Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2010:BM5137

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
03-05-2010
Datum publicatie
20-05-2010
Zaaknummer
200.015.561
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBARN:2008:BD6209, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Instorten parkeerdek behorend bij Motel Tiel. Constructiefout of externe oorzaak? Bewijslast. Aansprakelijkheid gemeente als toezichthouder bij de bouw van het parkeerdek.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2010/262
RAV 2010/87
O&A 2010, 67
TBR 2011/32 met annotatie van H.C.W.M. Moesker
JA 2010/88
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer 200.015.561

(zaaknummer rechtbank 159484)

arrest van de derde civiele kamer van 4 mei 2010

inzake

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Motel Tiel B.V.,

gevestigd te Tiel,

appellante,

advocaat: mr. P.M. Wilmink,

tegen:

1. de publieke rechtspersoon

Gemeente Tiel,

zetelend te Tiel,

advocaat: mr. W.J.M. Gitmans,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Projectorganisatie Betuweroute Prorail B.V.

gevestigd te Utrecht

advocaat: mr. W.A.M. Rupert,

3. de publieke rechtspersoon

Provincie Gelderland

zetelend te Arnhem,

advocaat: mr. A.T. Bolt,

geïntimeerden.

1. Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van 13 februari 2008 en 2 juli 2008 die de rechtbank Arnhem tussen appellante (hierna ook te noemen: Motel Tiel) als eiseres en geïntimeerden (hierna gezamenlijk ook te noemen: gemeente Tiel c.s. en afzonderlijk: respectievelijk gemeente Tiel, Prorail en de provincie Gelderland) als gedaagden heeft gewezen; van het laatstgenoemde vonnis is een fotokopie aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in hoger beroep

2.1 Motel Tiel heeft bij exploot van 1 oktober 2008 de gemeente Tiel c.s. aangezegd van het vonnis van 2 juli 2008 in hoger beroep te komen, met dagvaarding van gemeente Tiel c.s. voor dit hof. Van der Valk Internationaal bv, mede-eiseres in eerste aanleg, maar door de rechtbank in genoemd vonnis van 2 juli 2008 niet-ontvankelijk verklaard, heeft geen hoger beroep ingesteld.

2.2 Bij memorie van grieven heeft Motel Tiel vijf grieven tegen het bestreden vonnis aangevoerd en toegelicht, bewijs aangeboden en producties in het geding gebracht. Zij heeft gevorderd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en, opnieuw recht doende, bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard arrest, de door Motel Tiel in eerste aanleg ingestelde vorderingen alsnog zal toewijzen, met veroordeling van de Gemeente Tiel c.s. in de kosten van de beide instanties.

2.3 Bij hun onderscheiden memories van antwoord hebben de gemeente Tiel, Prorail en de provincie Gelderland de grieven bestreden en hebben zij bewijs aangeboden. De gemeente Tiel en de provincie Gelderland hebben een aantal producties in het geding gebracht. Zij hebben alle geconcludeerd dat het hof bij arrest zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad het vonnis van 2 juli 2008 zal bekrachtigen, zonodig met verbetering van gronden, met veroordeling van Motel Tiel in de kosten van het hoger beroep.

2.4 Ter zitting van 3 maart 2010 hebben partijen de zaak doen bepleiten, Motel Tiel door mrs. R.H.B. Wortel en J.L. Vissers, beiden advocaat te ‘s-Hertogenbosch, de gemeente Tiel door mr. J. de Roos, advocaat te Nijmegen, Prorail door mr. J.C. Rous, advocaat te Rotterdam en de provincie Gelderland door mr. A.T. Bolt, advocaat te Arnhem. Alle partijen hebben daarbij pleitnotities in het geding gebracht.

Mr. Wortel heeft voorafgaand aan de zitting aan geïntimeerden en het hof de productie 4 (‘taxatieraport herbouw calculatie motel Van der Valk)’ toegezonden. Desgevraagd hebben de advocaten van geïntimeerden ter zitting bezwaar gemaakt tegen het in het geding brengen van de productie. Zij hebben verklaard deze productie eerst op vrijdag 26 februari 2010 te hebben ontvangen en onvoldoende gelegenheid te hebben gehad om zich daartegen te verweren. Het hof heeft daarop beslist dat in het geval het hof zou toekomen aan een beoordeling van de schadeomvang waarop de productie betrekking heeft, het hof partijen alsnog in de gelegenheid zal stellen op die productie bij akte te reageren.

