Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2010:BM6745

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
03-06-2010
Datum publicatie
03-06-2010
Zaaknummer
21-004683-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Voorbereiding van een overval op een supermarkt (feit 1) en diefstal van een motor (feit 2).

Naar het oordeel van het hof is ten aanzien van feit 1 aannemelijk geworden dat er sprake is geweest van vrijwillige terugtred door verdachte. Verdachte wordt daarom ten aanzien van dat feit ontslagen van alle rechtsvervolging. Ten aanzien van feit 2 wordt verdachte veroordeeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Sector strafrecht

Parketnummer: 21-004683-09

Uitspraak d.d.: 3 juni 2010

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Utrecht van

26 november 2009 in de strafzaak tegen

[Verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum]

zonder vaste woon- of verblijfplaats.

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 20 mei 2010 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd (zie voor de inhoud van de vordering bijlage I). Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr J.W.P. Beijen, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het ten aanzien van feit 1 tot een andere beslissing ten aanzien van de strafbaarheid van verdachte komt.

Het hof zal daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1.

hij in of omstreeks 7 augustus 2009 te Vinkeveen, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, ter

voorbereiding van het misdrijf om

- tezamen en in vereniging met een ander

of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening,

weg te nemen geld en/of goederen van zijn/hun gading, geheel of ten dele

toebehorende aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn

mededader(s), en daarbij de diefstal te doen voorafgaan en/of te doen

vergezellen en/of te doen volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen

anderen, en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een)

andere deelnemer(s)van dat misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken,

hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

en/of

- tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het

oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door

geweld en/of bedreiging met geweld een ander te dwingen tot afgifte van geld

en/of goederen van zijn/hun gading, in elk geval van enig goed, geheel of ten

dele toebehorende aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn

mededader(s),

opzettelijk twee, althans één, bivakmuts(en) en/of twee, althans één, helm(en)

en/of meerdere handschoenen en/of een rol tape en/of zwarte kleding en/of een

balletjespistool en/of een replica van een pistool (Walther CP99) en/of een

tas en/of een motor,

bestemd tot het begaan van dat misdrijf, heeft verworven en/of vervaardigd

en/of ingevoerd en/of doorgevoerd en/of uitgevoerd en/of voorhanden heeft

gehad.

2.

Primair

hij in of omstreeks de periode van 6 augustus 2009 tot en met 7 augustus 2009

te Hilversum, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of

anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening

heeft weggenomen een motor, merk Honda, type Pc25, kenteken MNJV11, in elk

geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij 1], in elk

geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en / of zijn mededader(s).

Subsidiair

hij op of omstreeks de periode van 06 augustus tot en met 07 augustus 2009 te

Vinkeveen, gemeente De Ronde Venen en/of te Hilversum, in elk geval in

Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

een motor, merk Honda, type Pc25, kenteken MNJV11 heeft verworven, voorhanden

heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten

tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die motor wist(en) dat

het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging gekregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij in of omstreeks 7 augustus 2009 te Vinkeveen, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, ter

voorbereiding van het misdrijf om

- tezamen en in vereniging met een ander

of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening,

weg te nemen geld en/of goederen van zijn/hun gading, geheel of ten dele

toebehorende aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn

mededader(s), en daarbij de diefstal te doen voorafgaan en/of te doen

vergezellen en/of te doen volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen

anderen, en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een)

andere deelnemer(s)van dat misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken,

hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

en/of

- tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het

oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door

geweld en/of bedreiging met geweld een ander te dwingen tot afgifte van geld

en/of goederen van zijn/hun gading, in elk geval van enig goed, geheel of ten

dele toebehorende aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn

mededader(s),

opzettelijk twee, althans één, bivakmuts(en) en/of twee, althans één, helm(en)

en/of meerdere handschoenen en/of een rol tape en/of zwarte kleding en/of een

balletjespistool en/of een replica van een pistool (Walther CP99) en/of een

tas en/of een motor,

bestemd tot het begaan van dat misdrijf, heeft verworven en/of vervaardigd

en/of ingevoerd en/of doorgevoerd en/of uitgevoerd en/of voorhanden heeft

gehad.

2.

Primair

hij in of omstreeks de periode van 6 augustus 2009 tot en met 7 augustus 2009

te Hilversum, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of

anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening

heeft weggenomen een motor, merk Honda, type Pc25, kenteken MNJV11, in elk

geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij 1]. in elk

geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en / of zijn mededader(s).

