…)’

2.10 Belanghebbende heeft in de periode 1994 tot en met 2003 in totaal € 1.374.447 geïnvesteerd in de aanleg van de golfbaan en de driving range, gespecificeerd als volgt:

C Golfbaan Adviseurs € 69.415

D B.V. € 1.098.286

Leges € 1.752

Overige investeringen € 204.994

C Golfbaan Adviseurs heeft de golfbaan ontworpen. D B.V. heeft de golfbaan aangelegd, waarbij onder meer waterpartijen zijn gegraven, heuvels zijn opgeworpen, beplanting is aangebracht en tees, fairways, bunkers en greens zijn aangelegd.

2.11 Belanghebbende heeft over genoemde investeringen € 714.387 afgeschreven. De Inspecteur heeft deze afschrijvingen voor een bedrag van € 569.044 gecorrigeerd, daarbij stellende dat de investeringen – met uitzondering van € 204.994 – worden beschouwd als investeringen in grond waarop niet kan worden afgeschreven. De Inspecteur heeft afschrijving over € 204.994 toegestaan aangezien in zoverre de investeringen (beregening- en drainagesystemen) aan technische slijtage onderhevig zijn.

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1 In geschil is of en in hoeverre belanghebbende een passiefpost mag opnemen voor de verplichting tot terugbetaling van de entreegelden en of belanghebbende mag afschrijven op de investeringen in de golfbaan en de driving range. Belanghebbende beantwoordt deze vragen bevestigend; de Inspecteur ontkennend.

3.2 Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Daaraan hebben zij ter zitting toegevoegd hetgeen is vermeld in het aan deze uitspraak gehechte proces-verbaal van de zitting.

3.3 Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en van de uitspraak op bezwaar en tot vaststelling van de aanslag tot een aanslag berekend naar een belastbaar bedrag van € 566.934, aanvullend te verminderen met een bedrag van € 94.539 in verband met de opgelegde naheffingsaanslagen omzetbelasting over het jaar 1999 (ad € 41.781) en over het tijdvak 1 januari 2000 tot en met 31 december 2003 (ad € 52.758).

3.4 De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4. Beoordeling van het geschil

Terugbetaling entreegelden

4.1 Uit artikel 11, lid 6, van de speelrechtovereenkomst blijkt dat belanghebbende 70 percent van het entreegeld dient terug te betalen indien het lid opzegt en er op dat moment een wachtlijst van 10 of meer potentiële spelers is. Vaststaat dat in bijna alle gevallen op het moment van opzegging er een wachtlijst van 10 of meer potentiële spelers bestaat, zodat belanghebbende 70 percent van het betaalde entreegeld dient te restitueren.

4.2 Uit het arrest van 25 juli 2000, nr. 34.255, LJN: AA6600, BNB 2001/1, kan worden afgeleid dat passivering verplicht is indien op de balansdatum juridisch afdwingbare en voldoende bepaalbare verplichtingen bestaan, waaronder ook de voorwaardelijke verplichtingen vallen. In het arrest van 11 juli 1984, nr. 22 146, LJN: AW8465, BNB 1985/1, oordeelde de Hoge Raad dat voor de vraag of op de balansdatum juridisch afdwingbare verplichtingen bestaan, beslissend is of deze objectief gezien bestonden.

4.3 In het onderhavige geval ontstaat er een terugbetalingsverplichting indien er ten tijde van de opzegging een wachtlijst van 10 of meer potentiële spelers is. Deze voorwaarde is objectief, in die zin dat het al dan niet vervuld raken van de voorwaarde geheel buiten de invloedssfeer van partijen omgaat. Op grond hiervan is er naar het oordeel van het Hof op de balansdatum sprake van een voorwaardelijke juridische afdwingbare en voldoende bepaalbare verplichting waarvan passivering verplicht is.

4.4 De stelling van belanghebbende dat een voorziening kan worden gevormd, behoeft derhalve geen behandeling meer, evenmin de stelling dat het niet mogen passiveren in strijd is met het voorzichtigheidsbeginsel.

4.5 Het Hof dient nu te beoordelen welk bedrag kan worden gepassiveerd. Vaststaat dat jaarlijks ongeveer 10 percent van het totale ledenaantal opzegt en dat alleen de gewone leden entreegeld hebben betaald. Zoals hiervoor in 2.8 is vermeld, is in de periode 2004 tot en met 2009 per jaar gemiddeld € 83.497 gerestitueerd. Er van uitgaande dat in de periode 2004 tot en met 2013 elk jaar € 83.497 dient te worden gerestitueerd, berekent het Hof – met inachtneming van de contante waarde en een rente van 4 percent – de verplichting per 31 december 2003 op € 677.235.