2.5 Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd.

3. De vaststaande feiten

De rechtbank heeft in haar vonnis van 2 juli 2008 onder 1.1 tot en met 1.11 feiten vastgesteld. Aangezien daartegen geen grieven zijn aangevoerd of bezwaren zijn geuit, zal het hof in hoger beroep ook van die feiten uitgaan.

4. De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1 Het gaat in deze zaak, voor zover in hoger beroep nog van belang, om het volgende. Motel Tiel is eigenaar van het horeca-bedrijfspand met aanhorigheden, waaronder een parkeerdek, aan de Laan van Westrooijen 10 te Tiel. Het hotel en het parkeerdek zijn, na daartoe verleende bouwvergunning van 4 januari 1982, gebouwd in de periode van omstreeks 1982 – 1986.

Op 10 februari 2002 is een gedeelte van het parkeerdek van het hotel ingestort (hierna ook aan te duiden als: de calamiteit). In opdracht van (o.a.) Motel Tiel heeft Arcadis onderzoek gedaan naar de oorzaak van de calamiteit. Ook de inspectie Regio Oost van het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer heeft een onderzoek uitgevoerd naar de oorzaak van de calamiteit, onder inschakeling van PRC bouwcentrum. Tenslotte heeft ook de gemeente Tiel onderzoek laten doen naar de oorzaak van de calamiteit, waartoe zij Adviestechniek voor Bouwtechniek B.V. te Velp (ABT) heeft ingeschakeld.

In de periode voorafgaand aan de calamiteit hebben in de omgeving van het hotel werkzaamheden plaatsgevonden aan het viaduct Industrieweg over de Rijksweg 15 in Tiel. Ook werd er toen in de omgeving van het hotel gewerkt aan de aanleg van de Betuwelijn.

4.3 Motel Tiel heeft in eerste aanleg gevorderd een verklaring voor recht dat de gemeente Tiel c.s. onrechtmatig hebben gehandeld jegens Motel Tiel en zij dientengevolge aansprakelijk zijn voor alle door Motel Tiel geleden en nog te lijden schade. Daarnaast heeft Motel Tiel vergoeding van die schade gevorderd, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, alsmede vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten, een en ander met hoofdelijke veroordeling van gemeente Tiel c.s. in de proceskosten.

De rechtbank heeft bij vonnis van 2 juli 2008 de vorderingen van Motel Tiel jegens de gemeente Tiel c.s. afgewezen. Ten aanzien van de in eerste aanleg mede gedagvaarde, niet verschenen, partij Aannemersbedrijf De Valk heeft de rechtbank voor recht verklaard dat het aannemersbedrijf toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van zijn verplichtingen jegens Motel Tiel en aansprakelijk is voor de dientengevolge geleden schade en heeft zij het aannemersbedrijf tot vergoeding van die schade en van de proceskosten van Motel Tiel veroordeeld. Motel Tiel is veroordeeld in de proceskosten van de andere gedaagden, waaronder thans geïntimeerden.

4.4 De gemeente Tiel c.s. hebben aangevoerd dat Motel Tiel geen belang (meer) heeft bij haar vorderingen in hoger beroep gezien de tegen het aannemersbedrijf toegewezen vorderingen, waarbij zij ervan uitgaan dat deze reeds zijn voldaan. Motel Tiel heeft ter gelegenheid van het pleidooi verklaard dat (de verzekeraar van) Aannemersbedrijf De Valk (nog) niet tot vergoeding van de schade is overgegaan en dat een discussie loopt over de vraag of voor de onderhavige schade dekking bestaat. Gelet op deze toelichting gaat het hof aan het desbetreffende verweer van gemeente Tiel c.s. voorbij.

4.5 Het hof leest de grieven, mede gelet op grief V, aldus dat Motel Tiel daarmee het geschil tussen Motel Tiel en de gemeente Tiel c.s. in volle omvang aan het hof wil voorleggen. De in dit geschil als eerste te beantwoorden vraag betreft de oorzaak van de calamiteit, meer in het bijzonder of de werkzaamheden die door of onder toezicht van de gemeente Tiel c.s. zijn verricht de calamiteit (mede) kunnen hebben veroorzaakt.