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezene levert op het misdrijf:

ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde:

Voorbereiding van afpersing, terwijl het feit werd gepleegd door twee of meer verenigde personen.

ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde:

Diefstal door twee of meer verenigde personen.

Strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van feit 1

Het beroep van verdachte op vrijwillige terugtred

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft betoogd dat er sprake is van vrijwillige terugtred door verdachte als bedoeld in artikel 46b Sr. Verdachte, aldus de verdediging, heeft op eigen initiatief en zonder dat er sprake was van een van buiten komende oorzaak, zoals betrapping of politie-ingrijpen, tijdig besloten om de voorgenomen overval op de supermarkt niet door te laten gaan en om te vertrekken vanaf de plaats bij de supermarkt waar hij zich verborgen hield. Hij is daarbij niet in de richting van de supermarkt gelopen, maar heeft zich meteen verwijderd van de parkeerplaats bij de supermarkt in de richting van een pad door de bosjes dat naar een bruggetje voerde. Hij is, samen met zijn medeverdachte, dat bruggetje overgegaan en verder weggelopen. Kort daarna heeft verdachte de plunjezak, met daarin alle voor de overval aangeschafte voorwerpen, weggegooid. Verdachte noch zijn medeverdachte heeft enige uitvoeringshandeling voor de overval verricht. Verdachte is zelf tot inkeer gekomen. Hij zag alles voor zich wat hij zou kwijt raken en heeft daarom, en uit angst, besloten zijn plan niet door te zetten.

Het standpunt van het openbaar ministerie

Het openbaar ministerie is van oordeel dat, gelet op de in de jurisprudentie en de literatuur genoemde eisen, te stellen aan vrijwillige terugtred, van een dergelijke terugtred in deze zaak geen sprake is en dat het beroep van verdachte op deze strafuitsluitingsgrond moet worden verworpen. De advocaat-generaal heeft hierbij onder meer van belang geacht dat verdachte (voorzien van rechtsbijstand) betrokkenheid bij een voorgenomen overval aanvankelijk heeft ontkend en niet dadelijk heeft verklaard dat hij van zijn plan heeft afgezien. Voorts acht zij van belang, dat uit de verklaring van de getuige [getuige 1] kan worden afgeleid, dat verdachte wel degelijk in de richting van de supermarkt was gelopen ter uitvoering van het voornemen de overval te plegen, maar dat hij zich heeft bedacht toen een derde personeelslid ([getuige 1]) zich bij de andere twee reeds aanwezige personeelsleden ([getuige 2] en [getuige 3]) voegde. Het is, aldus de advocaat-generaal, in dit licht opmerkelijk dat verdachte zich van de plek des onheils verwijderde op het moment dat betrapping waarschijnlijk was, in plaats van dat hij gewoon in de bosjes heeft afgewacht tot al het personeel de supermarkt was binnengegaan, zodat hij onopgemerkt had kunnen vertrekken.

Het oordeel van het hof

Op grond van de zich in het dossier bevindende stukken alsmede op grond van de verklaringen die verdachte tegenover de rechter-commissaris, ter terechtzitting in eerste aanleg en ter terechtzitting in hoger beroep heeft afgelegd staan de volgende feiten vast.

Verdachte en zijn medeverdachte hebben tezamen het plan gemaakt om op 7 augustus 2009 de supermarkt Super de Boer, gevestigd aan de Plevierenlaan 7-13 te Vinkeveen, te overvallen. Door dreiging met (nep)vuurwapens wilden zij het aanwezige personeel van de supermarkt dwingen tot afgifte van het aanwezige geld. Verdachte en zijn medeverdachte hadden met het oog op de uitvoering van dit plan voor onder meer zwarte kleding, een plunjezak, bivakmutsen en nepvuurwapens (een gaspistool en een “balletjespistool”) gezorgd en de dag voor de geplande overval in Hilversum een motorfiets gestolen. In de vroege ochtend van de zevende augustus 2009 zijn zij met de gestolen motorfiets naar Vinkeveen gereden en hebben zij de motorfiets op de parkeerplaats bij de supermarkt geparkeerd en afgedekt met een zeil. Vervolgens hebben zij zich met de plunjezak met alle voor de overval benodigde spullen en met bivakmutsen over hun hoofd verscholen in de bosjes naast de parkeerplaats bij de supermarkt. Een van de verdachten bevond zich in de bosjes ter hoogte van de zeecontainer, de andere bevond zich ter hoogte van het elektriciteitshuisje.