4.6 Belanghebbende stelt verder dat kan worden gepassiveerd omdat het recht van erfpacht bij niet-verlenging per 1 januari 2013 eindigt en bij verlenging per 1 januari 2019 dan wel 1 januari 2025 eindigt. Bij beëindiging kan niet meer worden gegolfd waardoor op grond van artikel 11, lid 6, van de speelrechtovereenkomst – omdat deze oorzaak voor rekening of risico van belanghebbende komt – het entreegeld volledig dient te worden gerestitueerd. Krachtens artikel 1.1 van de aktes eindigt de erfpacht op 1 januari 2013. Op grond van artikel 1.2 van de aktes kan belanghebbende op eigen verzoek de erfpacht met tweemaal zes jaar verlengen, dus uiterlijk tot 1 januari 2025. Na 1 januari 2025 bestaat ook nog de mogelijkheid van verlenging van de erfpacht, zij het dat partijen dan in overleg treden over de voorwaarden. Het Hof is van oordeel dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat op 31 december 2003 enig risico bestond dat belanghebbende de erfpacht zou beëindigen. Met een terugbetalingsverplichting op grond van artikel 11, lid 6, van de speelrechtovereenkomst, kan derhalve geen rekening worden gehouden.

4.7 Belanghebbende stelt ten slotte dat kan worden gepassiveerd omdat belanghebbende op grond van artikel 14, lid 3, van de speelrechtovereenkomst, de overeenkomst kan opzeggen. Hierdoor dient op grond van artikel 11, lid 6, van de speelrechtovereenkomst het entreegeld volledig te worden gerestitueerd. Het Hof is van oordeel dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat op 31 december 2003 enig risico bestond dat belanghebbende de speelrechtovereenkomst zou opzeggen. Met een terugbetalingsverplichting op grond van artikel 11, lid 6, van de speelrechtovereenkomst, kan derhalve geen rekening worden gehouden.

Afschrijving golfbaan

4.8 De Inspecteur stelt dat over een gedeelte van de totale investeringen (€ 1.374.447 -/- € 204.994 = € 1.169.453) niet kan worden afgeschreven omdat het investeringen betreft in grond waarop niet kan worden afgeschreven. Belanghebbende stelt dat geen sprake is van een blijvende waardevermeerdering van de grond. Het Hof stelt voorop dat belanghebbende dit aannemelijk dient te maken.

4.9 Belanghebbende voert allereerst aan dat de door haar gepleegde investeringen op grond van artikel 8 van de aktes bij het einde van de erfpacht niets meer waard zijn; zij gaat er daarbij van uit dat de erfpacht – krachtens artikel 1.1 van de aktes – eindigt op 1 januari 2013. De Inspecteur stelt dat het recht van erfpacht door de mogelijkheid van verlenging in principe voor onbepaalde tijd is aangegaan.

4.10 Op grond van artikel 1.2 van de aktes kan belanghebbende op eigen verzoek de erfpacht met tweemaal zes jaar verlengen, dus uiterlijk tot 1 januari 2025. Na 1 januari 2025 bestaat ook nog de mogelijkheid van verlenging van de erfpacht, zij het dat partijen dan in overleg treden over de voorwaarden. Het Hof is van oordeel dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat op 31 december 2003 enig risico bestond dat ultimo 2012 de erfpacht niet door belanghebbende zal worden verlengd.

4.11 Verder stelt belanghebbende dat in de golfwereld en voor de waardering voor de Wet waardering onroerende zaken wordt uitgegaan van een technische veroudering van de golfbaan. De Inspecteur betwist dit gemotiveerd door te stellen dat de tees, greens en fairways dagelijks worden bijgehouden en de hiermee verband houdende kosten als onderhoudskosten direct ten laste van de winst worden gebracht; er is wel afschrijving mogelijk en toegestaan over de inrichtingen van de golfbaan (beregening- en drainagesystemen). Naar het oordeel van het Hof heeft belanghebbende de stelling van de Inspecteur onvoldoende ontkracht en daarmee niet aannemelijk gemaakt dat in het onderhavige geval sprake is van een technische veroudering van de golfbaan.

4.12 Belanghebbende betoogt dat de golfbaan aan economische veroudering onderhevig is, waarbij wordt verwezen naar een verklaring van E, senior golfbaan architect. Laatstgenoemde verklaart dat de exploitant van een golfbaan, om zijn baan aantrekkelijk te houden en om geen cliënten aan andere modernere banen te verliezen, met zijn tijd mee zal moeten gaan en vaak tot grootscheepse reconstructie moet overgaan. Hij verklaart verder:

‘(…)

Ook is een goed voorbeeld de aanpassing op golfbaan B. Daar was de reconstructie van hole 15, 16 en 17 de meest urgente activiteit. Omdat de waterdoorlaatbaarheid van de bodem een kritische grens was gepasseerd (…) zijn er nieuwe afwateringsloten gegraven. Meteen is van de gelegenheid gebruik gemaakt om onderdelen opnieuw aan te leggen om ze uitdagender te maken en meer in overeenstemming met de eisen van deze tijd.