4.6 Over de oorzaak van de calamiteit valt in de in eerste aanleg overgelegde rapporten van Arcadis, PRC Bouwcentrum en ABT het volgende te lezen.

4.6.1 De conclusies van het rapport ‘eerste bevindingen’ van 14 februari 2002 van ABT, bijlage bij het onderzoeksrapport instorting Parkeerdek Van der Valk-motel Tiel van 31 mei 2002 van de gemeente Tiel, luiden onder meer:

“Het parkeerdek is bezweken door een niet stabiele ondersteuning van het dek aan de noordzijde van het gebouw als gevolg van een excentrische oplegging op een torsie slappe bovenflens en het horizontaal, naar buiten toe, kunnen verplaatsen van de randligger. Er is derhalve sprake van een constructieve (ontwerp)fout.”

4.6.2 Het rapport van Arcadis van 22 februari 2002 vermeldt in zijn samenvatting onder meer:

“ (…) De constructie is ingestort doordat een principieel fout oplegdetail is toegepast. (…) In de afgelopen 18 jaar heeft de constructie op het randje van bezwijken gelegen. Slechts een kleine aanleiding, vanuit de constructie zelf of door externe factoren, heeft de instorting kunnen veroorzaken. Aannemelijk is het dat de excentriciteit in geringe mate is toegenomen.”

4.6.3 Het rapport van PRC Bouwcentrum van 14 maart 2002 vermeldt:

“Oorzaak bezwijken van de constructie

In zijn algemeenheid kan worden gesteld dat de stabiliteit van het parkeerdek onvoldoende is. De kolommen hebben een geringe inklemming aan de voet. De staalconstructie op as 28 en 31 is, loodrecht op de as, nagenoeg een pendel, alleen op de assen A en T is door middel van een randbalk een koppeling aangebracht, maar dit is onvoldoende om stabiliteit aan te ontlenen; een koppeling van het parkeerdek aan de stabiliteitsvoorziening in de hoogbouw ontbreekt.

Ten gevolge van het uitzetten, krimpen, uitzetten, enzovoorts, van het dek gedurende de jaren wordt de gevel naar buiten gedrukt. Er zijn geen stabiliserende elementen aangebracht om de optredende spanningen ten gevolge van het uitzetten en inkrimpen van het dek op de fundering over te brengen. Wordt het dek weer korter dan wordt de gevel niet mee teruggetrokken omdat een koppeling tussen dek en stalen ligger ontbreekt. De flens van de stalen ligger buigt onder het hoge gewicht wat door. Hierdoor is er niet meer sprake van een horizontaal glijvlak. Elke zomer wanneer het dek uitzet, wordt de gevel verder naar buiten gedrukt. In de winter wordt het dek weer korter en schuift steeds verder naar de rand van de ligger. In de ligger zelf zijn geen schotten aangebracht tussen de boven- en onderflens, waardoor de spanningen in de bovenflens niet kunnen worden afgevoerd naar de onderliggende constructie. De spanningen lopen zo hoog op dat de stalen ligger bezwijkt. De parkeerdekconstructie heeft geen ondersteuning meer en stort in.”

4.6.4 Motel Tiel heeft twee onderzoeken laten verrichten naar de vraag in hoeverre in dit geval met name bronbemaling en/of heiwerkzaamheden bij het werken aan het viaduct en/of de Betuwelijn als (mede)oorzaak van de calamiteit kunnen worden aangemerkt. De desbetreffende onderzoeksrapporten zijn bij memorie van grieven overgelegd.