De drie personeelsleden, die verdachte en zijn medeverdachte die ochtend hebben gezien bij de supermarkt, zijn als getuige gehoord.

Als eerste personeelslid van de supermarkt verscheen die ochtend omstreeks 05.50 uur de getuige [getuige 2] bij de supermarkt. Hij heeft als getuige onder meer verklaard dat hij die ochtend zijn personenauto parkeerde naast het elektriciteitshuisje. Hij zag dat er vermoedelijk een motorfiets onder een dekzeil stond en vertrouwde de situatie niet helemaal. Hij wilde eigenlijk de politie bellen om die motorfiets te laten controleren, maar hij had zijn mobiele telefoon niet bij zich. Na ongeveer drie minuten kwam zijn collega [getuige 3] ter plaatse. Hij stond toen bij de deur van de personeelsingang. [Getuige 3] kwam naar hem toe en hij stak de sleutel in het bovenste slot van bedoelde deur en opende dat slot. Vervolgens stak hij de sleutel in het onderste slot. Op dat moment hoorde hij lawaai vanuit de bosjes. Hij zag ineens een persoon lopen met een bivakmuts op zijn hoofd. Die persoon kwam van achter het elektriciteitshuisje vandaan. Hij vroeg aan [getuige 3] of hij haar mobiele telefoon mocht gebruiken om 112 te bellen. Toen zag hij [getuige 1], een andere collega, de hoek om komen lopen. Vervolgens zag hij een tweede persoon, ook in het zwart gekleed met een bivakmuts op het hoofd, nabij zijn auto lopen. Die tweede persoon liep weer achter het elektriciteitshuisje en kwam weer tevoorschijn met een grote zwarte tas in zijn handen. [Getuige 1] zei toen “wat is hier aan de hand?”. [Getuige 2] zei tegen [getuige 1] dat hij 112 moest bellen. Hij zag vervolgens dat de twee personen het bruggetje opliepen richting de Scholeksterlaan. Een van de twee mannen deed zijn bivakmuts af. De mannen liepen rustig weg.

Als tweede personeelslid kwam die ochtend de getuige [getuige 3] ter plaatse. Zij heeft verklaard dat zij die ochtend, toen zij naar haar werk fietste, in de bosjes naast de zeecontainer een in het zwart gekleed persoon zag staan die een bivakmuts op had. Zij is doorgefietst naar de winkel, zette haar fiets in de stalling en liep naar [getuige 2] toe. Zij vertelde hem niet dat zij zojuist een man in de bosjes had zien staan. Tijdens het openmaken van de sloten door [getuige 2] hoorden zij iets ritselen. Ze keken allebei in de richting van de zeecontainer en zagen een geheel in het zwart gekleed persoon uit de bosjes komen lopen. Deze persoon liep in de richting van het grote parkeerterrein achter de supermarkt. De persoon droeg een zwarte tas. Hij liep in de richting van het bruggetje. Vanuit de richting van het parkje kwam een tweede persoon, ook geheel in het zwart gekleed, te voorschijn. Beiden liepen in de richting van het bruggetje. [Getuige 1] kwam er ook aan. [Getuige 2] heeft toen aan [getuige 1] gevraagd of hij een telefoon bij zich had. Met deze telefoon heeft [getuige 1] 112 gebeld. Tijdens het bellen liepen beide personen over het bruggetje in de richting van de Scholeksterlaan. Ze liepen gewoon rustig.

De derde getuige die ter plaatse kwam die ochtend betreft [getuige 1], ook personeelslid van de bewuste supermarkt. Hij heeft onder meer verklaard dat hij rond 05.50 uur zijn auto parkeerde in de wijk tegenover het winkelcentrum. Om de supermarkt te kunnen bereiken moest hij de Plevierenlaan oversteken en kwam hij uit op het smalle gedeelte van de parkeerplaats naast het winkelcentrum. Om bij de deur te komen die hij moest openen moest hij rechts de bocht om. Toen hij op het smalle stuk van de parkeerplaats liep zag hij links van zich twee meterkasten (naar het hof begrijpt bedoelt de getuige hier onder andere het eerder genoemde elektriciteitshuisje). Achter de meterkasten stond de auto van [getuige 2]. [Getuige 1] zag toen een persoon vanaf de Super de Boer in de richting van deze meterkasten lopen. Hij was geheel in het zwart gekleed en droeg een bivakmuts. Hij zag dat deze persoon een zwarte tas pakte. De getuige liep de hoek om en zag [getuige 2] staan. [Getuige 2] vroeg hem om zijn mobiele telefoon. Hij wilde 112 bellen. [Getuige 1] gaf zijn telefoon aan [getuige 2] en keek weer naar de plaats waar hij de man had gezien. Hij zag toen die man voor de auto van [getuige 2] langs in de richting van een paadje lopen. De man deed zijn bivakmuts af. Op dat moment zag [getuige 1] een tweede man. Samen liepen de mannen weg over het bruggetje.