(…)’

De Inspecteur betwist dit gemotiveerd door te stellen dat belanghebbende niet voornemens is de golfbaan na een periode van 18 jaar na aanleg radicaal te wijzigen. Naar het oordeel van het Hof heeft belanghebbende de stelling van de Inspecteur onvoldoende ontkracht en daarmee niet aannemelijk gemaakt dat in het onderhavige geval sprake is van een economische veroudering van de golfbaan (vgl. HR 29 maart 1972, nr. 16.764, LJN: AY4428, BNB 1972/101). Overigens heeft de Inspecteur wel afschrijving toegestaan over de beregening- en drainagesystemen.

4.13 Het voorgaande brengt mee dat alleen over de overige investeringen ad € 204.994 kan worden afgeschreven. Een deel van deze investeringen heeft in de jaren 2001, 2002 en 2003 plaatsgevonden. Aangezien deze investeringen in 4 jaar worden afgeschreven, zal een deel van de afschrijving – voor een bedrag volgens de Rechtbank van € 54.882 – in de jaren vanaf 2004 geschieden. Belanghebbende heeft derhalve tot en met 2003 over een bedrag van € 150.112 (€ 204.994 -/- € 54.882) mogen afschrijven. De Inspecteur heeft een afschrijving toegestaan van (€ 714.387 -/- € 569.044 =) € 145.343. Belanghebbende mag derhalve nog

(€ 150.112 -/- € 145.343 =) € 4.769 afschrijven.

Gelijkheidsbeginsel

4.14 Belanghebbende stelt onder verwijzing naar de brief van 16 juni 2009 van de F aan haar dat afschrijvingen op investeringen en de kwalificatie van (voorwaardelijke) terugbetalingsverplichtingen als leningen door de belastingdienst voor de bij de F aangesloten leden worden aanvaard. Dit beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt reeds omdat het onvoldoende gespecificeerd is.

Omzetbelasting

4.15 Belanghebbende concludeert – zie 3.3 hiervoor – tot vaststelling van de aanslag tot een aanslag berekend naar een belastbaar bedrag van € 566.934, aanvullend te verminderen met een bedrag van € 94.539 in verband met de opgelegde naheffingsaanslagen omzetbelasting over het jaar 1999 (ad € 41.781) en over het tijdvak 1 januari 2000 tot en met 31 december 2003 (ad € 52.758), onder de voorwaarde dat het Hof de in de beroepsfase door de Rechtbank geoordeelde niet-ontvankelijkheid van het beroep bevestigt. Ter zitting is door de Inspecteur verklaard hiermee in te stemmen mits genoemd bedrag van € 94.539 niet ook in het jaar van betaling ten laste van de winst wordt gebracht. Ter zitting zegde belanghebbende dit toe.

Heffingsrente

4.16 Het beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de heffingsrente (zie Hoge Raad 27 november 2009, nr. 07/13621, LJN BJ7907). Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte heffingsrente aangevoerd. Het Hof is ook overigens niet gebleken dat de bepalingen met betrekking tot de heffingsrente onjuist zijn toegepast.

Slotsom

Het hoger beroep is gegrond. Het Hof berekent het belastbaar bedrag als volgt:

Conform uitspraak op bezwaar € 2.501.580

Af: passivering (zie 4.5) -/- 677.235

Af: afschrijving (zie 4.13) -/- 4.769

Belastbaar bedrag € 1.819.576

5. Kosten

De proceskosten van belanghebbende zijn in overeenstemming met het Besluit proceskosten bestuursrecht te berekenen op 2 (1 punt voor beroepschrift + 1 punt voor verschijnen ter zitting) ? € 322 ? 1 (gewicht van de zaak) = € 644 aan kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand en op de reiskosten, uitgaande van openbaar vervoer, begroot op € 22.

6. Beslissing

Het Hof:

- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, behoudens de beslissingen omtrent de verzuimboete, de proceskosten en het griffierecht;

- verklaart het beroep bij de Rechtbank gegrond;

- vernietigt de uitspraken op bezwaar;

- vermindert de aanslag tot een aanslag berekend naar een belastbaar bedrag van € 1.819.576;

- bepaalt dat dit bedrag van € 1.819.576 met € 94.539 wordt verminderd op het moment dat de uitspraken van het Hof in de zaken met nummers 09/00086 en 09/00087 – die ook heden zijn uitgesproken – onherroepelijk zijn komen vast te staan;

- vermindert de heffingsrente dienovereenkomstig;

- veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten aan de zijde van belanghebbende tot een bedrag van € 666;

- gelast de Staat aan belanghebbende te vergoeden het door haar ter zake van de procedure in hoger beroep betaalde griffierecht van € 433.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, mr. J. Lamens en mr. P.M. van Schie, in tegenwoordigheid van mr. N. ten Broek als griffier.

De beslissing is op 11 mei 2010 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(N. ten Broek) (B.F.A. van Huijgevoort)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 18 mei 2010.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.