4.6.5 In het rapport van prof. F. Molenkamp van de TU Delft (zonder datum, productie 1 bij memorie van grieven) geeft de auteur de in de eerder opgestelde rapporten genoemde oorzaken van de calamiteit weer, waaronder naast de constructieve gebreken van het parkeerdek “een viertal mogelijke complementaire oorzaken” zoals die in die eerdere rapporten zijn onderkend. De vier zijn achtereenvolgens seizoensinvloeden, bronbemaling ten behoeve van de Betuwelijn, opbrengen zandpakket Betuwelijn, en heitrillingen door heiwerkzaamheden ten behoeve van de Betuwelijn. Het onderzoek van prof. F. Molenkamp is blijkens paragraaf 3 erop gericht om na te gaan “wat nodig zou zijn om het inzicht in de relevantie van de voornoemde vier bijdragen aan de oorzaak van de instorting van het parkeerdek objectiever te kunnen wegen”. Het rapport vermeldt onder ‘conclusies en aanbevelingen’ onder meer het volgende:

“(…) Uit de beschouwing van (…) voornoemde rapporten is gebleken, dat als de meest populaire oorzaak die van de seizoensinvloeden is gekozen. Echter in de motivering van deze mogelijke oorzaak treedt een inconsistentie op, die samenhangt met de cumulatief veronderstelde relatieve beweging van de TT-platen ten opzichte van de stalen randligger. Deze relatieve beweging zou moeten worden beïnvloed door zowel de wrijvingseigenschappen van de kunstof glijlaag tussen beiden als de pendelwerking van de kolommen, waardoor geen wrijvingskracht zou kunnen worden opgewekt en daardoor geen relatieve beweging zou kunnen ontstaan. Een betere onderbouwing zou kunnen worden verkregen met behulp van metingen van een aantal specifieke constructieve eigenschappen langs het resterende deel van de noord-oostelijke wand van het parkeerdek.

Een verduidelijking van de tweede mogelijke oorzaak van het bezwijken van het parkeerdek door de bronbemaling ten behoeve van de Betuwelijn, behoeft gedetailleerde informatie over alle aspecten van deze bronbemaling en het toenmalige grondwerk, waarvoor zowel de gemeente Tiel als de oorspronkelijke aannemer volledige medewerking zouden moeten verlenen. Of deze medewerking verkregen zou kunnen worden is betwijfelbaar. Bovendien zouden zowel nadere gegevens van de eigenschappen van de ondergrond als van de constructie moeten worden verkregen, waarvoor een uitgebreid en waarschijnlijk tamelijk kostbaar geotechnisch en constructief onderzoek nodig zou zijn.

De mogelijke derde oorzaak van het bezwijken van het parkeerdek door het opbrengen van het zandpakket van de Betuwelijn is naar verwachting slechts marginaal en nader onderzoek hiervan wordt dan ook niet aanbevolen. (…). Over de vierde mogelijke oorzaak, de heitrillingen, wordt gerapporteerd door Prof. A.C.W.M. Vrouwenvelder.”

4.6.6 Of heitrillingen de calamiteit (mede) kunnen hebben veroorzaakt, heeft Motel Tiel laten onderzoeken door prof. A.C.W.M. Vrouwenvelder van TNO Delft. Diens rapport van 26 maart 2009 (prod. 2 bij memorie van grieven) vermeldt onder meer:

“5. Heitrillingen

(…) Als er dus schade is opgetreden dan moet dat afkomstig zijn van het heiwerk van het scherm langs de oprit, en niet van dat van de viaduct of de Betuwelijn zelf. (..)

6. Schadegrenzen (..)

(…) Normaal gesproken is, zelfs bij extreme schatting van 20 mm/s, voor het type draagconstructie van het motel (stalen kolommen, betonnen dek) schade dus vrijwel uitgesloten te noemen. Gegeven de kwalitatief ondermaatse constructie (slappe rotatieveer bij de aansluiting van de kolom op de fundering, het ontbreken van schotten in de randbalk en een glijoplegging van de TT-balken) is een verslechtering van de conditie door verschuiven als gevolg van de trillingen echter niet bij voorbaat onmogelijk te noemen. (..) Volgens deze analyse is er dus pas bij tamelijk extreme veronderstellingen schade te verwachten aan kwetsbare gebouwen.

7. Nadere analyses

(…) Als wij alleen naar de horizontale beweging kijken treedt er dus geen of nauwelijks verschuiving op. (…) Naast de horizontale beweging is er ook nog een verticale beweging. (…) Bij het heien van een paal moet men denken aan circa 100 zware heiklappen en het gaat om 10 palen die voldoende dichtbij waren, dan kan maximaal een verplaatsing zijn opgetreden van (..) 4 mm. Deze verplaatsing kan de constructie dus een beetje dichter bij bezwijken hebben gebracht. (…) Uitgaande van een minimale opleglengte van 10 mm is ca 40 mm beschikbaar. Hiervan zouden heitrillingen er dus maximaal orde 10 % hebben bijgedragen.

