Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2010:BM5699

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
20-04-2010
Datum publicatie
26-05-2010
Zaaknummer
200.047.931
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Alimentatie; verlenging wettelijke limitering (nieuw geval)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.047.931

(zaaknummer rechtbank 176226 / FA RK 08-12601)

beschikking van de familiekamer van 20 april 2010

inzake

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verzoeker in hoger beroep,

verder te noemen "de man",

advocaat: mr. J.U. van der Werff te Deventer,

en

[verweerster],

wonende te [woonplaats],

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen "de vrouw",

advocaat: mr. P.A.W. Eskens te Arnhem.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Arnhem van 29 juli 2009, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2. Het geding in hoger beroep

2.1 Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 26 oktober 2009, is de man in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking. De man verzoekt het hof zijn beroep ontvankelijk te verklaren, die beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, het verzoek van de vrouw om de alimentatieverplichting van de man te verlengen af te wijzen en te bepalen dat de vrouw aan de man dient terug te betalen al hetgeen de man op grond van de bestreden beschikking reeds aan de vrouw betaald heeft.

2.2 Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 16 december 2009, heeft de vrouw het verzoek in hoger beroep van de man bestreden. De vrouw verzoekt het hof bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad de door de man aangevoerde grief te verwerpen en de bestreden beschikking in stand te laten, kosten rechtens.

2.3 De mondelinge behandeling heeft op 18 maart 2010 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, ieder bijgestaan door haar advocaat.

3. De vaststaande feiten

Ten aanzien van partijen

3.1 Partijen zijn op 28 juni 1980 met elkaar gehuwd. De man heeft in 1993 definitief de voormalige echtelijke woning verlaten en de samenwoning verbroken. Bij beschikking van 27 februari 1997 heeft de rechtbank echtscheiding tussen hen uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is op 14 april 1997 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

3.2 Uit het huwelijk van partijen zijn drie inmiddels meerderjarige kinderen geboren, de oudste op [geboortedatum] 1981 en een tweeling op [geboortedatum] 1983. De kinderen zijn na het uiteengaan van partijen in 1993 bij de vrouw in de voormalige echtelijke woning blijven wonen. Het oudste kind heeft in 1999 de voormalige echtelijke woning verlaten en de tweeling medio 2001.

3.3 Bij voormelde echtscheidingsbeschikking heeft de rechtbank voor zover hier van belang bepaald dat de man met ingang van 14 april 1997 als bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw ƒ 2.400,- per maand zal voldoen.

3.4 In het door partijen in januari 2004 ondertekende echtscheidingsconvenant zijn partijen voor zover hier van belang het volgende overeengekomen:

“(…)

10. Partijen zijn overeengekomen dat de man per datum overdracht van de vroegere echtelijke woning van de vrouw en alimentatie zal betalen van € 27.000,-- per jaar, in gelijke maandelijkse termijnen bij vooruitbetaling te voldoen. Deze alimentatie zal voor het eerst met ingang van 1 januari 2004 worden geïndexeerd.

Partijen zijn het niet eens kunnen worden over de vraag bij welk eigen inkomen uit (vroegere) arbeid aan de vrouw c.q. bij welke eventuele uitkering op grond van sociale verzekeringswetgeving van de vrouw er sprake zou moeten zijn van vermindering van de alimentatie.

Wel zijn partijen het erover het eens dat de vrouw naar vermogen dient te trachten eigen inkomsten te verwerven uit passende arbeid.

Partijen zijn het ook niet eens over de alimentatieduur. In zoverre behoudt iedere partij zich zijn/haar rechten voor.

(enz)”

3.5 Bij verzoekschrift, ingekomen bij de rechtbank Arnhem op 20 oktober 2008, heeft de vrouw verzocht bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren beschikking

a. de beschikking van de rechtbank Arnhem van 27 februari 1997 te wijzigen in dier voege dat zal worden bepaald dat de man aan de vrouw voor haar levensonderhoud zal betalen een bedrag van € 27.000,- per jaar vanaf 1 januari 2004;

b. vast te stellen dat de alimentatie-achterstand per de maand oktober 2008 € 14.746,24 bedraagt en te bepalen dat de man deze achterstand dient te betalen;

c. vast te stellen dat de alimentatie in het jaar 2008 € 2.447,61 per maand bedraagt;

d. vast te stellen een nieuwe termijn en wel zodanig, dat de alimentatieperiode wordt verlengd tot de pensioengerechtigde leeftijd van de man, derhalve tot [geboortedatum] 2015, althans een termijn in goede justitie door de rechtbank vast te stellen.