Naar het oordeel van het hof is aannemelijk geworden dat er sprake is geweest van vrijwillige terugtred door verdachte. Hierbij neemt het hof het volgende in aanmerking:

- Zowel verdachte als zijn medeverdachte hebben verklaard dat het de bedoeling was dat zij de aanwezige personeelsleden zouden dwingen tot afgifte van het geld. Het hof leidt daaruit af dat de aanwezigheid van personeelsleden die ochtend door verdachte en zijn medeverdachte ingecalculeerd was en dat het verschijnen van meer personeelsleden geen verrassing voor verdachten was. Anders gezegd: het is niet aannemelijk dat die aanwezigheid van personeelsleden heeft gewerkt als externe omstandigheid die verdachte ertoe heeft gebracht om af te zien van de overval.

- Uit niets blijkt dat verdachte zich er bewust van is geweest dat de getuige [getuige 3] hem of zijn medeverdachte in de bosjes bij de parkeerplaats heeft zien staan toen zij kwam aanfietsen. Zij heeft ook geen alarm geslagen of - toen [getuige 2] bezig was de sloten van de deur naar de personeelsingang te openen - die [getuige 2] op de aanwezigheid van die door haar in de bosjes geziene man geattendeerd en [getuige 3] noch [getuige 2] heeft op dat moment al door woorden of gedragingen laten blijken verdachte en/of zijn medeverdachte te hebben “betrapt”. Naar het oordeel van het hof zijn er geen gedragingen van deze getuigen die invloed hebben gehad op de beslissing van verdachte om uit de bosjes tevoorschijn te komen en zijn plan voor de overval niet door te zetten.

- Niet is komen vast te staan dat, zoals de advocaat-generaal heeft betoogd, verdachte in de richting van de supermarkt zou zijn gelopen toen hij uit de bosjes tevoorschijn kwam. Zowel de getuige [getuige 2] als de getuige [getuige 3] verklaren immers dat de man, nadat hij uit de bosjes kwam, meteen wegliep in de richting van het paadje dat naar het bruggetje leidde. Voor zover uit de verklaring van [getuig 1] al iets anders zou kunnen worden opgemaakt, hecht het hof meer waarde aan de verklaringen beide eerstgenoemde getuigen.

- Op grond van de getuigenverklaringen staat verder vast dat [getuige 2] pas naar de politie is gaan bellen op het moment dat verdachte al wegliep richting het bruggetje, dus weg van de supermarkt. Niet gebleken is dat verdachte voordat hij uit zijn schuilplaats kwam al [getuige 2] heeft zien of horen bellen en daarom heeft afgezien van de overval.

- Verdachte heeft desgevraagd ter zitting van het hof verklaard dat de (nep)vuurwapens niet uit de plunjezak zijn geweest. Nu geen van de getuigen heeft verklaard te hebben gezien dat verdachte een (nep)vuurwapen in de hand had, heeft het hof geen reden geen geloof aan de verklaring van de verdachte te hechten. Het hof betrekt daarbij dat het gelet op het plan voor de overval, dat voorzag in het onder dreiging met die nepwapens dwingen van het personeel tot afgifte van geld, ook niet aannemelijk is dat verdachte zonder zijn nepwapen in de hand aan de overval wilde beginnen.

- Anders dan de advocaat-generaal en de rechtbank is het hof van oordeel dat het gegeven dat verdachte, terwijl hij voorzien was van rechtskundige bijstand, aanvankelijk zijn aandeel in het gebeuren heeft ontkend, niet in de weg staat aan een geslaagd beroep op vrijwillige terugtred. Verdachte heeft zich op advies van zijn eerste raadsman op zijn zwijgrecht beroepen. De opvolgend raadsman van verdachte heeft ter zitting van het hof aangegeven dat verdachte op zijn advies eerst een verklaring heeft afgelegd nadat deze raadsman het dossier had kunnen bestuderen.