Bovenstaande analyse is erg hypothetisch. Er is een opeenstapeling gemaakt van tamelijk extreme aannamen, zoals het samenvallen van excitatiefrequentie en eigenfrequentie, een zeer hoge excitatie bij de gegeven hei-energie en permanent aanwezige ongunstige inwendige spanningen. Het is niet gebruikelijk een combinatie van een samenloop van dergelijk extreme veronderstellingen als uitgangspunt te nemen. Verder blijft van kracht dat bij aanwezigheid van voldoende verband in de constructie er niets was gebeurd.

De heitrillingen vormen dus zelfs bij extreme veronderstellingen bij lange na geen volledige verklaring voor de opgetreden schade. De eerste verschuivingen van de TT-liggers kunnen veroorzaakt zijn door kruip onder invloed van de voorspanning. Deze kruip is vermoedelijk rond 1994 tot staan gekomen. In 1997 is een vloer aangebracht die gedurende enige tijd een zijdelingse belasting op de fundering heeft uitgeoefend. Dit kan ook hebben doorgewerkt in een verschuiving aan de bovenzijde. Voor de verdere verschuivingen moet gedacht worden aan uitzettingen en krimp door temperatuursveranderingen die niet geheel omkeerbaar waren.

Dat de constructie een zodanig lange tijd zonder veel ogenschijnlijke problemen heeft kunnen functioneren is in overeenstemming met het hier veronderstelde mechanisme: tal van invloeden hebben langzaam maar zeker gezorgd voor een toename van de excentriciteit. De excentriciteit heeft geleid tot buigende momenten in de wand bij as 31 en daarmee samenhangende uitbuiging (bolling) en horizontale scheuren in het metselwerk. Deze fenomenen zijn geconstateerd. (…)

8. Conclusies

(…) Samenvattend geldt dat de primaire oorzaak van de instorting ligt in gebreken van het gebouw zelf. Heitrillingen afkomstig van de bouw van het geluidsscherm kunnen in het gehele proces maximaal een kleine rol hebben gespeeld. De heiwerkzaamheden ten behoeve van het viaduct en de Betuwelijn zelf waren te ver weg.”

4.7 Naar het oordeel van het hof komt uit al deze rapporten genoegzaam naar voren dat de calamiteit is veroorzaakt door de daarin genoemde constructieve gebreken van het parkeerdek. Deze gebreken hebben een proces in gang gezet dat tot de calamiteit heeft geleid, zo volgt uit de rapporten. Het rapport van prof. Vrouwenvelder geeft een verklaring voor het – in deze procedure door Motel Tiel benadrukte - feit dat het vervolgens nog 18 jaar heeft geduurd voordat het parkeerdek is ingestort. Volgens deze deskundige hebben tal van invloeden “langzaam maar zeker gezorgd voor een toename van de excentriciteit. De excentriciteit heeft geleid tot buigende momenten in de wand bij as 31 en daarmee samenhangende uitbuiging (bolling) en horizontale scheuren in het metselwerk. Deze fenomenen zijn geconstateerd.” De door prof. Vrouwenvelder genoemde invloeden die tot een verschuiving van de TT-liggers hebben geleid zijn kruip onder invloed van de voorspanning, het aanbrengen van een vloer in 1997 en krimp en uitzetting door temperatuursveranderingen.

Meer specifiek over de vier mogelijke andere oorzaken dan constructiefouten voor het instorten van een deel van het parkeerdek overweegt het hof als volgt:

Seizoensinvloeden

4.8 Prof. Molenkamp heeft in zijn onderzoek vooral vraagtekens gezet bij de deugdelijkheid van de onderbouwing van het effect van seizoensinvloeden. Uit zijn rapport volgt echter niet dat hij uitsluit dat seizoensinvloeden een rol kunnen hebben gespeeld. Voorts laten zijn bevindingen onverlet dat de overige in het rapport van prof. Vrouwenvelder genoemde invloeden tot een verschuiving van de TT-liggers en uiteindelijk tot de calamiteit hebben geleid. De rapporten laten derhalve niet de door Motel Tiel verdedigde conclusie toe dat ondanks de geconstateerde constructiefout, toch sprake is geweest van een stabiele constructie die slechts als gevolg van externe factoren zoals de onderhavige heiwerkzaamheden en/of grondbemaling tot instorten is gebracht.

