Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2010:BM6332

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
28-05-2010
Datum publicatie
01-06-2010
Zaaknummer
K09/462
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

Inhoudsindicatie

Beklaagde xxxx is een transactieaanbod gedaan wegens het door schuld niet opvolgen van een dienstvoorschrift ten gevolge waarvan xxxx, zoon respectievelijk broer van klagers, om het leven is gekomen. Dit feit zou door beklaagde gepleegd zijn op 3 juni 2009 tijdens een militaire oefening op de schietbaan van het oefenterrein te Bergen-Hohne in Duitsland. Beklaagde heeft het transactieaanbod geaccepteerd en een taakstraf, bestaande uit een werkstraf van 100 uren, verricht. Klagers kunnen zich niet met deze wijze van afdoening verenigen en verzoeken het hof alsnog de strafvervolging van beklaagde te gelasten. Klagers verzoeken tevens de strafvervolging te gelasten van de beklaagden xxx, xxxx, xxxx en xxxx. Omtrent laatst genoemde personen heeft het openbaar ministerie geen vervolgingsbeslissing genomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

K09/0462

Beschikking

inzake

1. ,

2. ,

3. ,

4. ,

en

5. ,

allen wonende te ….

klagers,

bijgestaan door mrs. F.A. Dronkers en L.P.H. Hameleers, beiden advocaat te Roermond,

tegen

1. ,

wonende te Raalte

2. ,

wonende te Zwolle,

3.

wonende te Apeldoorn,

4. ,

wonende te Oosterwolde,

5. ),

woonplaats onbekend,

beklaagden.

Op 24 december 2009 is ter griffie van het hof een klaagschrift binnengekomen van klagers, ingediend door hun gemachtigden mrs. F.A. Dronkers en L.P.H. Hameleers. Het klaagschrift richt zich tegen de beslissing van de officier van justitie te Arnhem om tegen beklaagden geen strafvervolging in te stellen.

Het hof heeft kennisgenomen van het ambtsbericht van de hoofdofficier van justitie te Arnhem, het schriftelijk verslag van de advocaat-generaal en de overige op deze zaak betrekking hebbende stukken.

Op 19 april 2010 is de zaak in raadkamer van dit hof behandeld. Bij de behandeling waren klagers en hun raadslieden, alsmede de advocaat-generaal aanwezig. Zij zijn in raadkamer gehoord.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot ongegrondheid van de klacht.

Beklaagden zijn -hoewel behoorlijk opgeroepen- niet verschenen.

Het beklag

Beklaagde 1 is een transactieaanbod gedaan wegens het door schuld niet opvolgen van een dienstvoorschrift ten gevolge waarvan xxxxx, zoon respectievelijk broer van klagers, om het leven is gekomen.Dit feit zou door beklaagde gepleegd zijn op 3 juni 2009 tijdens een militaire oefening op de schietbaan van het oefenterrein te Bergen-Hohne in Duitsland. Beklaagde heeft het transactieaanbod geaccepteerd en een taakstraf, bestaande uit een werkstraf van 100 uren, verricht. Klagers kunnen zich niet met deze wijze van afdoening verenigen en verzoeken het hof alsnog de strafvervolging van beklaagde te gelasten. Klagers verzoeken tevens de strafvervolging te gelasten van de beklaagden xxxx, xxxx, xxxx en xxx. Omtrent laatst genoemde personen heeft het openbaar ministerie geen vervolgingsbeslissing genomen.

Voor wat betreft een weergave van de feiten verwijst het hof voor het overige naar het aan deze beschikking in kopie gehechte ambtsbericht van de officier van justitie.

De ontvankelijkheid van het beklag

Voor zover het klaagschrift betrekking heeft op beklaagden xxxx, xxxx, xxxx en xxxx overweegt het hof als volgt. Uit het klaagschrift blijkt dat klagers van oordeel zijn dat er een strafrechtelijk vooronderzoek dient te worden ingesteld jegens deze vier beklaagden, teneinde te bezien of zij zich schuldig hebben gemaakt aan een strafbaar feit in relatie tot het overlijden van xxxxx. Het hof leest de klacht dan ook zo dat klagers strafrechtelijke vervolging van beklaagden wensen door middel van een vordering als bedoeld in artikel 181 van het Wetboek van Strafvordering teneinde een nader onderzoek te doen gelasten. Het hof merkt echter op dat deze vier beklaagden niet door het openbaar ministerie als verdachten zijn aangemerkt en er derhalve ten aanzien van hen ook geen sepotbeslissing is genomen door het openbaar ministerie. Nu in het stelsel van de wet (artikel 12 Wetboek van Strafvordering) beklag alleen mogelijk is tegen een beslissing van het openbaar ministerie om geen vervolging in te stellen, is het hof van oordeel dat het klaagschrift op dit onderdeel niet-ontvankelijk verklaard dient te worden. Het hof merkt ten overvloede nog op dat het klagers vrijstaat alsnog aangifte te doen jegens deze vier beklaagden. Indien de officier van justitie vervolgens alsnog mocht besluiten geen vervolging in te stellen, dan kunnen klagers tegen deze beslissing beklag instellen. Daaraan staat deze beschikking niet in de weg.