3.6 Ten aanzien van punt d heeft de man verweer gevoerd en verzocht de gevraagde verlenging af te wijzen, althans deze te beperken tot de periode van 14 april 2009 tot 14 april 2011 en tevens in dat geval te bepalen dat deze verlengde termijn niet alsnog verlengd kan worden.

3.7 Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de rechtbank overwogen dat de man heeft ingestemd met hetgeen de vrouw onder de punten a, b, en c heeft verzocht en heeft de rechtbank die verzoeken toegewezen en heeft de rechtbank voorts de termijn waarin de man jegens de vrouw verplicht is een bijdrage te leveren in de kosten van haar levensonderhoud verlengd tot 14 april 2011 en bepaald dat verlenging van de termijn waarin de man jegens de vrouw alimentatieplichtig na ommekomst daarvan niet mogelijk is, en het meer of ander verzochte afgewezen.

Ten aanzien van de vrouw

3.8 De vrouw, geboren op [geboortedatum] 1946, is alleenstaand. De vrouw is opgeleid tot verpleegkundige. Voor het huwelijk van partijen heeft de vrouw gewerkt als verpleegkundige. Blijkens de aangiftes inkomstenbelastingen 2005 tot en met 2007 bedroeg het inkomen uit arbeid van de vrouw naast de door haar ontvangen alimentatie, in 2005 € 16.719,-, in 2006 € 16.813,- en in 2007 € 16.724,-. Op 31 december 2007 bedroegen de spaartegoeden en de waarde van de aandelen van de vrouw blijkens de aangifte inkomstenbelastingen 2007 respectievelijk € 17.546,- en € 21.442,-.

Ten aanzien van de man

3.9 De man, geboren [geboortedatum] 1950, woont samen met [partner].

4. De motivering van de beslissing

4.1 De man heeft in eerste aanleg verweer gevoerd en primair verzocht de door de vrouw gevraagde verlenging af te wijzen. In hoger beroep richt de man een grief tegen het oordeel van de rechtbank in de bestreden beschikking waarbij zijn primair verzoek is afgewezen. De man heeft belang bij beoordeling hiervan en is ontvankelijk in zijn verzoek in hoger beroep.

4.2 Bij de echtscheidingsbeschikking van 27 februari 1997 heeft de rechtbank bepaald dat de man aan de vrouw een bijdrage in de kosten van levensonderhoud dient te betalen. Het voorgaande betekent dat de wet houdende “Wijziging van de bepalingen in het Burgerlijk Wetboek in verband met de regeling van de limitering van alimentatie na scheiding” (WLA), in werking getreden op 1 juli 1994, van toepassing is. Met deze wet is artikel 1:157 BW gewijzigd.

4.3 Op grond van artikel 1:157 lid 4 BW eindigt de verplichting tot levensonderhoud van rechtswege na het verstrijken van een termijn van twaalf jaren, die aanvangt op de datum van inschrijving van de beschikking in de registers van de burgerlijke stand. In dit geval is de verplichting tot levensonderhoud van rechtswege geëindigd op 14 april 2009. Ingevolge artikel 1:157 lid 5, eerste volzin, BW kan de rechter, indien de beëindiging van de uitkering ten gevolge van het verstrijken van de in het vierde lid bedoelde termijn van zo ingrijpende aard is dat ongewijzigde handhaving van die termijn naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid van degene die tot uitkering gerechtigd is niet kan worden gevergd, op diens verzoek alsnog een termijn stellen.