Aanbrengen zandpakket

4.9 Uit het door Motel Tiel zelf overgelegde rapport van prof. Molenkamp kan worden afgeleid dat niet aannemelijk is dat de calamiteit door opbrengen van een zandpakket in verband met het grondwerk voor de Betuwelijn is veroorzaakt. Deze deskundige merkt immers op dat het tussengelegen grondlichaam van de autosnelweg een beschermende functie moet hebben uitgeoefend en een eventuele horizontale verplaatsing van de fundering van het parkeerdek slechts zou hebben kunnen optreden als de beweging van het weglichaam van de autosnelweg zelf ten minste een orde groter zou zijn geweest, hetgeen hoogstwaarschijnlijk zou zijn opgevallen. Om toch zekerheid te krijgen zou volgens de deskundige nader onderzoek nodig zijn, dat door hem voor deze oorzaak evenwel wordt afgeraden.

Tegen de achtergrond van deze bevindingen van de deskundige, die het hof overneemt en tot de zijne maakt, heeft Motel Tiel haar stelling dat het aangebrachte zandpakket de calamiteit (mede) heeft veroorzaakt onvoldoende onderbouwd. Dat deze externe factor (mede) tot het instorten van het parkeerdek heeft geleid, is derhalve niet komen vast te staan.

Heitrillingen

4.10 Aan haar stelling dat in het onderhavige geval heitrillingen (mede) de calamiteit hebben veroorzaakt, heeft Motel Tiel het door haar overgelegde rapport van prof. Vrouwenvelder ten grondslag gelegd. Deze deskundige komt echter tot de conclusie dat slechts indien een samenloop van extreme veronderstellingen tot uitgangspunt genomen zou worden – hetgeen volgens hem niet gebruikelijk is – heitrillingen maximaal een kleine rol zouden kunnen hebben gespeeld in het proces dat tot de calamiteit heeft geleid. Vrouwenvelder benadrukt het volgens hem sterk hypothetisch karakter van deze analyse. Het hof leidt uit de bevindingen van de deskundige, welke het hof overneemt en tot de zijne maakt, af dat in dit geval zeer onzeker is dat heitrillingen de calamiteit (mede) hebben veroorzaakt. Op basis van dit rapport kan naar het oordeel van het hof dan ook niet worden aangenomen dat, zoals Motel Tiel stelt, heitrillingen de calamiteit (mede) hebben veroorzaakt. Nu Motel Tiel deze stelling niet anderszins (nader) heeft onderbouwd, gaat het hof daaraan voorbij.

Bronbemaling

4.11 Ook de stelling van Motel Tiel dat het parkeerdek is bezweken door bronbemaling, wordt naar het oordeel van het hof in onvoldoende mate ondersteund door de overgelegde rapporten. De rapporten Arcadis, PRC en prof. Vrouwenvelder wijzen zoals gezegd erop dat interne factoren – zoals kruip onder invloed van voorspanning, het aanbrengen van een vloer in 1997, uitzetting en krimp – en de belasting door gebruik van het parkeerdek zelf gaandeweg door de constructiefout tot de calamiteit kunnen hebben geleid. Ook Molenkamp noemt bronbemaling niet als (mede)oorzaak, maar concludeert slechts dat alleen op grond van uitvoerig nader onderzoek zou kunnen worden vastgesteld óf bronbemaling in dit geval mede een rol heeft gespeeld bij het uiteindelijk bezwijken van de instabiele constructie.

Daarbij komt dat niet is komen vast te staan dat in dit geval voorafgaand aan de calamiteit onder verantwoordelijkheid van Prorail, de gemeente en/of de provincie bronbemaling heeft plaatsgevonden. Dat, zoals Motel Tiel stelt, het mogelijk is om zonder vergunning toch aanzienlijke grondwateronttrekkingen te doen plaatsvinden en dat – zoals Motel Tiel heeft aangeboden te bewijzen – het waterschap ook in 2001/2002 bronbemaling heeft geconstateerd en gecontroleerd (memorie van grieven, nr. 26) is hiertoe onvoldoende.

