Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2010:BM4626

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
18-05-2010
Datum publicatie
18-05-2010
Zaaknummer
24-002683-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt ter zake van overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 30 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren veroordeeld tot een geldboete van € 4000,-, subsidiair 50 dagen hechtenis, waarvan € 2000,-, subsidiair 30 dagen hechtenis voorwaardelijk, met een proeftijd voor de duur van 2 jaren.

Wetsverwijzingen
Gezondheids- en welzijnswet voor dieren 30
Wet op de economische delicten
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 24-002683-08

Parketnummer eerste aanleg: 07-995208-07

Arrest van 18 mei 2010 van het gerechtshof te Arnhem, nevenzittingsplaats Leeuwarden, economische kamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de economische politierechter in de rechtbank Zwolle-Lelystad van 28 oktober 2008 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1977] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

verschenen in persoon.

Het vonnis waarvan beroep

De economische politierechter in de rechtbank Zwolle-Lelystad heeft de verdachte bij het vonnis wegens een misdrijf veroordeeld tot een straf, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het aan verdachte ten laste gelegde bewezen zal verklaren en hem ter zake zal veroordelen tot een geldboete van € 4000,00, subsidiair 50 dagen hechtenis, waarvan € 3000,00, subsidiair 40 dagen hechtenis, voorwaardelijk, met een proeftijd voor de duur van 2 jaren.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd, dat:

verdachte op 18 augustus 2007 in de gemeente [gemeente], althans in Nederland, al dan niet opzettelijk tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een aantal schapen over de openbare weg heeft vervoerd.

Bewezenverklaring

Het hof acht bewezen dat:

verdachte op 18 augustus 2007 in de gemeente [gemeente] opzettelijk een aantal schapen over de openbare weg heeft vervoerd.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 30 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, opzettelijk begaan.

Strafbaarheid

Het hof acht verdachte strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden niet aanwezig geacht.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de aard en ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon van verdachte. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft tijdens een vervoersverbod dat was ingesteld ter voorkoming van verspreiding van de dierziekte mond- en klauwzeer vijf schapen vervoerd. Verdachte had deze schapen gekocht op de veemarkt te [plaats], maar doordat de dieren nog niet slachtrijp waren kon verdachte op de veemarkt geen afnemer vinden voor deze schapen. Hoewel verdachte wist van het vervoersverbod, heeft hij er toch voor gekozen de dieren mee te nemen en thuis in een weiland te zetten. Hiermee heeft verdachte de strenge regelgeving die in het kader van de bestrijding van de hiervoor genoemde besmettelijke dierziekte in het leven was geroepen genegeerd, waardoor er gevaar is ontstaan voor besmetting.

Bij het begaan van het feit heeft verdachte ook het afvoerdocument van deze schapen - dat als doel heeft om bij een uitbraak van besmettelijke dierziektes de haard van de besmetting en de verschillende contacten van de dieren te herleiden - niet naar waarheid ingevuld. Door op dit document valselijk aan te geven dat de schapen werden afgevoerd naar een slachthuis zou bij een eventuele uitbraak van mond- en klauwzeer door deze schapen de besmettingshaard niet te herleiden zijn. Dit zou grote gevolgen kunnen hebben gehad voor de veehouderij.

Verdachte is blijkens een hem betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 8 oktober 2008 niet eerder met justitie in aanraking gekomen.

Het hof is van oordeel dat de in eerste aanleg opgelegde geldboete in beginsel een passende sanctie is. Het hof ziet echter in de persoonlijke omstandigheden van verdachte en in de ouderdom van de zaak wel aanleiding hiervan te wijken en zal de geldboete enigszins matigen. Het hof zal tevens een deel van de geldboete voorwaardelijk opleggen. Overigens in mindere mate dan door de advocaat-generaal gevorderd nu die eis onvoldoende recht doet aan de ernst van het feit.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24a en 24c van het Wetboek van Strafrecht, artikel 30 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren en de artikelen 1, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte ten laste gelegde bewezen en kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart dit feit en verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot een geldboete van vierduizend euro;

beveelt dat vervangende hechtenis voor de duur van vijftig dagen zal worden toegepast, indien noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt;

beveelt, dat van de geldboete een gedeelte van tweeduizend euro, subsidiair dertig dagen hechtenis, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond, dat veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd van twee jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

bepaalt dat het onvoorwaardelijke deel van de geldboete mag worden voldaan in tien tweemaandelijkse termijnen elk groot tweehonderd euro;

Dit arrest is aldus gewezen door mr. S. Zwerwer, voorzitter, mr. K. Lahuis en mr. J.A. Wiarda, in tegenwoordigheid van H. Pool als griffier, zijnde mr. Lahuis en mr. Wiarda beiden voornoemd buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.