Het voorgaande leidt tot het oordeel dat verdachte ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde feit moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van feit 2

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Het hof heeft bij de straftoemeting in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de diefstal van een motor. Dit feit heeft overlast en financiële schade veroorzaakt voor het slachtoffer.

Het hof heeft in acht genomen de oriëntatiepunten straftoemeting en LOVS-afspraken, welke zijn gepubliceerd op www.rechtspraak.nl. In die oriëntatiepunten wordt voor diefstal van een auto, naar het oordeel van het hof is dit vergelijkbaar met de diefstal van een motor, in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vijf weken geïndiceerd.

Het hof heeft verder gelet op het Uittreksel Justitieel Documentatieregister ten name van verdachte gedateerd 4 mei 2010, waaruit blijkt dat hij weliswaar eerder voor strafbare feiten, maar niet eerder voor een soortgelijk delict, is veroordeeld.

Het hof neemt het verdachte in het bijzonder kwalijk dat de diefstal van de motor is gepleegd met de bedoeling deze motor later te gebruiken bij het plegen van een gewapende overval op een supermarkt. Het hof ziet met name in deze omstandigheid aanleiding hoger te straffen dan de oriëntatiepunten van het LOVS aangeven, tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van na te melden duur.

Beslag

Het onder 1 tenlastegelegde en bewezenverklaarde is begaan met behulp van de hierna te noemen inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerpen. Zij behoren de veroordeelde toe. Zij zullen daarom worden verbeurd verklaard.

Het hof heeft hierbij rekening gehouden met de draagkracht van veroordeelde.

Het onder 1 tenlastegelegde en bewezenverklaarde is begaan met behulp van de hierna te noemen inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen. Zij zullen aan het verkeer worden onttrokken aangezien het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang en de wet.

De vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt EUR 435,85. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 2 bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot het hierna te noemen bedrag zal worden toegewezen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 24, 24c, 33, 33a, 36b, 36c, 36d, 36f, 46, 46b , 310, 311 en 317 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit als hiervoor vermeld.

Verklaart verdachte niet strafbaar en ontslaat verdachte te dier zake van alle rechtsvervolging.

Verklaart het onder 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart verdachte strafbaar.

Veroordeelt verdachte ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden.

Bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

De in beslag genomen voorwerpen

Verklaart verbeurd de inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- 3 tassen met inhoud, nrs. 5, 8 en 9 op de als bijlage II gevoegde lijst van in beslag genomen voorwerpen;

- diverse stukken papier, nrs. 5 en 7, op de als bijlage II gevoegde lijst van in beslag genomen voorwerpen;

-2 helmen, nrs. 10 en 11, op de als bijlage II gevoegde lijst van in beslag genomen voorwerpen;

- diverse (zwarte) kledingstukken, nrs. 12 t/m 15, 17 en 18, op de als bijlage II gevoegde lijst van in beslag genomen voorwerpen;

- 1 rol tape, nr. 16, op de als bijlage II gevoegde lijst van in beslag genomen voorwerpen.

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- 1 pistool, Walther CP99, nr. 1 op de als bijlage II gevoegde lijst van in beslag genomen voorwerpen;

- 1 balletjespistool, nr. 6 op de als bijlage II gevoegde lijst van in beslag genomen voorwerpen.

Gelast de teruggave aan verdachte van de inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

- 1 tafelkleed, nr. 2 op de als bijlage II gevoegde lijst van in beslag genomen voorwerpen.

Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van de inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- diverse sieraden, nrs 3, 19 t/m 26 op de als bijlage II gevoegde lijst van in beslag genomen voorwerpen.

De vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]:

Veroordeelt verdachte aan de benadeelde partij, [benadeelde partij 1], te betalen een bedrag van EUR 435,85 (vierhonderdvijfendertig euro en vijfentachtig cent) met dien verstande dat indien en voor zover zijn mededader betaalt verdachte in zoverre van deze verplichting is bevrijd.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij, genaamd [benadeelde partij 1], een bedrag te betalen van EUR 435,85 (vierhonderdvijfendertig euro en vijfentachtig cent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 8 (acht) dagen hechtenis.

Bepaalt dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij inzoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat indien en voorzover de mededader van verdachte voormeld bedrag heeft betaald, verdachte in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichting tot betaling aan de benadeelde partij of aan de Staat.

Aldus gewezen door

mr J.I.M.W. Bartelds, voorzitter,

mr A. van Waarden en mr R. van den Heuvel, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr K.J.F. Roelofs-van Dinther, griffier,

en op 3 juni 2010 ter openbare terechtzitting uitgesproken.