Maar ook indien in de desbetreffende periode wel voor de werkzaamheden van Pro Rail grondwater zou zijn onttrokken, is het hof van oordeel dat, gelet op de hiervoor weergegeven bevindingen van de deskundigen, niet kan worden aangenomen dat zulke grondwateronttrekkingen in dit geval ook als (mede)oorzaak van de calamiteit kunnen worden aangemerkt.

Het hof gaat derhalve aan het desbetreffende bewijsaanbod van Motel Tiel als niet ter zake dienend voorbij. Aan nadere voorlichting door deskundigen heeft het hof, gezien het voorgaande, geen behoefte, zodat het hof ook aan het voorstel van Motel Tiel tot nader onderzoek op dit punt voorbij gaat.

4.12 Motel Tiel voert onder grief III aan dat op grond van de (enkele) mogelijkheid dat de calamiteit door externe factoren als heiwerkzaamheden en bronbemaling is veroorzaakt, het ingevolge art. 6:99 BW aan de gemeente, de provincie en Prorail is om te stellen en te bewijzen dat de schade niet het gevolg is van het handelen waarvoor zij aansprakelijk zijn. Dit betoog ziet eraan voorbij dat deze bepaling slechts van toepassing is indien vaststaat dat die andere (potentiële) oorzaken de schade ieder in haar geheel hebben kunnen veroorzaken. Dat is in dit geval echter niet komen vast te staan. Op grond van de besproken deskundigenrapporten moet immers worden aangenomen, zowel dat de (primaire) oorzaak is gelegen in een constructiefout van het parkeerdek en dat de calamiteit zonder deze constructiefout niet zou zijn opgetreden, als dat in deze procedure niet is komen vast te staan dat de door Motel Tiel gestelde externe factoren daadwerkelijk hebben bijgedragen aan het ontstaan van de calamiteit. In zulke gevallen is art. 6:99 BW niet toepasselijk.

Ook overigens, buiten art. 6:99 om, bestaat naar het oordeel van het hof geen grond voor een omkering van de bewijslast. Daarvoor is vereist dat vaststaat dat de gemeente, Prorail of de provincie in verband met de door Motel Tiel gestelde externe oorzaken jegens Motel Tiel een norm hebben geschonden, maar nu in deze procedure zelfs niet is komen vast te staan dat de gestelde externe oorzaken hebben bijgedragen aan het ontstaan van de calamiteit, is aan dit vereiste niet voldaan.

4.13 Het hof concludeert op grond van de bevindingen van de deskundigen dat in dit geval sprake is geweest van een door de constructiefout mogelijk gemaakt, gaandeweg proces, dat uiteindelijk tot de calamiteit heeft geleid. Niet is in rechte komen vast te staan dat de calamiteit is veroorzaakt door onder verantwoordelijkheid van de gemeente, de provincie en/of Prorail verrichte werkzaamheden bestaande in het aanbrengen van een zandpakket, heiwerkzaamheden of bronbemaling. Hiermee ontvalt tevens de grondslag aan het door Motel Tiel aan de Gemeente Tiel gemaakte verwijt dat zij de calamiteit had kunnen en moeten voorkomen door in 2001/2002 voorzorgsmaatregelen te nemen in verband met deze werkzaamheden aan het viaduct en de Betuwelijn.

4.14 Nu niet is komen vast te staan dat één of meer van de geïntimeerden een jegens Motel Tiel gepleegde onrechtmatige daad kan worden verweten, is niet langer van belang of zij ieder – zoals Motel Tiel onder grief II stelt en door de gemeente Tiel, de provincie Gelderland en Prorail is betwist – op grond van de tussen hen gesloten samenwerkingsovereenkomst voor onrechtmatig handelen van de ander aansprakelijk zijn.