Klagers kunnen overigens als rechtstreeks belanghebbenden worden beschouwd en zijn derhalve in zoverre ontvankelijk in hun beklag.

De beoordeling van het beklag

Voor zover het beklag betrekking heeft op beklaagde xxxx overweegt het hof als volgt. Uit het klaagschrift blijkt dat klagers een strafrechtelijke vervolging van beklaagde wensen omdat de wijze van afdoening, te weten het aanbieden van een transactie in de vorm van een taakstraf ter zake van overtreding van artikel 137 onder 3 van het Wetboek van Militair Strafrecht (hierna WMSr.) geen recht doet aan de ernst van het door beklaagde gepleegde feit en de rechtsbeleving van de nabestaanden. Klagers hebben aangevoerd dat het handelen van beklaagde dermate onvoorzichtig van aard is geweest dat naar mening van klagers een strafrechtelijke vervolging had moeten plaatsvinden op grond van artikel 307 van het Wetboek van Strafrecht. Bovendien zijn klagers van mening dat het gerechtvaardigd is te verlangen dat deze zaak in het openbaar door de strafrechter zal worden beoordeeld.

Het hof is van oordeel - en gaat in zoverre mee met hetgeen klagers daaromtrent in hun klaagschrift hebben aangevoerd - dat er, gelet op de in het dossier opgenomen verklaringen en overige bewijsmiddelen, voldoende aanknopingspunten lijken te zijn om een strafrechtelijke vervolging van beklaagde op grond van artikel 307 van het Wetboek van Strafrecht te rechtvaardigen. Uit het dossier blijkt namelijk dat beklaagde meerdere veiligheidsinstructies niet heeft opgevolgd. Met name het feit dat beklaagde de zogeheten 30 graden regel, één van de meest basale veiligheidsregels tijdens schietoefeningen, niet in acht heeft genomen, leidt het hof tot het oordeel dat het handelen van beklaagde dermate onvoorzichtig is geweest dat er voldoende grond lijkt te zijn om een strafrechtelijke vervolging op grond van artikel 307 van het Wetboek van Strafrecht te rechtvaardigen. Toch is het hof van oordeel dat het gelasten van een strafrechtelijke vervolging jegens beklaagde in onderhavige zaak niet geïndiceerd is. Het hof neemt in casu mede in aanmerking dat het gelasten van een strafrechtelijke vervolging van beklaagde op grond van artikel 307 van het Wetboek van Strafrecht hoogstwaarschijnlijk niet zal leiden tot een beslissing die recht doet aan de geschonden rechtsbeleving van de nabestaanden, nu, naar het oordeel van het hof, niet te verwachten valt dat een later oordelende strafrechter beklaagde een significant zwaardere straf of maatregel zal opleggen, zelfs al zou beklaagde vervolgd (en veroordeeld) worden op grond van artikel 307 van het Wetboek van Strafrecht in plaats van de lichtere overtreding van artikel 137 onder 3 van het WMSr waarvoor beklaagde xxxx een transactie is aangeboden. Verder heeft het hof in het kader van de onderhavige procedure vastgesteld dat er aanwijzingen zijn voor schuld en is in een meervoudige setting het klaagschrift behandeld. Klagers hebben tevens kennis kunnen nemen van het dossier. Hiermee is al deels rechtgedaan aan de belangen van klagers. Een openbare terechtzitting zou weliswaar meer recht doen aan de geschonden rechtsbeleving van de nabestaanden, maar het hof acht dat voordeel niet opwegen tegen het nadeel dat een openbare terechtzitting meebrengt voor beklaagde xxxx. Het hof heeft bij die belangenafweging in aanmerking genomen dat klager een bekennende (voor zover betrekking hebbende op overtreding van artikel 137 onder 3 WMSr.) en schuldbewuste verklaring heeft afgelegd. Uit die verklaring spreekt de last die de rest van zijn leven zal rusten op de schouders van beklaagde xxxx. In het verlengde daarvan merkt het hof nog op dat, hoewel het hof grote empathie voelt voor het peilloze verdriet van klagers over het verlies van hun dierbare en zich realiseert dat klagers de pijn van het gemis en de boosheid over de (zinloze) dood van die dierbare nog zeer lange tijd met zich mee zullen dragen, een vervolging met eventueel een sanctionering op grond van artikel 307 van het Wetboek van Strafrecht niet tegemoet kan komen aan het rechtsgevoel van klagers. Daarnaast zal een eventuele bestraffing van beklaagde xxxx op grond van artikel 307 van het Wetboek van Strafrecht geen extra betekenis hebben in het kader van de generale of speciale preventie, noch voor wat betreft de noodzakelijke leedtoevoeging. Immers, xxxx, zal als gezegd, zijn leven lang de last van de gevolgen van zijn daad met zich meedragen. Bij die stand van zaken is het hof van oordeel dat een openbare terechtzitting achterwege moet blijven.