4.4 Het hof overweegt dat blijkens de wetsgeschiedenis (TK 1985/1986, 19 295, nr. 3 en 6) uitgangspunt van de wetgever is dat de alimentatieverplichting na 12 jaar in beginsel definitief eindigt. Volgens de wetgever houdt de verantwoordelijkheid die men door het huwelijk op zich heeft genomen weliswaar een verplichting in om bij te dragen in het levensonderhoud van de andere partij, maar deze rechtvaardigt niet dat deze verplichting na beëindiging van de huwelijksband ongelimiteerd blijft bestaan. De termijn van 12 jaar stelt de alimentatiegerechtigde in staat de zorg voor eventuele kinderen op zich te nemen en na verloop van tijd, wanneer de kinderen naar zelfstandigheid toegroeien, zich erop voor te bereiden in eigen levensonderhoud te voorzien. Ingeval wordt verzocht om verlenging, dient de vrouw aan te tonen dat sprake is van een uitzonderlijke situatie. Daarbij kan volgens de parlementaire geschiedenis en de Hoge Raad in zijn beschikking van 19 december 2008, NJ 2009, 136 (LJN: BF3928), naast de financiële situatie waarin de alimentatiegerechtigde verkeert, onder meer worden gedacht aan de volgende factoren, die in onderlinge samenhang moeten worden bezien:

- in hoeverre de alimentatiegerechtigde in twaalf jaar tijd alles gedaan heeft wat redelijkerwijs verwacht mag worden om tot financiële zelfstandigheid te geraken, haar leeftijd, gezondheid, arbeidsverleden en achtergrond in aanmerking genomen;

- de mate waarin de behoefte van de alimentatiegerechtigde aan voortduring van een uitkering tot levensonderhoud nog verband houdt met het huwelijk;

- de verwachting van partijen toen zij huwden;

- de zorg voor de kinderen en de mogelijkheden die de zorg liet, het aantal en de leeftijd van de kinderen mede in aanmerking genomen, om zich een bestaan op te bouwen dat onafhankelijkheid van de gewezen echtgenoot zou verschaffen.

4.5 Tussen partijen is in hoger beroep niet in geschil dat beëindiging van de onderhoudsverplichting van de man ingrijpend is voor de vrouw.

4.6 Vervolgens dient het hof te bezien of de vrouw bijzondere omstandigheden stelt en aantoont, waardoor ongewijzigde handhaving van de termijn van 12 jaar naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van haar kan worden gevergd. De rechtbank heeft op grond van de in eerste aanleg aangevoerde stellingen, geoordeeld dat beëindiging van de alimentatieverplichting van de man voor de vrouw (op dit moment) van zo ingrijpende aard is dat dit naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van haar gevergd mag worden.

Hiertegen heeft de man zijn grief gericht.

4.7 De vrouw voert de volgende omstandigheden aan. Zij heeft in 1977 haar diploma verpleegkundige behaald. Zij heeft als verpleegkundige gewerkt tot het huwelijk van partijen in 1980. De vrouw was toen 34 jaar. Het huwelijk van partijen heeft bijna 17 jaar geduurd. Partijen zijn na ongeveer 13 jaar huwelijk in 1993 feitelijk uit elkaar gegaan. Tot 1990 heeft de vrouw niet gewerkt. Zij heeft zich in de periode 1980 tot 1990 bezig gehouden met de verzorging en opvoeding van de uit het huwelijk in 1981 en 1983 (2) geboren kinderen en het huishouden. Van 1990 tot 1993 heeft de vrouw één middag in de week gewerkt voor het consultatiebureau. In 1993 heeft de man de voormalige echtelijke woning verlaten. De vrouw was toen 47 jaar, het oudste kind was 12 jaar en de tweeling 10 jaar. De echtscheiding tussen partijen is in april 1997 ingeschreven. De vrouw was toen 51 jaar en de kinderen waren 15 en 13 jaar oud. De vrouw heeft naar haar zeggen in de periode na het uiteengaan van partijen veel gesolliciteerd. In 1996 is de vrouw gaan werken voor NTN Thuiszorg. Zij werkte daar op wisselende uren en draaide ook nachtdiensten. De kinderen van partijen hebben de voormalige echtelijke woning verlaten in 1999 (de oudste) en in 2001 (de tweeling). Van 2000 tot medio 2005 werkte de vrouw 16 uur per week bij de Stichting Progeria Thuiszorg. De vrouw werkte daarnaast in de particuliere thuiszorg in de verzorging van PGB-cliënten. De vrouw werkte destijds in totaal 30 uur per week. In 2002 heeft de vrouw de voormalige echtelijke woning verkocht en heeft zij tijdelijk een huurwoning betrokken waarna zij haar huidige woning heeft gekocht. Op 1 maart 2006 zijn de activiteiten van Progeria overgenomen door Lily Rijpkema zorgbemiddeling. In 2005 is bij de vrouw borstkanker geconstateerd en is zij gestopt met haar werkzaamheden in de particuliere thuiszorg, omdat haar gezondheid de verzorging van PGB-cliënten niet meer toeliet. Vanaf 1 januari 2007 werkt de vrouw 16 uur per week; haar werkzaamheden bij Lily Rijpkema Thuiszorgbemiddeling bestaan uit intercederen en het geven van verpleegkundig advies, aldus de brief van de werkgever van de vrouw van 7 april 2009, productie 9 bij productie 3 in eerste aanleg. In deze brief deelt de werkgever de vrouw verder mee dat het niet te verwachten is dat de vrouw haar huidige contracturen kan uitbreiden.