4.15 De slotsom uit het voorgaande is dat de grieven II en III falen.

4.16 Naast het door Motel Tiel aan de gemeente Tiel verweten onrechtmatige handelen (nalaten) rond de werkzaamheden aan het viaduct over de A15 en/of de Betuwelijn, heeft de gemeente volgens Motel Tiel jegens haar een onrechtmatig daad gepleegd doordat zij in de periode dat het parkeerdek werd gebouwd – tussen 1982 en 1986 – onvoldoende toezicht heeft gehouden. In haar eerste grief stelt Motel Tiel dat de rechtbank ten onrechte geen oordeel heeft gegeven over deze grondslag en legt zij deze – zo begrijpt het hof - met deze grief alsnog aan het hof ter beoordeling voor.

4.17 Het hof is van oordeel dat de vorderingen van Motel Tiel – waaronder een verklaring voor recht dat de gemeente jegens haar onrechtmatig heeft gehandeld en dientengevolge aansprakelijk is voor de door Motel Tiel geleden en te lijden schade en vergoeding van deze schade – ook op deze grondslag niet toewijsbaar zijn.

De normen op grond waarvan de gemeente destijds toezicht hield op de bouw van werken als het onderhavige parkeerdek, zijn gebaseerd op de (toenmalige) Woningwet. Deze normen hebben niet de strekking een in beginsel onbeperkte groep van potentieel getroffenen te beschermen tegen de vermogensschade die kan ontstaan doordat de onveiligheid van een bouwwerk bij het toezicht door de overheid niet aan het licht is gekomen. Dat de wetgever een dergelijke vergaande (overheids)aansprakelijkheid voor ogen stond is te minder aannemelijk nu met het gemeentelijke toezicht op de naleving van bouwvoorschriften niet steeds een sluitende controle op de naleving daarvan zal kunnen worden gegarandeerd. In ieder geval zal niet kunnen worden aangenomen dat met de wet een dergelijke aansprakelijkheid is voorzien ten aanzien van de vergunninghouder zelf, op wie immers primair de verantwoordelijkheid rust om de geldende bouwvoorschriften na te leven. Hiervan is te minder sprake in een situatie als de onderhavige waarin Motel Tiel om haar moverende, in de procedure niet opgehelderde redenen, niet is ingegaan op de vele herhaalde verzoeken van de gemeente om een gewijzigde bouwvergunning aan te vragen, toen de gemeente bij een controle had geconstateerd dat de constructie van het parkeerdek afweek van de verleende vergunning.

4.18 Dit betekent dat, ook indien ervan zou worden uitgegaan dat de Gemeente Tiel in dit geval onvoldoende toezicht heeft gehouden op de bouw van het parkeerdek en in haar toezichthoudende taak zou zijn tekortgeschoten, de in dat geval door de gemeente geschonden norm niet strekt tot bescherming van het onderhavige vermogensbelang van Motel Tiel. Ook op deze grondslag zijn de vorderingen van Motel Tiel derhalve niet toewijsbaar. Dat Motel Tiel – de vergunninghouder – de bouw had uitbesteed aan het aannemersbedrijf “De Valk” maakt dit niet anders. Ook grief I faalt derhalve.

4.19 Motel Tiel heeft geen (voldoende onderbouwde) feiten gesteld die, indien bewezen, tot een ander oordeel zouden kunnen leiden. Het hof gaat derhalve aan het hof aan het door Motel Tiel gedane bewijsaanbod voorbij, evenals aan het verzoek van Motel Tiel tot nader deskundigenonderzoek over de vraag of externe oorzaken tot de calamiteit kunnen hebben geleid. Ook grief IV faalt.

4.20 Grief V bouwt voort op de voorgaande grieven en faalt derhalve eveneens.

5. Slotsom

De slotsom is dat alle grieven falen. Het bestreden vonnis moet worden bekrachtigd.

Motel Tiel zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het hoger beroep worden veroordeeld.

6. De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

- bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Arnhem van 2 juli 2008,

- veroordeelt Motel Tiel in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van de gemeente Tiel begroot op € 2.682,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en op € 313,- voor griffierecht, aan de zijde van Prorail begroot op € 2.682,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en op € 313,- voor griffierecht en aan de zijde van de provincie Gelderland op € 2.682,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en op € 313,- voor griffierecht,

- verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. R.J.J. van Acht, B.J. Lenselink en J.B.M. Vranken, bij afwezigheid van de voorzitter ondertekend door de oudste raadsheer en is in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 mei 2010.