Voor zover het klaagschrift betrekking heeft op het verzoek van klagers aan het hof om te gelasten dat het openbaar ministerie het ARBO rapport alsmede het rapport van de Onderzoeksraad voor de Veiligheid alsnog aan klagers zal verstrekken, merkt het hof op dat de officier van justitie en advocaat-generaal terecht hebben aangevoerd dat deze rapporten geen deel uit maken van het strafdossier, niet in het bezit zijn van het openbaar ministerie en derhalve niet door het openbaar ministerie aan klagers overgelegd kunnen worden. Het hof begrijpt het verlangen van klagers om kennis te kunnen nemen van de inhoud van deze rapporten. De procedure van artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering is daar echter niet de geëigende procedure voor. Bovendien is het hof van oordeel dat de inhoud van deze rapporten, voor zover dit de feitelijke toedracht van het ongeval betreft, voor het beoordelen van de schuldvraag van beklaagde xxxx in het kader van onderhavige procedure geen meerwaarde heeft. Het hof heeft hiervoor reeds overwogen dat er op basis van het huidige dossier voldoende aanwijzingen zijn voor het bewijs van schuld.

Klagers hebben tevens verzocht om een afschrift van het volledige dossier. Uit het ambtsbericht van de officier van justitie blijkt dat klager xxxx in de gelegenheid is gesteld het gehele strafdossier in te zien. Hier heeft hij op 11 november 2009 gebruik van gemaakt. Bovendien heeft de officier van justitie op 4 september 2009 een nabestaandengesprek gevoerd, waarbij de resultaten van het strafrechtelijk onderzoek gedetailleerd zijn besproken en klager in de gelegenheid is gesteld vragen te stellen. Tot slot is, weliswaar nadat de procedure van artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering reeds was aangevangen, aan de gemachtigden van klagers een kopie van het onderhavige dossier ter hand gesteld. Het hof is derhalve van oordeel dat, nu klager xxxx in de gelegenheid is gesteld het dossier in te zien en aan zijn gemachtigden afschriften van de stukken in het dossier ter hand zijn gesteld, er geen redenen zijn om klagers ook nog een afschrift van het dossier te verstrekken. Ten overvloede merkt het hof op dat de officier van justitie heeft aangegeven dat een meer gericht verzoek om afschriften van bepaalde delen van het dossier door het openbaar ministerie in beschouwing zal worden genomen, waarbij klagers en hun raadslieden mogelijk ook nog opnieuw gebruik kunnen maken van de mogelijkheid tot inzage in het dossier.

Uit het voorgaande volgt dat het beklag ongegrond is. Er wordt beslist als volgt.

Beslissing

Het hof:

Verklaart klagers niet-ontvankelijk in hun beklag voor zover dit ziet op beklaagden 2., 3.,4., en 5.

Wijst het beklag af voor zover dit ziet op beklaagde 1.

Deze beschikking is gegeven door mr M. Otte, voorzitter, mr P.H.A.J. Cremers, raadsheer, en mr P.T. Heblij, commodore, in tegenwoordigheid van mr. D. Mientjes, griffier, op 28 mei 2010 en ondertekend door de voorzitter en de griffier.