4.8 Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat de vrouw niet heeft aangetoond dat de door haar gestelde omstandigheden zo bijzonder zijn dat ongewijzigde handhaving van de termijn van 12 jaar naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet gevergd kan worden.

De vrouw heeft vanaf 1996 gewerkt en inkomsten verworven. De keuzes die zij daarin heeft gemaakt blijven voor haar rekening. Dat zij bij het vinden van voor haar geschikt werk is belemmerd door een gebrekkig arbeidsverleden, haar opleiding en haar slecht functionerende gehoor is naar het oordeel van het hof niet komen vast te staan. Dat de man op grond van zijn opleiding andere beroepsperspectieven heeft dan de vrouw is in dit verband niet relevant. Het hof betrekt de omstandigheid dat bij de vrouw in 2005 borstkanker is geconstateerd, waardoor tot drie keer toe operatief ingrijpen noodzakelijk was, in zijn overwegingen. Ten gevolge van deze borstkanker heeft de vrouw hoofdpijnen en kan zij niet meer tillen. Dat de vrouw hierdoor niet in staat is haar huidige werkzaamheden te verrichten is niet gebleken; ook staat niet vast dat de vrouw hierdoor haar werkzaamheden niet kan uitbreiden. Dat zij heeft gevraagd naar de mogelijkheden van uitbreiding (brief van de werkgever van de vrouw van 7 april 2009) wijst eerder op het tegendeel.

4.9 Op grond van het voorgaande dient het hof de bestreden beschikking te vernietigen voor zover daarbij de termijn van de onderhoudsverplichting van de man jegens de vrouw is verlengd van 14 april 2009 tot 14 april 2011.

4.10 De vrouw heeft geen verweer gevoerd tegen het verzoek van de man te bepalen dat de vrouw aan de man dient terug te betalen al hetgeen de man op grond van de bestreden beschikking reeds aan de vrouw heeft betaald. Dit verzoek ligt gereed voor toewijzing.

5. De slotsom

5.1 Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen dient het hof de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, te vernietigen.

5.2 Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, nu partijen gewezen echtgenoten zijn.

6. De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Arnhem van 29 juli 2009, voor zover daarbij de termijn van de onderhoudsverplichting van de man jegens de vrouw is verlengd van 14 april 2009 tot 14 april 2011, en in zoverre opnieuw beschikkende:

wijst het verzoek van de vrouw tot verlenging van de verplichting tot levensonderhoud van de man jegens haar alsnog af;

bepaalt dat de verplichting tot levensonderhoud van de man jegens de vrouw van rechtswege is geëindigd op 14 april 2009;

bepaalt dat de vrouw aan de man zal terug te betalen al hetgeen de man op grond van de bestreden beschikking reeds aan de vrouw heeft betaald;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.H. Lieber, C.W.P. van Gelder en A.L.H. Ernes, bijgestaan door W.W.M.W. van den Bosch als griffier, en is op 20 april 2010 uitgesproken ter openbare terechtzitting in tegenwoordigheid van de griffier.